E-mail deze uitspraak

Uitspraak waar naar gelinkt wordt vanuit de e-mail die gestuurd zal worden:

ECLI:NL:RBSGR:2007:BC0633
LJN BC0633, Rechtbank 's-Gravenhage, AWB 07/41997, 07/41996

Inhoudsindicatie:

AC-procedure / definitie proces-uren / afsprakensysteem / geloofwaardigheid asielrelaas / valse identiteit

1. Asielaanvraagformulier per fax ingediend op 5 oktober 2007. Daarmee is de aanvraag gedaan. Uit de definitie van proces-uren in artikel 1.1 van het VB 2000 wordt afgeleid dat onder procesuren niet alle uren vallen die liggen tussen de formele indiening van de aanvraag en de bekendmaking van het besluit, maar alleen de uren die voor onderzoek naar de aanvraag beschikbaar zijn in het AC. De VC 2000 voorziet daartoe in een afsprakensysteem en bepaalt dat de 48-uurstermijn in het kader van de AC procedure pas begint vanaf het onderzoek naar de inwilligbaarheid van de aanvraag in het AC op het daarvoor afgesproken tijdstip. Dat afsprakensysteem is niet in strijd met hogere regelgeving.

2. Beoordeling van het asielrelaas na gebruikmaking van een valse identiteit.

De afwijzing is niet alleen gebaseerd op de in art 31, lid 2, onder c en f, van de Vw 2000 genoemde omstandigheden. Bij de beoordeling van de geloofwaardigheid van het concrete asielrelaas heeft verweerder ook betrokken dat verzoeker zich heeft bediend van een valse identiteit en dat de vaststelling van zijn identiteit nodig is om zijn asielrelaas geloofwaardig te kunnen achten. Verweerder is dus op enigerlei wijze gekomen tot een beoordeling van het concrete en gedetailleerde asielrelaas van verzoeker. Het zich bediend hebben van een valse identiteit en het niet kunnen aantonen van de identiteit waarop het asielrelaas is gebaseerd, heeft verweerder toereikend kunnen achten voor het oordeel dat het relaas ongeloofwaardig is. Anders gezegd: voldoende kunnen achten voor het oordeel dat het relaas positieve overtuigingskracht mist. Tot een verder onderzoek naar hiaten, vaagheden, ongerijmde wendingen en tegenstrijdigheden op het niveau van de relevante bijzonderheden in het relaas is verweerder in zo'n geval niet gehouden.

3. Uit de beleidsregel van C2/5.4 van de Vc 2000 volgt dat verweerder een vergunning op de d-grond heeft kunnen weigeren, nu de identiteit van verzoeker niet buiten twijfel is.

Van


Aan


Opmerkingen (optioneel)


E-mail

Terug

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie