< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:

Inhoudsindicatie:

Verdachte heeft toen hij met zijn voertuig op de openbare weg reed en naar links afsloeg, een hem tegemoetkomende bestuurder van een bromfiets niet voor laten gaan. Ten gevolge van de daarop volgende botsing is de bestuurder van de bromfiets, het 21-jarige slachtoffer overleden. Naar het oordeel van de rechtbank kan op grond van de bewijsmiddelen niet gezegd worden dat sprake is geweest van een onvoorzichtigheid en onoplettendheid van verdachte van zodanig ernst en omvang dat sprake is van schuld. Verdachte wordt daarom vrijgesproken van het primair telastgelegde. Geldboete van € 500; ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 9 maanden; proeftijd van 2 jaar.

Uitspraak



RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

SECTOR STRAFRECHT

MEERVOUDIGE KAMER

(VERKORT VONNIS)

parketnummer 09/613243-07

's-Gravenhage, 24 september 2008

De rechtbank 's-Gravenhage, rechtdoende in strafzaken, heeft het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [plaats] op [datum] 1942,

adres: [adres].

De terechtzitting.

Het onderzoek is gehouden ter terechtzitting van 10 september 2008.

De verdachte, bijgestaan door zijn raadsman mr. P.J.L.J. Duijsens, advocaat te 's Gravenhage, is ter terechtzitting verschenen en gehoord.

De officier van justitie mr. J.A. Buitenhuis heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het hem bij gewijzigde dagvaarding primair ten laste gelegde wordt vrijgesproken en dat verdachte ter zake van het hem bij dagvaarding subsidiair ten laste gelegde wordt veroordeeld tot een geldboete van € 500,-, subsidiair 10 dagen hechtenis alsmede een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 9 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

De tenlastelegging.

Aan de verdachte is ten laste gelegd - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting - hetgeen is vermeld in de ingevoegde fotokopie van de dagvaarding, gemerkt A, en van de vordering wijziging tenlastelegging, gemerkt A1.

Vrijspraak.

Omtrent de toedracht van het ongeval is op grond van het procesdossier en het onderzoek ter terechtzitting het volgende komen vast te staan.

Op 28 november 2006 's morgens omstreeks 09.00 uur reed verdachte in zijn personenauto op de [a-weg] te [plaats ]. De weg leidt in zuidzuidoostelijke richting. De zon stond laag aan de hemel. Verdachte heeft verklaard dat de zon voor hem laag achter de bomen stond die aan de linkerzijde van de [a-weg] staan. Gekomen ter hoogte van de inrit naar het perceel waar het bedrijf van verdachte gevestigd is, is verdachte met zijn auto linksaf geslagen. Verdachte meende dit veilig te kunnen doen en heeft niet waargenomen dat op dat moment een bromfiets hem tegemoet kwam rijden. Als gevolg hiervan zijn de bromfietser en de auto van verdachte met elkaar in botsing gekomen. De bromfietser, [slachtoffer], is door dit ongeval om het leven gekomen.

Bij de beoordeling van het verwijt dat dit dodelijk verkeersongeval aan de schuld van verdachte te wijten is in de zin van artikel 6 Wegenverkeerswet 1994 , moet het volgende worden vooropgesteld. Blijkens de wetsgeschiedenis en rechtspraak is van schuld in de zin van dit artikel niet reeds sprake bij iedere verkeersfout of iedere, ook de lichtste, vorm van onachtzaamheid. Het moet gaan om een minstens aanmerkelijke onvoorzichtigheid die verdachte moet kunnen worden verweten. Voorts moet worden vooropgesteld dat niet reeds uit de ernst van de gevolgen van de verkeersfout de schuld in de zin van dit artikel kan worden afgeleid.

Vaststaat dat de bromfiets voorrang had op de auto van verdachte en dat deze voorrang door verdachte niet is verleend. Uit de verklaring van verdachte dat hij de bromfietser niet heeft zien aankomen en ook uit de lage snelheid waarmee verdachte reed, toen hij de auto naar de inrit stuurde, blijkt dat verdachte zich in het geheel niet bewust is geweest van dreigend gevaar. Op de vraag hoe het mogelijk is geweest dat verdachte niet heeft waargenomen dat hem een bromfietser tegemoet kwam rijden, heeft verdachte verklaard dat hij meent dat in het lage zonlicht dat door de bomen op de weg scheen, de bromfiets onvoldoende opviel en de nadering ervan hem daarom is ontgaan.

Gebleken is dat in de auto geen uitzichtbelemmerende voorwerpen aanwezig zijn geweest. Niet is gebleken dat verdachte zich door andere zaken heeft laten afleiden. Verdachte heeft verklaard dat hij geen gebruik heeft gemaakt van de zonneklep, maar niet is vast komen te staan dat deze omstandigheid aan het ongeval bijgedragen aangezien niet is gebleken dat verdachte werd verblind door de zon. Dat verdachte, zoals hem blijkens de tenlastlegging ook wordt verweten, bij het afslaan de bocht enigszins zou hebben afgesneden is, als dat al zou moeten worden aangenomen, zonder betekenis voor het ongeval.

Verdachte heeft een verkeersfout gemaakt, met ernstige en dramatische gevolgen. Naar het oordeel van de rechtbank kan op grond van de bewijsmiddelen evenwel niet gezegd worden dat sprake is geweest van een onvoorzichtigheid en onoplettendheid van verdachte van zodanig ernst en omvang dat sprake is van schuld in de zin van gemeld wetsartikel.

De rechtbank acht mitsdien op grond van het onderzoek ter terechtzitting niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte bij dagvaarding primair is telastgelegd en zal verdachte daarom vrijspreken van het primair telastgelegde.

De bewijsmiddelen.

De rechtbank grondt haar overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het vonnis vereist met de bewijsmiddelen, dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit vonnis zal worden gehecht.

De bewezenverklaring.

Door de voormelde inhoud van vorenstaande bewijsmiddelen - elk daarvan, ook in zijn onderdelen, gebruikt voor het bewijs van datgene waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft - staan de daarin genoemde feiten en omstandigheden vast. Op grond daarvan acht de rechtbank wettig bewezen en is zij tot de overtuiging gekomen dat de verdachte het op de dagvaarding subsidiair ten laste gelegde feit heeft begaan, met dien verstande, dat de rechtbank bewezen acht - en als hier ingelast beschouwt, zulks met verbetering van eventueel in de tenlastelegging voorkomende type- en taalfouten, zoals weergegeven in de bewezenverklaring, door welke verbetering de verdachte niet in de verdediging is geschaad - de inhoud van de tenlastelegging, zoals deze is vermeld in de fotokopie daarvan, gemerkt B.

De rechtbank overweegt hierbij in het bijzonder het volgende.

Verdachte heeft, rijdende als bestuurder van een personenauto op de [a-weg] te [plaats ], bij het afslaan naar een inrit, een hem tegemoetrijdende bromfietser geen voorrang verleend. Op het moment van afslaan stond de zon laag aan de horizon en scheen door de bomen aan de zijde van de weg over het wegdek in de richting van verdachte. Verdachte heeft de bromfietser niet waargenomen. Door niet in acht te nemen dat het onder deze omstandigheden niet ondenkbaar is dat een tegemoetkomend voertuig slecht zichtbaar is en niettemin een bijzondere manoeuvre in te zetten, heeft verdachte de veiligheid op de weg in gevaar gebracht, als gevolg waarvan een botsing is gevolgd waardoor [slachtoffer] om het leven is gekomen.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde en van de verdachte.

Het bewezenverklaarde is volgens de wet strafbaar.

De verdachte is deswege strafbaar, nu geen strafuitsluitingsgronden aannemelijk zijn geworden.

Strafmotivering.

Na te melden straffen zijn in overeenstemming met de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Voorts wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft op 28 november 2006, toen hij met zijn voertuig op de openbare weg reed en naar links afsloeg, een hem tegemoetkomende bestuurder van een bromfiets niet voor laten gaan Ten gevolge van de daarop volgende botsing is de bestuurder van de bromfiets, de destijds 21-jarige [slachtoffer] overleden. Het ongeval heeft plaatsgevonden doordat verdachte ter plaatse de veiligheid op de weg in gevaar heeft gebracht.

Verdachte is, blijkens een hem betreffend Uittreksel Justitiële Documentatie, d.d. 18 augustus 2008, niet eerder in aanraking geweest met politie en justitie terzake verkeersovertredingen. De rechtbank neemt voorts in aanmerking dat het verkeersongeval de verdachte diep heeft aangegrepen en dat hij de nabestaanden van het slachtoffer zijn medeleven heeft betuigd. Tijdens het onderzoek ter terechtzitting is naar voren gekomen dat verdachte, die het slachtoffer kende, dagelijks meerdere malen langs de plaats van het ongeval rijdt en aan het ongeval herinnerd wordt. Ook deze omstandigheid heeft de rechtbank bij de strafoplegging betrokken.

De rechtbank acht de door de officier van justitie gevorderde straffen in de omstandigheden van het geval passend en geboden en zij zal dan ook de eis van de officier van justitie in de strafoplegging volgen.

De toepasselijke wetsartikelen.

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen:

- 14a, 14b, 14c, 23, 24 en 24c van het Wetboek van Strafrecht;

- 5, 177 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

Beslissing.

De rechtbank,

verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het bij dagvaarding primair ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het bij dagvaarding subsidiair ten laste gelegde feit heeft begaan en dat het bewezenverklaarde uitmaakt:

overtreding van artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994 ;

verklaart het bewezenverklaarde en de verdachte deswege strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

veroordeelt de verdachte tot:

betaling van een geldboete van € 500,-;

bepaalt dat de boete bij gebreke van betaling en verhaal zal worden vervangen door hechtenis voor de tijd van 10 dagen;

veroordeelt verdachte te dier zake voorts tot:

ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 9 maanden;

bepaalt dat die straf niet zal worden tenuitvoergelegd, zulks onder de algemene voorwaarde, dat de veroordeelde zich voor het einde van de hierbij op 2 jaar vastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.

Dit vonnis is gewezen door

mrs. P.A.M. Hoek, voorzitter,

M.E. Honée en P.C. Krekel, rechters,

in tegenwoordigheid van W.G. Terwel, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 24 september 2008.

mr. P.C. Krekel is buiten staat dit vonnis te ondertekenen.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde advocaten

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature