< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak




U dient ingelogd te zijn om favorieten te kunnen toevoegen aan Mijn Jure
U kunt zich hier gratis registreren
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:

Inhoudsindicatie:

Gelet op de bewoordingen 'het laadvermogen daaronder begrepen' in de definitie van het begrip toegestaan maximumgewicht is de rechtbank van oordeel dat verweerder terecht als uitgangspunt heeft genomen de massa ledig voertuig van de trekker (2210 kg) vermeerderd met de maximum massa voertuig van de oplegger (7000 kg). Dit betekent dat het toegestane maximumgewicht van de trekker met oplegger 9210 kg bedraagt, en dus meer dan 7500 kg.

Uitspraak



RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector bestuursrecht

derde afdeling, enkelvoudige kamer

Reg.nr.: AWB 07/8617 BESLU

UITSPRAAK als bedoeld in artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

in het geding tussen

Kruidenier [A], gevestigd te [plaats 1], eiseres,

en

de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, verweerder.

I Ontstaan en loop van het geding

Bij besluit van 12 september 2007 heeft verweerder eiseres een bestuurlijke boete ter hoogte van € 440,- opgelegd vanwege overtredingen van het Arbeidstijdenbesluit vervoer (hierna: Atbv).

Bij besluit van 10 oktober 2007 heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft eiseres bij brief van 9 november 2007 beroep ingesteld.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

De zaak is op 4 september 2008 ter zitting behandeld.

Namens eiseres is verschenen [C] (directeur), bijgestaan door mr. J.G. Mahn, advocaat. Eiseres heeft [D] (senior consultant Ondernemersservice EVO) meegebracht als deskundige.

Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J. Dos Santos. Tevens is verschenen [E] (inspecteur bij de Inspectie Verkeer en Waterstaat).

II Motivering

1. Aangezien eiseres haar statutaire zetel heeft in [plaats 1], is de rechtbank [plaats 1] op grond van artikel 8:7, tweede lid, van de Awb (relatief) bevoegd. Ter zitting hebben partijen echter verklaard dat zij er geen bezwaar tegen hebben dat deze rechtbank het beroep behandelt, zodat deze rechtbank zich bevoegd acht om het beroep te behandelen.

2. Blijkens het boeterapport van 21 juni 2006 heeft de Arbeidsinspectie geconstateerd dat [F] op 19 mei 2006 een trekker met oplegger met de kentekens [nummer 1] (de trekker) en [nummer 2] (de oplegger) bestuurde en geen door de Minister erkend getuigschrift van vakbekwaamheid kon tonen. [F] verrichtte op dat moment vervoer voor eiseres.

3. Eiseres kan zich niet vinden in de uitleg die verweerder geeft aan de term 'toegestaan maximumgewicht van meer dan 7500 kg' zoals bedoeld in artikel 2.7:2 van het Atbv. Volgens eiseres moet voor de berekening van het toegestane maximumgewicht de massa ledig gewicht van de trekker (2210 kg) worden opgeteld bij de maximum te trekken massa van een geremde oplegger (5280 kg) zoals is vermeld op het kentekenbewijs van de trekker. Volgens die berekening bedraagt het toegestane maximumgewicht 7490 kg.

4.1. Op grond van artikel 5:12, tweede lid, aanhef en onder a, van de Arbeidstijdenwet (hierna: Atw) kunnen bij of krachtens algemene maatregel van bestuur regels worden gesteld die afwijken van, in de plaats komen van of strekken tot aanvulling van het in deze wet bepaalde, ten aanzien van arbeid verricht door personen, werkzaam op motorrijtuigen. Deze bepaling vormt de grondslag voor het Atbv.

4.2. Ingevolge het ten tijde van de overtreding geldige artikel 2.7:2, eerste lid, van het Atbv, voor zover van belang, heeft de bestuurder van een vrachtauto met een toegestaan maximumgewicht van meer dan 7500 kg, die geboren is na [datum ] 1955, een door Onze Minister van Verkeer en Waterstaat erkend getuigschrift van vakbekwaamheid bij zich, waaruit blijkt dat hij met goed gevolg een opleiding voor bestuurder van een vrachtauto heeft gevolgd.

4.3. In artikel 8:1, eerste lid, van het Atbv is bepaald dat het niet naleven van het bepaalde krachtens artikel 2.7:2, eerste lid, een beboetbaar feit oplevert. Het tweede lid van dit artikel bepaalt dat indien de bestuurder werknemer is, in geval van het niet naleven van een tot de bestuurder gerichte bepaling de werkgever aangemerkt wordt als degene die die bepaling niet heeft nageleefd.

4.4. Ingevolge artikel 10:7, derde lid, van de Atw stelt verweerder beleidsregels vast waarin de boetebedragen voor de beboetbare feiten worden vastgesteld. Voor beboetbare feiten begaan door personen, bedoeld in artikel 5:12, tweede lid, van de Atw stellen de Minister van Verkeer en Waterstaat en de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid tezamen beleidsregels vast waarin de boetebedragen voor die feiten worden vastgesteld. Deze beleidsregels zijn neergelegd in de Beleidsregel boeteoplegging Arbeidstijdenwet en Arbeidstijdenbesluit vervoer (wegvervoer) (Stcrt. 2006, 43, pag. 28 (hierna: de Beleidsregel)). In de Beleidsregel zijn normen opgenomen over de wijze van berekenen en opleggen van de bestuurlijke boete.

In het geval van een niet afgegeven chauffeursvakbekwaamheid diploma bedraagt de bestuurlijke boete € 220,-.

5.1. Eiseres heeft zich in de bezwaarfase neergelegd bij de boete wegens het ontbreken van een installatieplaatje, zodat de beoordeling in de beroepsfase beperkt is tot de vraag of de boete wegens het niet hebben van een getuigschrift van vakbekwaamheid in stand kan blijven.

5.2. Het geschil beperkt zich tot de vraag hoe de term 'toegestaan maximumgewicht' als bedoeld in artikel 2.7:2 van het Atbv moet worden uitgelegd.

5.3. Artikel 2.7:2 van het Atbv is voor het eerst op 1 december 1998 in werking getreden door het Besluit van 17 november 1998, houdende wijziging van het Arbeidstijdenbesluit vervoer in verband met de toevoeging van de hoofdstukken betreffende wegvervoer, luchtvaart, binnenvaart, zeevaart en loodsen (Staatsblad 1998, 645). In de Nota van toelichting bij het Besluit van 17 november 1998 is overwogen dat, mede om reden van verkeersveiligheid, waarde wordt gehecht aan het waarborgen van de kwaliteit van bestuurders van zogenaamde zware vrachtwagens.

Uit het Ontwerp-besluit wijziging Arbeidstijdenbesluit vervoer (Staatscourant 1998, nr. 38) en het Besluit van 17 november 1998 kan worden afgeleid dat de verordening (EEG) nr. 3820/85 van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 20 december 1985 tot harmonisatie van bepaalde voorschriften van sociale aard voor het wegvervoer (PbEG L 370, hierna: Verordening 3820/85) hieraan mede ten grondslag heeft gelegen.

In artikel 1, aanhef en zesde lid, van de Verordening 3820 /85 wordt toegestaan maximumgewicht gedefinieerd als: het hoogst toelaatbare totaalgewicht van het rijklare voertuig, het laadvermogen daaronder begrepen.

5.4. De Verordening 3820/85 is ingetrokken door het inwerking treden op 1 mei 2006 van Verordening (EG) nr. 561/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 15 maart 2006 tot harmonisatie van bepaalde voorschriften van sociale aard voor het wegvervoer, tot wijziging van Verordeningen (EEG) nr. 3821/85 en (EG) nr. 2135/98 van de Raad en tot intrekking van Verordening (EEG) nr. 3820/85 van de Raad (PbEG L 2006, nr. 102, hierna: Verordening 561/2006).

Artikel 4, aanhef en onder b en m, van de Verordening 561 /2006 definieert toegestane maximummassa als de hoogst toegestane totaalmassa van een voertuig, het laadvermogen daaronder begrepen, terwijl een combinatie van trekker en oplegger tevens als voertuig wordt beschouwd.

Vervolgens is bij Besluit van 17 maart 2008, houdende wijziging van het Voertuigreglement in verband met een vereenvoudiging van de APK en van het Arbeidstijdenbesluit vervoer in verband met enkele technische correcties (Staatsblad 2008, 103) in artikel 2.7:2 van het Atbv het begrip toegestaan maximumgewicht gewijzigd in toegestane maximummassa. Blijkens de Nota van toelichting bij het Besluit van 17 maart 2008 is deze wijziging slechts van technische en niet van beleidsinhoudelijke aard en heeft de wijziging geen gevolgen in het kader van bedrijfseffecten.

5.5. Gelet op de bewoordingen 'het laadvermogen daaronder begrepen' in de definitie van het begrip toegestaan maximumgewicht is de rechtbank van oordeel dat verweerder terecht als uitgangspunt heeft genomen de massa ledig voertuig van de trekker (2210 kg) vermeerderd met de maximum massa voertuig van de oplegger (7000 kg). Dit betekent dat het toegestane maximumgewicht van de trekker met oplegger 9210 kg bedraagt, en dus meer dan 7500 kg.

Een dergelijke berekeningswijze doet ook recht aan de doelstelling van het Atbv. Het opnemen van het vakbekwaamheidsvereiste voor bestuurders van zogenaamde zware vrachtwagens moet immers de kwaliteit van deze bestuurders waarborgen. In het geval het een zware vrachtwagen(-combinatie) betreft, worden aan de bestuurder door middel van het getuigschrift van vakbekwaamheid extra eisen gesteld met het oog op de verkeersveiligheid.

5.6. De aantekening op het kentekenbewijs van de trekker dat de maximum te trekken massa 5280 kg bedraagt indien het een geremde oplegger betreft, beperkt niet het laadvermogen van de oplegger maar enkel het feitelijke gewicht aan lading van de oplegger dat met deze trekker mag worden getrokken. Derhalve is de aantekening op het kentekenbewijs van de trekker niet van betekenis voor de uitleg van het begrip 'toegestaan maximumgewicht' als bedoeld in artikel 2.7:2, eerste lid, van het Atbv. De aantekening op het kentekenbewijs beperkt enkel het op de weg toegestane gewicht van de feitelijk door de trekker te trekken lading.

5.7. Aangezien het toegestane maximumgewicht van de door [F] bestuurde vrachtwagencombinatie meer bedraagt dan 7500 kg, dient de bestuurder een getuigschrift van vakbekwaamheid te hebben. Niet in geschil is dat de bestuurder op het moment van de geconstateerde overtreding niet over een dergelijk getuigschrift beschikte. Verweerder heeft eiseres dan ook op goede gronden een bestuurlijke boete opgelegd ter zake van overtreding van artikel 2.7:2, eerste lid, van de Atbv.

5.8. Eiseres heeft ter zitting aangevoerd dat de boetebeschikking, in tegenstelling tot hetgeen is bepaald in artikel 10:8, derde lid, van de Atw , niet binnen 13 weken na dagtekening van het boeterapport is afgegeven. De rechtbank overweegt dat artikel 10:8, derde lid, van de Atw een termijn van orde geeft. Het overschrijden van deze termijn doet niet de rechtsgrond aan de boetebeschikking ontvallen, zoals door eiseres is betoogd. Gelet op artikel 10:9, eerste lid, van de Atw vervalt de bevoegdheid om een boete op te leggen eerst na verloop van twee jaren na de dag waarop het beboetbare feit is geconstateerd.

5.9. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

lII Beslissing

De Rechtbank 's-Gravenhage,

RECHT DOENDE:

verklaart het beroep ongegrond.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Aldus gegeven door mr. F. Brekelmans en in het openbaar uitgesproken op 9 oktober 2008, in tegenwoordigheid van de griffier H. Pop.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde advocaten

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature