E-mail deze uitspraak

Uitspraak waar naar gelinkt wordt vanuit de e-mail die gestuurd zal worden:

ECLI:NL:RBSGR:2008:BG4581
LJN BG4581, Rechtbank 's-Gravenhage, AWB 08/35900

Inhoudsindicatie:

Vreemdelingenbewaring / Noord-Irak / zicht op uitzetting / verplichting tot medewerking / vormvrije verklaring / uitzettingsverbod hangende bezwaar

Uit twee uitspraken van de Afdeling (4 september 2008 (LJN: BF0502) en 29 september 2008 (LJN: BF5320)) leidt de rechtbank af, dat van een vreemdeling in beginsel mag worden verlangd dat hij verklaart terug te willen naar zijn land van herkomst en dat, wanneer hij dat niet doet, hem dat mag worden tegengeworpen. Uit de uitspraak van 4 september 2008 leidt de recht¬bank evenwel af dat de af te leggen verklaring voorwerp is van rechterlijke toetsing en dat zich de situatie kan voordoen waarin moet worden geoordeeld dat de af te leggen verklaring zodanig is, dat het afleggen daarvan van de vreemdeling niet redelijkerwijs kan worden verlangd. Met het oog hierop heeft de rechtbank partijen verzocht nadere inlichtingen te verstrekken.

Hetgeen verweerder over de af te leggen verklaring heeft gesteld is door eiser niet betwist en de recht¬bank gaat dan ook uit van de juistheid van de door verweerder verstrekte informatie. Samengevat komt het erop neer dat de door de vreemdeling tegenover de Iraakse autoriteiten af te leggen verklaring vormvrij is. Zij kan zowel schriftelijk als mondeling worden afgelegd, er is géén standaardverklaring die moet worden ondertekend en zij kan in elk stadium van de bewaring worden afgelegd. De verklaring hoeft niet meer te behelzen dan dat de vreemdeling aangeeft terug te willen keren.

De recht¬bank is van oordeel dat een dergelijke verklaring niet een zodanige strekking heeft dat het afleggen daarvan verder gaat dan binnen het bestek van de op eiser rustende verplichting Nederland eigener beweging te verlaten redelijkerwijs van hem kan worden verlangd. Het blijft eiser vrijstaan een dergelijke verklaring niet af te leggen. De gevolgen daarvan zoals mogelijk een langere duur van de bewaring komen dan echter wel voor zijn rekening. Anders dan eiser, is de recht¬bank dan ook niet van oordeel dat eiser gedwongen wordt een leugenachtige verklaring af te leggen.

Ter zitting heeft verweerder toegelicht dat binnen twee of drie weken het nieuwe besluit ten aanzien van de ongewenstverklaring valt te verwachten. Deze situatie is vergelijkbaar met de situatie waarin een vreemdeling tijdens de bewaring asiel aanvraagt en verweerder aangeeft hangende de asielprocedure niet over te zullen gaan tot uitzetting.

Van


Aan


Opmerkingen (optioneel)


E-mail

Terug

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie