E-mail deze uitspraak

Uitspraak waar naar gelinkt wordt vanuit de e-mail die gestuurd zal worden:

ECLI:NL:RBSGR:2008:BD4478
LJN BD4478, Rechtbank 's-Gravenhage, AWB 07/42527

Inhoudsindicatie:

Duurzaam onmogelijke uitzetting / artikel 1 F Vluchtingenverdrag

Bij uitspraak van deze rechtbank van 5 december 2002 is in rechte vast komen te staan dat verweerder terecht artikel 1(F), aanhef en onder a, van het Vluchtelingenverdrag aan eiser heeft tegengeworpen.

Eiser verkeert thans in de situatie dat hem geen verblijfstitel wordt verleend, maar dat hij evenmin wordt uitgezet. Volgens de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) van 18 juli 2007 (LJN: BB1057) brengt de onderlinge verhouding tussen artikel 45 en artikel 29, eerste lid, van de Vw 2000 mee, dat zo enigszins mogelijk , wordt voorkomen dat de vreemdeling in die situatie geraakt. In dit verband moet het besluit er blijk van geven dat door de staatssecretaris is beoordeeld of de vreemdeling aannemelijk heeft gemaakt dat artikel 3 van het EVRM zich duurzaam verzet tegen zijn uitzetting naar het land van herkomst. Indien dit het geval is, de vreemdeling voorts aannemelijk heeft gemaakt dat hij nog altijd niet kan worden uitgezet, dat vertrek naar een ander land dan het land van herkomst ondanks voldoende inspanningen om te voldoen aan zijn vertrekplicht niet mogelijk is en de vreemdeling zich daarnaast in Nederland in een uitzonderlijke situatie bevindt, is er voor de staatssecretaris aanleiding om te beoordelen of het blijvend onthouden van een verblijfsvergunning disproportioneel is.

Gelet op het vorenstaande is voor de vraag of artikel 3 van het EVRM zich duurzaam tegen uitzetting verzet van belang de datum van het besluit van verweerder waarin wordt vastgesteld dat de vreemdeling een risico als bedoeld in artikel 3 van het EVRM loopt. Bij besluit van 8 september 2003 heeft verweerder dit ten aanzien van eiser vastgesteld. Dit standpunt heeft verweerder nadien niet kenbaar verlaten. De stelling van verweerder dat eerst in het bestreden besluit is komen vast te staan dat eiser een reëel risico van schending van artikel 3 van het EVRM loopt, volgt de rechtbank derhalve niet. Dat het besluit van 8 september 2003 door verweerder is ingetrokken doet hieraan niet af.

Nu ruim vier jaar vóór het bestreden besluit vast is komen te staan dat eiser bij terugkeer naar Afghanistan een reëel risico zou lopen te worden onderworpen aan een door artikel 3 van het EVRM verboden behandeling, heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank in het bestreden besluit onvoldoende draagkrachtig gemotiveerd waarom artikel 3 van het EVRM zich niet duurzaam verzet tegen terugkeer van eiser naar het land van herkomst.

Derhalve is het beroep gegrond wegens schending van het motiveringsvereiste.

Van


Aan


Opmerkingen (optioneel)


E-mail

Terug

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie