< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak




U dient ingelogd te zijn om favorieten te kunnen toevoegen aan Mijn Jure
U kunt zich hier gratis registreren
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Zittingsplaats:
Vindplaats:

Inhoudsindicatie:

Richtlijn 2003/109 / formeel beperkt verblijfsrecht / verblijfsrecht in afwachting van een vergunningprocedure

Eiseres heeft verzocht om afgifte van een EG-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen als bedoeld in artikel 8 van Richtlijn 2003 /109/EG betreffende de status van langdurig ingezeten onderdanen van derde landen. Zij claimt dat zij aan de voorwaarden daarvoor voldoet, waarbij het hier in het bijzonder gaat om de voorwaarde dat zij de 5 jaar voorafgaand aan haar verzoek onafgebroken rechtmatig verblijf heeft gehad in Nederland. Zij meent derhalve te voldoen aan artikel 4 lid 1 van de Richtlijn.

Eiseres heeft inderdaad (meer dan) 5 jaar rechtmatig verblijf gehad in Nederland in het kader van een aanvraag regulier medisch waarop uiteindelijk onherroepelijk afwijzend is beslist.

Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat sprake is van een formeel beperkt verblijfsrecht als bedoeld in artikel 3, tweede lid, aanhef en onder e, van de Richtlijn en de Richtlijn dus niet op eiseres van toepassing is.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder ten onrechte geconcludeerd dat

Ri 2003/109 op grond van artikel 3, tweede lid, aanhef en onder e, van die richtlijn niet op eiseres van toepassing is omdat zij slechts zou hebben beschikt over een formeel beperkt verblijfsrecht. Daartoe overweegt de rechtbank dat deze bepaling – voor zover thans van belang – blijkens de tekst betrekking heeft op gevallen waarin de verblijfsvergunning formeel beperkt is. Daarvan is in het geval van eiseres geen sprake. Zoals verweerder terecht heeft vastgesteld is van een aan eiseres verleende verblijfsvergunning nimmer sprake geweest. Dat onder het begrip ‘formeel beperkte verblijfsvergunning’ mede zou moeten worden begrepen een verblijfsrecht in afwachting van een vergunningprocedure kan naar het oordeel van de rechtbank uit de tekst van de bepaling niet worden afgeleid en ligt, zoals eiseres niet ten onrechte heeft gesteld, ook niet voor de hand gezien het bepaalde in artikel 3, tweede lid, onder b, c en d, van Ri 2003 /109.

Gepubliceerde uitspraken in deze zaak:

Uitspraak



RECHTBANK ‘s-GRAVENHAGE

Nevenzittingsplaats Zutphen

Sector Bestuursrecht

Enkelvoudige kamer

Reg.nr.: AWB 07/24706

Uitspraak in het geding tussen:

[eiseres] ,

geboren op [datum] 1955,

van Amerikaanse nationaliteit,

V-nummer: [nummer] ,

eiseres,

gemachtigde: mr. C.G.J.M. Lucassen, advocaat te Arnhem,

en

de Staatssecretaris van Justitie,

verweerder,

gemachtigde: mr. J.C. aan ‘t Goor, werkzaam bij de IND.

1. Procesverloop

Bij brief van 8 mei 2006 heeft eiseres verweerder verzocht om afgifte van een EG-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen als bedoeld in artikel 8 van Richtlijn 2003/109/EG van de Raad van 25 november 2003 betreffende de status van langdurig ingezeten onderdanen van derde landen (Publicatieblad van de Europese Unie L 16 van

23 januari 2004; hierna ook: Ri 2003/109).

Bij besluit van 19 maart 2007 heeft verweerder hierop afwijzend beslist. Eiseres heeft daartegen bij brief van 12 april 2007 bezwaar gemaakt. Bij besluit van 15 mei 2007 heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard.

Bij brief van 15 juni 2007 heeft eiseres tegen dit besluit beroep ingesteld bij de rechtbank. Het beroep is behandeld ter zitting van 30 januari 2008, waar eiseres en haar gemachtigde, alsmede de gemachtigde van verweerder zijn verschenen.

2. Motivering

2.1. Ter beoordeling staat of het besluit van 15 mei 2007 de rechterlijke toetsing kan doorstaan.

2.2. De rechtbank gaat bij de beoordeling uit van de volgende feiten. Op 27 juni 2000 heeft eiseres een aanvraag ingediend om verlening van een vergunning tot verblijf onder de beperking ‘medische behandeling’. Bij besluit van 17 januari 2005 heeft verweerder de aanvraag, opgevat als een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd in de zin van artikel 14 van de Vreemdelingenwet 2000 ( vw 2000), afgewezen. Eiseres heeft daartegen bij brief van 11 februari 2005 bezwaar gemaakt. Aan dit bezwaar komt schorsende werking toe. Bij besluit van 21 oktober 2005 heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard. Daartegen heeft eiseres bij brief van 18 november 2005 beroep ingesteld. Bij brief van dezelfde datum is verzocht om een voorlopige voorziening.

Bij uitspraak van 10 april 2006 (Awb 05/51927) heeft deze rechtbank, nevenzittingsplaats Almelo, het beroep ongegrond verklaard. Het verzoek om een voorlopige voorziening is bij uitspraak van diezelfde datum niet-ontvankelijk verklaard (Awb 05/51928). Bij brief van

8 mei 2006 heeft eiseres hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank. Bij uitspraak van 4 september 2006 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State de aangevallen uitspraak bevestigd.

2.3. Blijkens artikel 1 van Ri 2003 /109/EG heeft deze ten doel:

a) de voorwaarden vast te stellen waaronder een lidstaat aan onderdanen van derde landen die legaal op zijn grondgebied verblijven, de status van langdurig ingezetene kan toekennen, of deze status kan intrekken, en te bepalen welke rechten aan deze status verbonden zijn, en

b) de voorwaarden vast te stellen waaronder onderdanen van derde landen aan wie door een lidstaat de status van langdurig ingezetene is toegekend, in andere lidstaten mogen verblijven.

Artikel 3 van Ri 2003 /109 (werkingssfeer) luidt:

1. Deze richtlijn is van toepassing op onderdanen van derde landen die legaal op het grondgebied van een lidstaat verblijven.

2. Deze richtlijn is niet van toepassing op onderdanen van derde landen die:

a) in een lidstaat verblijven voor een studie of een beroepsopleiding;

b) toestemming hebben in een lidstaat te verblijven uit hoofde van een tijdelijke bescherming of op diezelfde grond toestemming om aldaar te verblijven hebben aangevraagd en een beslissing over hun status afwachten;

c) toestemming hebben in een lidstaat te verblijven uit hoofde van subsidiaire vormen van bescherming, nationale wetgevingen of de praktijk van lidstaten, of die op diezelfde grond toestemming om aldaar te verblijven hebben aangevraagd en een beslissing over hun status afwachten;

d) vluchteling zijn of een verzoek om erkenning als vluchteling hebben ingediend waarover nog geen definitieve beslissing is gegeven;

e) in een lidstaat verblijven uitsluitend om redenen van tijdelijke aard, bijvoorbeeld als au pair of seizoensarbeider, of als gedetacheerd werknemer van een dienstverlener in het kader van grensoverschrijdende dienstverlening, of als verlener van grensoverschrijdende diensten, of in gevallen waarin hun verblijfsvergunning formeel beperkt is;

f) een juridische status hebben die valt onder de bepalingen van het Verdrag van Wenen inzake diplomatiek verkeer van 1961, het Verdrag van Wenen inzake consulaire betrekkingen van 1963, het Verdrag van New York inzake speciale missies van 1969, of het Verdrag van Wenen inzake de vertegenwoordigers van staten in hun betrekkingen met internationale organisaties met een universeel karakter van 1975.

3. […]

Artikel 4 van Ri 2003 /109 (verblijfsduur) luidt:

1. De lidstaten kennen de status van langdurig ingezetene toe aan onderdanen van derde landen die legaal en ononderbroken sedert de vijf jaar onmiddellijk voorafgaand aan de indiening van het desbetreffende verzoek op hun grondgebied verblijven.

2. Perioden van verblijf voor de in artikel 3, lid 2, onder e ) en f), vermelde redenen worden niet in aanmerking genomen bij de berekening van de duur van het in lid 1 bedoelde verblijf.

Artikel 8 van Ri 2003 /109 (EG-vergunning voor langdurig ingezetenen) luidt, voor zover thans van belang:

1. […]

2. De lidstaten verstrekken aan langdurig ingezetenen een EG-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen. […]

3. […]”

2.4. Artikel 21, eerste lid, van de Vw 2000 luidt:

Ter uitvoering van artikel 8, tweede lid, van de richtlijn nr. 2003 /109/EG van de Raad van de Europese Unie van 25 november 2003 betreffende de status van langdurig ingezeten onderdanen van derde landen (PbEU 2004, L16) kan de aanvraag tot het verlenen of wijzigen van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd als bedoeld in artikel 20 slechts worden afgewezen, indien de vreemdeling:

a. niet gedurende vijf jaren ononderbroken en direct voorafgaande aan de aanvraag rechtmatig verblijf heeft gehad als bedoeld in artikel 8;

b. in de periode, bedoeld onder a, verblijfsrecht van tijdelijke aard heeft gehad, dan wel een formeel beperkt verblijfsrecht of een verblijfsrecht als werknemer van een dienstverlener in het kader van grensoverschrijdende diensten of als verlener van grensoverschrijdende diensten heeft gehad;

[…]

In paragraaf B1/7.1.2 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc 2000) is – voor zover thans van belang – het volgende bepaald:

[…] Van een formeel beperkt verblijfsrecht is bijvoorbeeld sprake indien de vreemdeling in afwachting is van een beslissing op een aanvraag om verlening, wijziging of verlenging van een verblijfsvergunning. Van een formeel beperkt verblijfsrecht is bijvoorbeeld ook sprake hangende bezwaar of beroep tegen de weigering een verblijfsvergunning te verlenen, verlenging of wijzigen, alsmede hangende bezwaar of beroep, gericht tegen een intrekking van een verblijfsvergunning. […]

Indien het verblijfsrecht formeel beperkt is, of is geweest in de periode van vijf jaar, wordt de aanvraag afgewezen. Omdat het hier gaat om een uitwerking van artikel 3 Richtlijn 2003 /109 over het toepassingsbereik hiervan, verzet het vertrouwen dat de lidstaten onderling moeten hebben in elkaars beslissingen met betrekking tot de uitvoering van deze richtlijn, zich er tegen dat de vergunning wordt verleend aan personen die niet vallen binnen het toepassingsbereik van deze richtlijn.

Gelet hierop is er in het kader van de inherente afwijkingsbevoegdheid geen ruimte om de status van langdurig ingezetene toe te kennen.

2.5. Verweerder heeft zich, voor zover van belang, op het standpunt gesteld dat eiseres niet voor de gevraagde verblijfsvergunning in aanmerking komt, omdat zij nimmer in het bezit is geweest van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd. Zij heeft enkel rechtmatig verblijf genoten als bedoeld in artikel 8, onder f, g en h van de Vw 2000 , hetgeen wordt aangemerkt als een formeel beperkt verblijfsrecht. Van een formeel beperkt verblijfsrecht is immers redelijkerwijs sprake indien de vreemdeling in afwachting is van een beslissing op een aanvraag om verlening, wijziging of verlenging van een verblijfsvergunning, aldus verweerder. Hij heeft daarbij gewezen op paragraaf B1/7.1.2 van de Vc 2000. Eiseres valt daarom onder artikel 3, tweede lid, aanhef en onder e, van Ri 2003 /109, zodat deze richtlijn niet op haar van toepassing is.

2.6. Eiseres heeft het voorgaande bestreden. Zij heeft aangevoerd dat in artikel 4 van Ri 2003 /109 is vermeld dat de Lidstaten een verblijfsrecht voor langdurig ingezetenen toekennen bij een legaal verblijf van vijf jaar. Er staat niet vermeld wat legaal verblijf precies betekent. Dit betekent volgens eiseres dat niet uitgesloten is dat derdelanders in afwachting van hun procedure vallen onder het begrip ‘legaal verblijf’ in de zin van artikel 4 van Ri 2003 /109. Gelet op het feit dat in artikel 3, tweede lid, van Ri 2003 /109 bepaalde categorieën vreemdelingen die in afwachting zijn van een bepaalde aanvraag wel zijn uitgesloten, kan naar de mening van eiseres niet worden geconcludeerd dat vreemdelingen die in afwachting zijn van een andere aanvraag dan die genoemd onder b, c en d van die bepaling, geen legaal verblijf hebben in de zin van artikel 4 Ri 2003 /109. Dat volgens paragraaf B1/7.1.2 van de Vc 2000 sprake is van een formeel beperkt verblijfsrecht maakt dit niet anders, omdat dat ziet op uitleg van nationale regelgeving en het hier gaat om uitleg van Europese regelgeving.

2.7. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder ten onrechte geconcludeerd dat Ri 2003/109 op grond van artikel 3, tweede lid, aanhef en onder e, van die richtlijn niet op eiseres van toepassing is omdat zij slechts zou hebben beschikt over een formeel beperkt verblijfsrecht. Daartoe overweegt de rechtbank dat deze bepaling – voor zover thans van belang – blijkens de tekst betrekking heeft op gevallen waarin de verblijfsvergunning formeel beperkt is. Daarvan is in het geval van eiseres geen sprake. Zoals verweerder terecht heeft vastgesteld is van een aan eiseres verleende verblijfsvergunning nimmer sprake geweest. Dat onder het begrip ‘formeel beperkte verblijfsvergunning’ mede zou moeten worden begrepen een verblijfsrecht in afwachting van een vergunningprocedure kan naar het oordeel van de rechtbank uit de tekst van de bepaling niet worden afgeleid en ligt, zoals eiseres niet ten onrechte heeft gesteld, ook niet voor de hand gezien het bepaalde in artikel 3, tweede lid, onder b, c en d, van Ri 2003 /109.

Verweerder heeft derhalve op onjuiste gronden afwijzend beslist op het verzoek van eiseres. Artikel 21, eerste lid, onder b, van de Vw 2000 noch paragraaf B1 /7.1.2 van de Vc 2000 kan leiden tot een andere conclusie, omdat zij niet af kunnen doen aan de hier relevante bepalingen van Ri 2003/109.

2.8. Het bestreden besluit komt op grond van het voorgaande voor vernietiging in aanmerking. Het beroep is gegrond.

2.9. Er is aanleiding verweerder te veroordelen in de kosten die eiseres in verband met de behandeling van haar beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Met toepassing van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht worden deze kosten vastgesteld op € 644,-- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, wegingsfactor 1).

3. Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit van 15 mei 2007;

- draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 644,-- ter zake van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, te betalen door de Staat der Nederlanden aan eiseres

- bepaalt dat de Staat der Nederlanden aan eiser het betaalde griffierecht van € 143,-- vergoedt.

Aldus gegeven door mr. L.J.P. Lambooij en in het openbaar uitgesproken op 23 juli 2008 in tegenwoordigheid van drs. P.F. Lammers als griffier.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, onder vermelding van “Hoger beroep vreemdelingenzaken”, postbus 16113, 2500 BC Den Haag.

Afschrift verzonden op:


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde advocaten

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature