E-mail deze uitspraak

Uitspraak waar naar gelinkt wordt vanuit de e-mail die gestuurd zal worden:

ECLI:NL:RBSGR:2008:BG5291
LJN BG5291, Rechtbank 's-Gravenhage, AWB 07/29129

Inhoudsindicatie:

Centraal-Irak / categoriaal beschermingsbeleid / verblijfsvergunning asiel onbepaalde tijd / WBV 2007/9

Onbetwist is dat eiser een asielzoeker is uit Centraal Irak. De rechtbank stelt vast dat eiser op 26 juli 2003 een aanvraag om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd heeft ingediend en dat verweerder op dat moment een categoriaal beschermingsbeleid voerde ten aanzien van asielzoekers afkomstig uit Centraal Irak. Dit beleid van categoriale bescherming is beëindigd met ingang van 24 februari 2006. Met ingang van 2 april 2007 wordt door verweerder wederom een categoriaal beschermingsbeleid gevoerd ten aanzien van personen afkomstig uit Centraal Irak. Eiser behoort derhalve zowel tot de doelgroep van het vanaf 25 november 2002 tot 24 februari 2006 gevoerde categoriaal beschermingsbeleid als tot de doelgroep van het vanaf 2 april 2007 gevoerde categoriaal beschermingsbeleid.

Indien verweerder tijdig op eisers aanvraag van 26 juli 2003 had beslist, zou aan eiser met ingang van die datum een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd zijn verleend met een (verlengde) geldigheidsduur tot 26 juli 2006. Indien eiser vervolgens een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd zou hebben aangevraagd, zou op grond van het weergegeven beleid in WBV 2007/9 de periode waarin geen categoriaal beschermingsbeleid werd gevoerd niet aan hem zijn tegengeworpen. Van belang daarbij is dat WBV 2007/9 daartoe niet de voorwaarde stelt dat de asielzoeker voorafgaande aan de beëindiging van het categoriaal beschermingsbeleid per 24 februari 2006 gedurende drie jaar in het bezit moet zijn geweest van een geldige verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd.

Niet valt in te zien waarom op grond van de omstandigheid dat eerst op 13 juli 2007 op eisers aanvraag is beslist anders zou moeten worden geoordeeld. Op grond van de uitvoeringspraktijk, bezien tegen de achtergrond van het in WBV 2007/9 aangegeven beleid, had verweerder eisers aanvraag ambtshalve tevens moeten aanmerken als een aanvraag om een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd en had deze aanvraag op grond van het genoemde beleid moeten worden ingewilligd.

Aan het voorgaande doet niet af dat het beleid in WBV 2007/9 pas na het indienen van de onderhavige aanvraag tot stand is gekomen. Het WBV 2007/9 is immers op 21 mei 2007 en derhalve voorafgaande aan de datum van het bestreden besluit, 13 juli 2007, tot stand gekomen. Op grond van artikel 3.103 van het Vb 2000 had verweerder genoemd beleid bij de besluitvorming moeten betrekken.

De rechtbank komt tot de conclusie dat verweerder bij het nemen van het bestreden besluit het eigen beleid onjuist heeft toegepast en eiser ten onrechte niet tevens in aanmerking heeft gebracht voor een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd. Het bestreden besluit komt om die reden voor vernietiging in aanmerking wegens schending van artikel 4:84, van de Awb . Het beroep is gegrond.

Van


Aan


Opmerkingen (optioneel)


E-mail

Terug

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie