< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Vindplaats:

Inhoudsindicatie:

Intrekking verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd / openbare orde / artikel 3 EVRM / gezinsleven / waterscheiding asiel-regulier niet gevolgd

Eiser en zijn echtgenote, van Afghaanse afkomst, zijn tot lange gevangenisstraffen (10 jaar) veroordeeld in verband met drugssmokkel naar Zweden. Detentie wordt in Zweden ondergaan, maar de echtgenote van eiser is met toepassing van de W.O.T.S. overgeplaatst naar een Nederlandse P.I. Ook in Nederland verblijven de vier kinderen van het echtpaar, waarvan de jongste thans 5 jaar oud is. Als gevolg van de intrekking van de verblijfsvergunning van eiser komt hij niet voor een overplaatsing ingevolge de W.O.T.S. in aanmerking. Hij blijft dus in Zweden gedetineerd. Vraag of aan artikel 8 EVRM getoetst kan worden bij intrekking asiel.

De rechtbank is van oordeel dat de Afdelingsjurisprudentie m.b.t. de waterscheiding asiel-regulier in dit geval niet gevolgd kan worden. Eiser beschikte sinds juli 1999 over een verblijfsvergunning waarmee hij feitelijk in staat was gezinsleven uit te oefenen. Intrekking van zijn verblijfsvergunning betekent daarom een inmenging op zijn recht op gezins- en familieleven als bedoeld in artikel 8 EVRM . De rechtbank toetst in de onderhavige procedure of deze inmenging gerechtvaardigd is. Weliswaar kan eiser een reguliere verblijfsvergunning aanvragen, maar de toets aan artikel 8 EVRM is dan een andere (positieve verplichting). Bovendien geldt het mvv-vereiste.

De rechtbank acht het in strijd met artikel 8 EVRM in samenhang met artikel 13 EVRM dat op een later moment en niet in volle omvang getoetst zou worden aan artikel 8 EVRM . Dat in het onderhavige geval plaats is voor een toets aan artikel 8 EVRM vloeit ook voort uit de wetsgeschiedenis. Beroep gegrond.

Gepubliceerde uitspraken in deze zaak:

Uitspraak



RECHTBANK ‘S-GRAVENHAGE

Nevenzittingsplaats Groningen

Sector Bestuursrecht

Vreemdelingenkamer

meervoudige kamer

Zaaknummers: Awb 07/21019

Uitspraak in de geschillen tussen:

[eiser],

geboren op [datum] 1966,

van Afghaanse nationaliteit,

V-nummer: [...]

eiser

gemachtigden: mr. V.L. van Wieringen, advocaat te Groningen en mr A.C. Bosch, advocaat te Rotterdam

en

DE STAATSSECRETARIS VAN JUSTITIE

(Immigratie- en Naturalisatiedienst),

te ’s-Gravenhage,

verweerder,

vertegenwoordigd door mr. R.A. Visser, ambtenaar ten departemente.

1. Ontstaan en loop van het geschil

1.1. Bij besluit van 14 mei 2007, verzonden op 16 mei 2007 heeft verweerder de verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000 ( Vw 2000) van eiser ingetrokken.

1.2. Op 18 mei 2007 heeft eiser hiertegen op nader aan te voeren gronden beroep ingesteld. Op 19 juni 2007 zijn de gronden van beroep ingediend. Daarbij is een aantal bijlagen gevoegd.

1.3. Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken en een verweerschrift aan de rechtbank toegezonden. De griffier heeft de van verweerder ontvangen stukken aan eiser toegezonden en hem in de gelegenheid gesteld om nadere gegevens te verstrekken.

1.4. Bij brief van 7 april 2008 zijn nadere stukken door eiser ingediend. Het betreft een aantal pagina’s van de UNHCR Guidelines voor Afghaanse asielzoekers, een brief van Amnesty International van 16 oktober 2007 en een brief van de Penitentiaire inrichting in Zweden, waar eiser verblijft d.d. 26 maart 2008.

Bij brief van 10 april 2008 heeft eiser de rechtbank bericht dat hij zijn dochter, [kind 1], te [plaats], als getuige wil laten horen ter terechtzitting.

Bij brief van 14 april 2008 heeft mr. A.C. Bosch zich als tweede gemachtigde in deze zaak bij de rechtbank aangemeld. Tevens zijn nadere stukken overgelegd. Het gaat om brieven van eisers dochter, van zijn vrouw en een verklaring van de gevangenis waar eiser verblijft. Door gemachtigde van Wieringen zijn bij brief van 16 april 2008 nog nadere stukken overgelegd. Het betreft een kopie van een “executive summary report Senlis Afghanistan, London, november 2007; voorts een kopie van een Afghaanse brief met vertaling van 17 juli 2007 en een kopie van een gerechtelijke verklaring met vertaling van 23 juli 2007.

1.5. Het beroep is behandeld ter openbare zitting van 18 april 2008. Eiser is verschenen bij zijn beide gemachtigden. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen. [kind 1] is als getuige verschenen en gehoord.

1.6. Bij beslissing van 8 mei 2008 heeft de rechtbank het onderzoek op grond van artikel 8:68 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heropend. Tevens is de verdere behandeling van het beroep verwezen naar een meervoudige kamer van de rechtbank.

1.7. Bij brief van 31 juli 2008 zijn nadere stukken door eiser ingediend.

1.8. Het beroep is wederom behandeld ter openbare zitting van 12 augustus 2008, meervoudige kamer. Eiser is verschenen bij gemachtigde Van Wieringen. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen.

2. Rechtsoverwegingen.

Feiten en standpunten van partijen

2.1. Eiser beschikte sinds 18 juli 2002 over een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd. Hij heeft aan zijn asielaanvraag ten grondslag gelegd dat hij afkomstig is uit Afghanistan en behoort tot de bevolkingsgroep der Tadzjieken. Eiser was in Afghanistan lid van de (toenmalige) communistische partij, de DVPA. Eiser was tot de val van het communistische regiem beroepsmilitair en had de rang van kolonel. In 1991, toen de Mujaheddin aan de macht kwam, heeft hij zijn wapens aan de Mujaheddin gegeven. Eiser was nadien werkzaam in de landbouw. Eiser had van zijn vader grond geërfd. Daarop verbouwde hij graan en cerabjar. Eiser heeft Afghanistan in 1999 verlaten omdat zijn leven, met de machtsovername door de Taliban, gevaar liep. Eiser stond immers bekend als aanhanger van Nadjibullah. Daarom heeft eiser op 18 juli 1999 om toelating als vluchteling in Nederland verzocht. Datzelfde deed eisers echtgenote [echtgenote], mede namens hun kinderen [kind 2], destijds 14 jaar, [kind 1], destijds 12 jaar, [kind 3], destijds 7 jaar en [kind 4], destijds 2 jaar.

2.2. Bij vonnis van 27 juni 2005 is eiser door een Zweedse rechtbank veroordeeld tot 10 jaar onvoorwaardelijke gevangenisstraf wegens smokkel van verdovende middelen onder verzwarende omstandigheden. De rechtbank achtte bewezen dat eiser en zijn echtgenote [echtgenote], tezamen en na onderling overleg, op 24 december 2004 via Helsingborg 3900 gram tabletten met MDMA –een verdovend middel- in Zweden hebben ingevoerd en doorgevoerd naar Finland, en dat zij op 8 februari 2005 1927,32 gram amfetamine en 3906 tabletten MDMA in Zweden hebben ingevoerd. De verzwarende omstandigheden waren er volgens de Zweedse Justitiële autoriteiten in gelegen dat het om grote hoeveelheden verdovende middelen ging. Volgens een brief van 9 maart 2006 van officier van justitie mr. H.H.J. Harmeijer staat in het Nederlands strafrecht bij het betreffende delict een strafbedreiging met maximaal 12 jaar gevangenisstraf. Ware het een Nederlandse zaak geweest, dan zou een eis van drie jaar zeer in de rede hebben gelegen, volgens genoemde officier van justitie in de brief.

2.3. In het voornemen heeft verweerder kenbaar gemaakt eisers verblijfsvergunning met toepassing van het bepaalde in artikel 35, aanhef en onder b, Vw 2000 te willen intrekken. Verweerder heeft deze intrekking doen steunen op meergenoemde veroordeling door de Zweedse rechtbank, waarbij verweerder er van uitgaat dat naar Nederlandse maatstaven gerekend een opgelegde straf van 3 jaar reëel zou zijn geweest. Verweerder heeft op grond van het gevoerde beleid (paragraaf C8/3 Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc 2000) in samenhang met artikel 3.86 van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000) de zogenoemde glijdende schaal toegepast, hetgeen voor eiser betekent dat een opgelegde gevangenisstraf van 24 maanden reeds volstaat om tot intrekking van de verblijfsvergunning over te gaan.

2.4. In de zienswijze heeft eiser aangegeven dat bij de hoogte van de opgelegde straf niet of onvoldoende rekening is gehouden met de persoon van eiser, aangezien uit het Zweedse vonnis niet blijkt dat de Zweedse rechtbank aan de persoonlijke omstandigheden van eiser enige aandacht hebben gegeven. Daarom kan eiser zich ook niet vinden in de stelling van verweerder dat hem in Nederland een straf van drie jaar onvoorwaardelijk zou zijn opgelegd. Eiser ontkent dat er een gevaar voor de openbare orde bestaat. Gewezen is nog op de geringe kans op recidive. Verweerder had bovendien de gevolgen van de intrekking voor eiser en voor zijn gezin moeten betrekken bij zijn oordeelsvorming. Eisers vrouw en kinderen hebben de Nederlandse nationaliteit. Eisers vrouw zit haar straf in een Nederlandse strafinrichting uit. Zij is door de Zweedse autoriteiten in het kader van de Wet overdracht tenuitvoerlegging strafvonnissen (W.O.T.S.) overgedragen. Het is voor eisers kinderen van belang dat zij contact blijven onderhouden met hun vader en dat is niet mogelijk als hij niet naar Nederland kan komen. Ter ondersteuning van dit standpunt heeft eisers gemachtigde een aantal brieven van Jeugdzorg, Pleegzorg en van de huisarts overgelegd, waarin op het belang van het door de kinderen onderhouden van contact met de vader wordt gewezen. Ook zijn verklaringen van eisers dochter en van andere familieleden overgelegd, waarin wordt gepleit voor eisers terugkeer naar Nederland. Voorts is in de zienswijze gesteld dat eiser verdragsvluchteling is en dat ook artikel 3 EVRM zich tegen intrekking van de verblijfsvergunning verzet. Eiser was lid van de DVPA en het leger en veel familieleden zijn inmiddels vermoord. Volgens ambtsberichten van de Minister van Buitenlandse Zaken is er geen reden te veronderstellen dat de Afghaanse regering eiser voldoende zal kunnen beschermen.

2.5. Verweerder heeft eiser naar aanleiding van zijn zienswijze willen horen. Dit bleek om diverse redenen niet te realiseren. In plaats daarvan heeft eisers gemachtigde –met instemming- de gelegenheid gekregen op schriftelijke vragen van verweerder te reageren.

In dat verband is van de kant van eiser, in aanvulling op het voorgaande, nog het volgende aangevoerd. De Zweedse straf is hoog, omdat in Zweden de component “afschrikking” veel gewicht krijgt. De persoon van eiser en de gevolgen van een strafoplegging zijn, blijkens het Zweedse vonnis, niet in de strafrechtelijke beoordeling betrokken. Eisers “family life” betreft uiteraard zijn vrouw en zijn vier kinderen, maar tevens het gezin van eisers vermoorde broer. Door de intrekking van de verblijfsvergunning is het uitoefenen van family life niet meer mogelijk. Een bezoek aan Afganistan voor dit doel is onmogelijk. Eiser wordt gezocht door de Taliban. Tot slot is aangevoerd dat eisers medische situatie te wensen overlaat. Als ex communist wordt eiser door mede gedetineerden bedreigd.

2.6. In het bestreden besluit heeft verweerder in reactie op de zienswijze overwogen dat het standpunt in het voornemen wordt gehandhaafd. Verweerder oordeelt niet over de strafzaak en het is aan eiser om in het kader van artikel 4:84 Awb aan te geven welke bijzondere omstandigheden een afwijking van het beleid rechtvaardigen. De door eiser genoemde omstandigheden horen thuis in de strafrechtelijke procedure. Aangegeven is reeds dat de in Zweden opgelegde straf in Nederland lager zou zijn, namelijk drie jaar onvoorwaardelijk. Eisers strafrechtelijke verleden is voldoende reden voor intrekking van de verblijfsvergunning. Dat eiser na deze veroordeling geen strafbare feiten meer heeft gepleegd is niet van belang. Voorzover eiser een beroep heeft gedaan op bijzondere omstandigheden die zijn gelegen in de sfeer van artikel 8 EVRM, gaat een beoordeling daarvan buiten dit geding om. Ingevolge jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRS), zoals blijkend uit een uitspraak van 10 december 2002 nr 200205827, in de zaak Raba, valt een beroep op artikel 8 EVRM, met uitzondering van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder e en f Vw 2000, buiten de beoordeling van een asielrechtelijk geding. Aanspraken krachtens artikel 8 EVRM dienen in een reguliere procedure te worden beoordeeld, aldus verweerder. Met betrekking tot eisers vrees voor een schending van artikel 3 EVRM heeft verweerder overwogen dat eiser deze vrees niet aannemelijk heeft gemaakt. Hetgeen eiser ten bewijze hiervan in de zienswijze en de nadere stukken naar voren heeft gebracht is daartoe onvoldoende. Verweerder heeft gewezen op het feit dat de Taliban niet meer aan de macht zijn. Ook is gewezen op het ambtsbericht van de Minister van Buitenlandse Zaken van februari 2006 met betrekking tot de positie van ex-communisten. Eiser behoort niet tot de in dit ambtsbericht genoemde risico categorieën. Dat familieleden van eiser zijn vermoord, zoals eiser stelt, maakt op zich zelf niets duidelijk over de vraag door wie zij zijn vermoord en of dit gebeuren consequenties voor eisers veiligheid heeft.

2.7. In beroep heeft eiser in aanvulling op de zienswijze en in reactie op het bestreden besluit nog het volgende naar voren gebracht. Eiser meent dat de toets aan artikel 8 EVRM wel in de onderhavige procedure moet plaatsvinden. Als zijn vergunning niet zou zijn ingetrokken zou eiser in het kader van de W.O.T.S. naar Nederland kunnen worden overgebracht om daar zijn straf uit te zitten. De mogelijkheden tot uitoefening van zijn gezinsleven zijn dan aanmerkelijk groter. Dit klemt temeer daar eisers echtgenote wel op grond van de W.O.T.S. naar Nederland is overgebracht.

Eiser heeft herhaald dat hij verdragsvluchteling is. Hij beroept zich op artikel 33 van het Vluchtelingenverdrag. Eiser vormt geen gevaar voor de openbare orde. Ook behoort hij tot de risicogroepen die in meergenoemd ambtsbericht van de Minister van Buitenlandse Zaken staan. Terugkeer naar Afghanistan betekent voor eiser dan ook een schending van artikel 3 EVRM.

2.8. Verweerder heeft in het verweerschrift zijn standpunt nog nader toegelicht. Aangegeven is dat de brief van de officier van justitie moet worden aangemerkt als een deskundigenbericht. Er bestaan geen concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de juistheid hiervan. Verweerder was dan ook bevoegd eisers verblijfsvergunning in te trekken. In het kader van de door verweerder te maken belangenafweging heeft verweerder het belang van de openbare orde zwaar mogen laten wegen. De door eiser gesteld persoonlijke belangen doen daar niet aan af. Een toets aan artikel 8 EVRM dient niet plaats te vinden in een asielrechtelijke procedure. Eiser kan niet worden gerekend tot een van de risicogroepen in Afghanistan. Hij is dan ook geen verdragsvluchteling. Eiser heeft evenmin aannemelijk gemaakt dat er een reëel risico op schending van artikel 3 EVRM bestaat. De enkele mogelijkheid van een schending is onvoldoende. Verweerder heeft gewezen op het arrest Vilvaraja, EHRM 30 oktober 1991, RV 1991,19.

3. Beoordeling van het beroep

De bevoegdheid tot intrekking

3.1. Op grond van artikel 33, aanhef en onder b, Vw 2000 is verweerder bevoegd om een verleende verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd in te trekken. Op grond van artikel 35, eerste lid, aanhef en onder b, Vw 2000 kan de verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd worden ingetrokken indien de vreemdeling bij onherroepelijk geworden rechterlijk vonnis is veroordeeld wegens een misdrijf waartegen een gevangenisstraf van drie jaren of meer is bedreigd, dan wel hem terzake een maatregel, bedoeld in artikel 37a van het Wetboek van Strafrecht, is opgelegd.

Volgens het door verweerder gevoerde beleid (paragraaf C8/3 Vc 2000) is artikel 3.86, tweede tot en met achtste lid, Vb 2000 van overeenkomstige toepassing. In dat artikel is de zogenoemde glijdende schaal bij intrekking van een verblijfsvergunning opgenomen. Bij de toepassing daarvan wordt, blijkens artikel 3.86, lid 3 Vb 2000, mede betrokken de buiten Nederland gepleegde of bestrafte inbreuk op de openbare orde, voor zover die naar Nederlands recht een misdrijf oplevert waartegen een gevangenisstraf van twee onderscheidenlijk drie jaar of meer is bedreigd en waarbij de strafmaat vergelijkbaar is met de strafmaat die in Nederland zou zijn opgelegd wanneer het feit in Nederland zou zijn gepleegd.

3.2. De rechtbank stelt vast dat sprake is van een door eiser gepleegd misdrijf waar –ook naar Nederlands recht- een strafbedreiging van (meer dan) drie jaar voor geldt, te weten een maximum van 12 jaar, en dat volgens de brief van de officier van justitie van 9 maart 2006 bij een in Nederland gevoerde strafprocedure door het Openbaar Ministerie een onvoorwaardelijke straf van 3 jaar zou zijn gevorderd. De rechtbank merkt het betreffende bericht van de officier van justitie aan als een deskundigenbericht. Nu van de kant van eiser geen concrete aanknopingspunten zijn aangedragen om te twijfelen aan de juistheid van dit deskundigenbericht, mocht verweerder van de juistheid ervan uitgaan.

Weliswaar blijkt uit de overwegingen van het arrest van het Zweedse Hof niet dat voor wat betreft de strafmaat rekening is gehouden met de persoonlijke omstandigheden van eiser, nu daarin uitsluitend is ingegaan op de ernst van het delict, doch dat laat onverlet dat er naar het oordeel van de rechtbank in het licht van meergenoemde brief van de officier van justitie onvoldoende concrete aanknopingspunten zijn aangedragen om er van uit te gaan dat eiser bij een veroordeling in Nederland een lagere straf zou zijn opgelegd dan een gevangenisstraf van 24 maanden, welke duur, gelet op paragraaf C8/3 Vc 2000 juncto artikel 3.86 Vb 2000 voldoende is om tot intrekking over te gaan. De rechtbank is dan ook van oordeel dat verweerder bevoegd was om over te gaan tot intrekking van de verblijfsvergunning.

Artikel 3 EVRM

3.3. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de vrees voor schending van artikel 3 EVRM bij intrekking van eisers vergunning niet aannemelijk is geworden. Het feit dat eiser lid is geweest van de DVPA is onvoldoende om aan te nemen dat hij reeds daarom een reëel risico loopt. Noch uit het ambtsbericht van de Minister van buitenlandse Zaken van 2006, noch uit het door eiser overgelegde stuk van de UNHCR van december 2007 kan worden afgeleid dat eiser met het oog op zijn voormalige functie thans bij terugkeer naar Afghanistan gevaar loopt. Eiser behoorde niet tot de hoogste rangen binnen de DVPA. Eiser valt evenmin onder een van de in het ambtsbericht genoemde risicogroepen. Volgens het ambtsbericht kunnen voormalige DVPA leden mogelijk slachtoffer worden van mensenrechtenschendingen. De rechtbank overweegt echter dat de enkele mogelijkheid van mensenrechtenschendingen onvoldoende is voor een geslaagd beroep op artikel 3 EVRM. Daar komt bij dat uit eisers asielrelaas niet blijkt dat eiser na de val van de Mujaheddin wezenlijke (veiligheids)problemen heeft ondervonden. Eiser heeft in het eerste gehoor verklaard dat hij tot 1991 militair is geweest. Daarna werkte hij tot hij in 1999 het land verliet in de landbouw. Eiser heeft verklaard een behoorlijk landbouwbedrijf te hebben gehad. Hij had veel grond in de provincie Herat en hij had mensen in dienst. Wat er voorts ook zij van de niet nader onderbouwde stelling van eiser dat familieleden zijn vermoord, daarmee is nog niet aannemelijk geworden dat ook eiser gevaar loopt bij terugkeer naar Afghanistan. Eisers beroep op schending van artikel 3 EVRM moet dan ook worden verworpen.

Artikel 8 EVRM

3.4. Door de ABRS is in meerdere uitspraken geoordeeld dat de strikte scheiding tussen asiel en regulier die volgt uit de systematiek van de Vw 2000 ertoe leidt dat de beoordeling van de toepassing van artikel 8 EVRM, behoudens in het kader van een vergunning, als bedoeld in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder e en f, van de Vw 2000 dient plaats te vinden in de procedure omtrent een reguliere vergunning. Er bestaat volgens de ABRS (zoals onder meer is overwogen in de uitspraak van 6 augustus 2004; gepubliceerd op www.rechtspraak.nl LJN: AL6437) geen grond om te oordelen dat bedoelde scheiding ingeval van intrekking van een verblijfsvergunning asiel niet geldt. De in dat geval mogelijk aan artikel 8 EVRM te ontlenen aanspraken nopen daar volgens de ABRS niet toe. Met de mogelijkheid in voorkomende gevallen de betrokken vreemdeling een reguliere verblijfsvergunning te verlenen ter eerbiediging van artikel 8 EVRM, is de bescherming die deze bepaling beoogt te bieden volgens de ABRS voldoende gewaarborgd. De ABRS heeft in zijn uitspraak van 25 juni 2006 (gepubliceerd op www.rechtspraak.nl LJN: AV0952) overwogen dat deze scheiding tussen asiel en regulier ook geldt ingeval van intrekking van een verblijfsvergunning asiel.

De rechtbank is van oordeel dat deze jurisprudentie van de ABRS in dit geval niet kan worden gevolgd en overweegt daartoe het volgende.

In de uitspraak van de ABRS van 30 oktober 2006 (gepubliceerd op www.rechtspraak.nl LJN: AZ1918), is geoordeeld dat bij de vraag of sprake is van inmenging, als bedoeld in artikel 8, tweede lid, van het EVRM niet doorslaggevend is het doel waarvoor een eerdere verblijfstitel is verleend, maar de omstandigheid dat de vreemdeling, voorafgaand aan het bestreden besluit, over een verblijfstitel beschikte, waardoor deze feitelijk in staat was gezinsleven uit te oefenen. Dit oordeel van de ABRS, dat nadien ook in andere uitspraken is neergelegd, vindt zijn grondslag in de jurisprudentie van het Europese Hof van de Rechten van de Mens (EHRM). Er is geen grond voor het oordeel – noch in de jurisprudentie van de ABRS noch in die van het EHRM- dat dit beoordelingskader niet zou gelden voor de intrekking van de asielvergunning. Nu eiser door de verlening van de asielvergunning sinds 18 juli 1999 over een verblijfstitel beschikte, waardoor deze feitelijk in staat was gezinsleven in Nederland uit te oefenen, betekent de intrekking van die vergunning in het bestreden besluit een inmenging op zijn recht op respect voor zijn familie- en gezinsleven als bedoeld in artikel 8, tweede lid, EVRM. Als gevolg hiervan kan eiser, anders dan zijn echtgenote, zijn straf niet in Nederland uitzitten, in welk geval enige vorm van familie- en gezinsleven nog wel mogelijk was geweest.

Of deze inmenging gerechtvaardigd is, zal naar het oordeel van de rechtbank door verweerder moeten worden getoetst op het moment dat de inmenging plaatsvindt en dit oordeel zal door de rechtbank moeten kunnen worden getoetst in een beroep tegen dit besluit. Dit volgt uit artikel 13 EVRM waarin is bepaald dat een ieder wiens rechten en vrijheden die in dit Verdrag zijn vermeld, zijn geschonden, recht heeft op een daadwerkelijk rechtsmiddel voor een nationale instantie, ook indien deze schending is begaan door personen in de uitoefening van hun ambtelijke functie.

Weliswaar kan eiser een aanvraag om een reguliere vergunning indienen, maar alleen als hij vrijstelling zou krijgen van het ingevolge artikel 16, Vw 2000 in samenhang gelezen met artikel 3.71 Vb 2000, vereiste van een geldige machtiging tot voorlopig verblijf, kan zijn recht op respect voor zijn familie- en gezinsleven in de beoordeling van de aanvraag worden betrokken. Bovendien zou de toetsing aan artikel 8 EVRM naar aanleiding van een dergelijke aanvraag een andere zijn dan bij de intrekking van de asielvergunning. Door de intrekking van de vergunning, heeft eiser immers geen verblijfsrecht meer in Nederland. In het geval van een aanvraag om een reguliere vergunning, is er geen sprake meer van inmenging maar van de vraag of artikel 8 EVRM een positieve verplichting met zich brengt eiser toegang tot Nederland te verschaffen en een verblijfsrecht te verlenen. Weliswaar zal in dat kader moeten worden betrokken dat eiser gedurende bijna acht jaar rechtmatig verblijf in Nederland heeft gehad die het hem mogelijk maakte gezinsleven in Nederland uit te oefenen, maar dat neemt niet weg dat de rechtmatigheid van de intrekking van de asielvergunning, waardoor de inmenging van het gezinsleven een feit is geworden, in rechte zou vast staan. De afweging van de in geding zijnde belangen is op dat moment een andere dan op het moment dat de vraag aan de orde is of gebruik mag worden gemaakt van de bevoegdheid tot intrekking van een verblijfsvergunning, waardoor sprake is van een inmenging op het recht op respect van familie- en gezinsleven. Aldus zou de toetsing of de inmenging op het recht op respect van familie- en gezinsleven van eiser gerechtvaardigd is, niet alleen worden uitgesteld naar een later moment, maar ook niet volledig tot zijn recht komen. De rechtbank acht dit in strijd met artikel 8 EVRM in samenhang gelezen met artikel 13 EVRM.

Dat toetsing aan artikel 8 EVRM in voorkomende gevallen dient plaats te vinden in geval van intrekking van een verblijfsvergunning asiel, kan ook worden afgeleid uit de wetsgeschiedenis. De rechtbank verwijst in dit verband naar de Nota n.a.v. het verslag inzake de Algehele herziening van de Vreemdelingenwet (Tweede Kamer 1999-2000, 26 732, nr. 7, p. 26), waar het volgende is overwogen:

&lt;i&gt;“Van de bevoegdheid om de vergunning in te trekken, zal in beginsel altijd gebruik worden gemaakt, tenzij een ieder verbindende bepaling van een verdrag of van een besluit van een volkenrechtelijke organisatie, een wettelijk voorschrift of de algemene beginselen van behoorlijk bestuur zich daartegen verzetten. Zo zal in voorkomende individuele gevallen getoetst worden aan artikel 8 EVRM. Artikel 8 EVRM kan in het geding komen als de verleende vergunning de vreemdeling in staat heeft gesteld om feitelijk een gezinsleven uit te oefenen. De intrekking van de vergunning betekent dan een inmenging in dit gezinsleven. Er zal moeten worden beoordeeld of deze inmenging gerechtvaardigd is. (….) Bij de toepassing van de bevoegdheid om een vergunning in te trekken zal rekening worden gehouden met de omstandigheden van de individuele vreemdeling. Wij kunnen ons voorstellen dat in bijzondere gevallen het belang van de vreemdeling bij voortzetting van verblijf zwaarder weegt dan het belang van de overheid bij verblijfsbeëindiging.”&lt;/i&gt;

De wetsgeschiedenis biedt geen aanknopingspunten dat de hier geciteerde passage uitsluitend betrekking heeft op de intrekking van een verblijfsvergunning regulier en niet op de intrekking van een verblijfsvergunning asiel.

Nu bij het nemen van het bestreden besluit, geen afweging heeft plaatsgevonden of de inmenging op het recht op respect van het familie- en gezinsleven gerechtvaardigd is, ontbreekt aan het bestreden besluit in zoverre een deugdelijke motivering als vereist in artikel 3:46 Awb.

3.5. Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit dient te worden vernietigd.

3.6. Er bestaat aanleiding verweerder te veroordelen in de kosten die de andere partij in verband met de behandeling van het verzoek redelijkerwijs heeft moeten maken. De rechtbank stelt deze kosten met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 966,= , namelijk 3 punten.

4. Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit van 14 mei 2007;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser ten bedrage van € 966,= onder aanwijzing van de Staat der Nederlanden als rechtspersoon die deze kosten aan de griffier dient te voldoen;

Aldus gegeven door mr. S.M. Schothorst, voorzitter, en mrs. D.M. Schuiling en A.S. Venema-Dietvorst, als leden, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. H.W.Wind als griffier op 10 november 2008.

Tegen de uitspraak in de bodemzaak kunnen partijen binnen een week na de datum van verzending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, onder vermelding van “hoger beroep vreemdelingenzaken”, postbus 16113, 2500 BC te ’s-Gravenhage. Ingevolge artikel 85 Vw 2000 dient het beroepschrift, in aanvulling op de vereisten gesteld in artikel 6:5 Algemene wet bestuursrecht, één of meer grieven tegen de uitspraak te bevatten. Artikel 6:6 Awb is niet van toepassing.

Afschrift verzonden op:


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde advocaten

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature