E-mail deze uitspraak

Uitspraak waar naar gelinkt wordt vanuit de e-mail die gestuurd zal worden:

ECLI:NL:RBSGR:2008:BF6990
LJN BF6990, Rechtbank 's-Gravenhage, AWB 07/38508

Inhoudsindicatie:

Speciale buitenschuldbeleid voor alleenstaande minderjarige vreemdelingen / motiveringsgebrek en schending van zorgvuldigheidsbeginsel

Om in aanmerking te komen voor een verblijfsvergunning op grond van het speciale buiten schuldbeleid voor amv-ers dient voldaan te worden aan de volgende voorwaarden:

- de vreemdeling, na een in rechte onaantastbaar geworden beslissing op zijn laatste verblijfsprocedure omtrent verblijf als alleenstaande minderjarige vreemdeling, drie jaar of langer aaneengesloten en verwijderbaar in Nederland heeft verbleven;

- zijn vertrek uit Nederland in die periode van drie jaar of langer niet is bewerkstelligd;

- de vreemdeling, na het verlopen van die periode van drie jaar, de leeftijd van achttien jaar nog niet heeft bereikt; en

- de vreemdeling voldoende heeft meegewerkt aan het onderzoek dat ter fine van zijn terugkeer is verricht naar adequate opvang in zijn land van herkomst of derde land.

Van de alleenstaande minderjarige vreemdeling wordt verwacht dat hij voldoende heeft gewerkt aan de vaststelling van zijn identiteit en nationaliteit in het kader van de aanvraag van een vervangend reisdocument.

Niet in geschil is dat eiser voldoet aan de eerste vier voorwaarden. Wel is in geschil of verweerder de aanvraag heeft kunnen afwijzen op de enkele grond dat de herkomst en identiteit van eiser niet geloofwaardig zijn. Voorts is in geschil of eiser voldoende heeft gewerkt aan de vaststelling van zijn identiteit en nationaliteit in het kader van de aanvraag van een vervangend reisdocument.

De rechtbank overweegt allereerst dat verweerder ten onrechte heeft getoetst aan de voorwaarden in het kader van het “reguliere” buitenschuldbeleid. Voorts is de rechtbank van oordeel dat uit het speciale buitenschuldbeleid voor amv-ers volgt dat van de vreemdeling verwacht wordt dat hij voldoende meewerkt aan de vaststelling van zijn identiteit in de periode van drie jaar na de in rechte ontastbare beslissing over zijn verblijf als alleenstaande minderjarige vreemdeling. Dat eiser buiten deze periode niet zou meewerken aan de vaststelling van zijn identiteit – wat daar ook van zij – doet in zoverre niet ter zake.

Met inachtneming van de ratio van dit buitenschuldbeleid, zoals deze blijkt uit de toelichting bij het WBV 2007/2, alsmede gelet op de brief van 3 juli 2007 van de Staatssecretaris van Justitie, is de rechtbank van oordeel dat van verweerder een actievere opstelling mag worden verwacht bij de begeleiding van een amv-er om terugkeer te bewerkstellingen. De vraag of het aan de schuld van de minderjarige vreemdeling is te wijten dat terugkeer nog niet is gerealiseerd dient dan ook in deze context te worden bezien. Uit de dossierstukken is niet gebleken dat eiser de door verweerder verrichte terugkeerinspanningen – die voor zover de rechtbank kan overzien niet verder gaan dan de aanvraag van een laissez-passer – heeft gefrustreerd. De rechtbank is van oordeel dat verweerder niet zonder nadere motivering en zonder nader onderzoek tot het oordeel heeft kunnen komen dat eiser op geen enkele wijze heeft meegewerkt aan de vaststelling van zijn identiteit en nationaliteit.

Van


Aan


Opmerkingen (optioneel)


E-mail

Terug

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie