< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak




U dient ingelogd te zijn om favorieten te kunnen toevoegen aan Mijn Jure
U kunt zich hier gratis registreren
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Vindplaatsen:

Inhoudsindicatie:

Huurster (geboren in 1927) raakt ernstig gewond door val van balkon van het gehuurde als gevolg van een gebrek aan het balkonhek. Aansprakelijkheid verhuurder voor geleden materiële en immateriële schade.

Uitspraak



RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector kanton - locatie Den Haag

Rolnr. 686202/07-17444

8 november 2007

Vonnis in de zaak van:

[eiser],

wonende te [woonplaats],

eisende partij,

gemachtigde: mr. F.C. Staehle,

rolgemachtigde: dw. E. van Mastrigt,

tegen

[gedaagde],

wonende te [woonplaats],

gedaagde partij,

in persoon verschenen.

Partijen worden aangeduid als [eiser] en [gedaagde].

Procedure:

De kantonrechter heeft kennis genomen van:

- de dagvaarding van 25 juli 2007 met producties;

- het schriftelijk verweer met producties;

- proces-verbaal van inlichtingen d.d. 11 oktober 2007.

1. De feiten

Tussen partijen staat als enerzijds gesteld en anderzijds erkend dan wel niet of niet voldoende gemotiveerd weersproken, mede op grond van de in zoverre niet betwiste inhoud van de overgelegde producties, voor zover in deze van belang, het navolgende vast.

a. [eiser], geboren op [datum] 1927, huurt sinds 1969 van [gedaagde] de woning aan de [adres].

b. Op 2 augustus 2005 heeft een ongeval plaatsgevonden op het balkon van het gehuurde op de eerste verdieping aan de voorzijde van de woning - waar [eiser] zich op dat moment bevond - toen de houten balustrade van het balkon afbrak en [eiser] enige meters naar beneden viel.

c. Na het ongeval is [eiser] in het ziekenhuis opgenomen, alwaar is vastgesteld dat [eiser] tengevolge van het ongeval vijf ribben en drie rugwervels heeft gebroken, terwijl [eiser] tevens een zware hersenschudding en een klaplong had opgelopen.

d. [eiser] heeft als gevolg van haar letsel enige maanden in diverse verpleeginstellingen moeten verblijven.

e. Bij brief d.d. 22 december 2005 heeft de gemachtigde van [eiser] [gedaagde] gesommeerd tot vergoeding van de door [eiser] als gevolg van het ongeval geleden schade, te betalen binnen veertien dagen.

2 De vordering

[eiser] vordert dat bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad [gedaagde] zal worden veroordeeld om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [eiser] te betalen een bedrag ad € 34.000,00 aan immateriële schade, alsmede een bedrag ad € 1.119,52 aan materiële schade, beide bedragen te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 5 januari 2006 tot aan de dag der voldoening, alsmede een bedrag wegens buitengerechtelijke incassokosten ad € 1.542,85, met veroordeling van [gedaagde] in de kosten van de procedure.

[eiser] legt aan haar vordering voormelde vaststaande feiten ten grondslag alsmede de navolgende - kort samengevatte en zakelijk weergegeven -stellingen.

Het ongeval kon plaatsvinden door een gebrek aan het gehuurde, waarvoor [gedaagde] als verhuurder aansprakelijk is krachtens artikel 7:208 BW . Het gebrek bestond daaruit dat de balustrade vermolmd bleek te zijn. Subsidiair is [gedaagde] aansprakelijk krachtens artikel 6:174 BW .

[eiser] heeft blijvend fysieke beperkingen overgehouden aan het ongeval en lijdt bovendien doorlopend pijnen waarvoor zij dagelijks meerdere pijnstillers moet slikken. De door het ongeval ontstane fysieke beperkingen noodzaken [eiser] tot verhuizing naar een aangepaste woning. De immateriële schade is te stellen op een bedrag ad € 34.000,00 (zie Smartengeldgids 2006, nr. 576), terwijl de materiële schade van [eiser] een bedrag ad € 1.119,52 (eigen bijdrage verpleeghuis, taxikosten, ziekenvervoer fysiotherapie) beloopt, welke schaden [eiser] vergoed wenst te zien. De weigering van [gedaagde] tot vergoeding van de schade heeft [eiser] genoopt tot het maken van buitengerechtelijke kosten. [gedaagde] is tevens de wettelijke rente verschuldigd.

3 Het verweer

[gedaagde] voert verweer en stelt daartoe - voorzover van belang en kort samengevat - het navolgende.

[gedaagde] heeft altijd het gehuurde naar behoren onderhouden. Hij was niet op de hoogte van enig gebrek aan de balustrade, zodat hem dat niet valt aan te rekenen. Indien iemand uitglijdt op een balkon, kan ook een deugdelijk balkonhekje het begeven. [eiser] had als huurster zelf [gedaagde] dienen te wijzen op het gebrek, zodat sprake is van eigen schuld als bedoeld in artikel 6:101 BW .

4 De beoordeling

De stelling van [eiser] dat het balkonhek vermolmd bleek te zijn, is door [gedaagde] niet (genoegzaam) gemotiveerd bestreden. Ter comparitie heeft [eiser] bovendien foto's getoond die werden genomen na het ongeval, op welke foto's het hout van het uiteinde van het dekstuk van de balustrade een - op zijn minst - vermolmde indruk maakt.

De stelling van [gedaagde] dat het ongeval óók zou hebben kunnen plaatsvinden indien het balkonhek wel deugdelijk was geweest, wordt als geenszins onderbouwd en ook onaannemelijk van de hand gewezen. Een balkonhek heeft nu eenmaal de functie om een stevige afscheiding te vormen tussen een balkon en de daarnaast liggende open ruimte, opdat personen op dat balkon behoed worden voor een val. In casu heeft het hek niet kunnen voldoen aan die functie ten opzichte van de bejaarde huurster, [eiser]. Dat sprake zou zijn geweest van buitensporig handelen van de zijde van [eiser] is op geen enkele wijze gebleken.

Aldus is genoegzaam duidelijk dat het ongeval kon plaatsvinden als gevolg van een gebrek aan het balkonhek van het gehuurde. Gelet op de duur van de huurrelatie tussen partijen is voorts voldoende aannemelijk dat het in geschil zijnde gebrek nog niet bestond bij aanvang van de huur. Het gebrek is [gedaagde] toe te rekenen, waartoe het volgende moge dienen.

Indien [gedaagde], zoals hij stelde, regelmatig onderhoud pleegde aan het gehuurde, is er periodiek buitenschilderwerk uitgevoerd, zoals dat immers behoort tot de verplichtingen van [gedaagde]. De door [gedaagde] ingeschakelde schilder zal dan hebben moeten onderkennen dat de kwaliteit van het houtwerk van de balustrade terugliep en dat hier en daar reparatie nodig was. Die waarneming - de bij de hulppersoon aanwezige kennis - is [gedaagde] toe te rekenen. Mocht [gedaagde] evenwel, anders dan hij stelde, géén (tijdig) onderhoud in voormelde zin hebben laten uitvoeren, is het gebrek [gedaagde] rechtstreeks toe te rekenen, omdat in dat geval geen adequate bescherming van het houtwerk door middel van schilderwerk werd verzorgd. Tekortschietend schilderwerk gaat doorgaans ten koste van de kwaliteit van het buitenhoutwerk, omdat een langzaam voortschrijdend proces van aantasting ongehinderd kan doorgaan.

[gedaagde] is ingevolge het hiervoor overwogene aansprakelijk te houden voor de schade ten gevolge van het gebrek op de voet van artikel 7:208 BW . Het beroep van [gedaagde] op eigen schuld van [eiser], is feitelijk niet voldoende onderbouwd en kan reeds daarom niet slagen: uit niets blijkt dat [eiser] op de hoogte was van de staat van het houtwerk.

De vorderingen van [eiser] zijn voor het overige niet bestreden door [gedaagde] en komen de kantonrechter ook niet onjuist en/of onredelijk voor. De vorderingen zullen worden toegewezen. Wat betreft de rente is op te merken dat [eiser] weliswaar in het lijf van de dagvaarding stelt dat [gedaagde] de wettelijke rente verschuldigd is vanaf de dag van het ongeval, doch dat die stelling niet leidde tot een in het petitum geformuleerde vordering. In het petitum wordt slechts rente gevorderd vanaf 5 januari 2006. Het petitum zal gevolgd worden.

De kosten van de procedure zijn voor rekening van [gedaagde].

5 De beslissing

De kantonrechter:

Veroordeelt [gedaagde] om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [eiser] te betalen een bedrag ad € 34.000,00 aan immateriële schade, alsmede een bedrag ad € 1.119,52 aan materiële schade, beide bedragen te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 5 januari 2006 tot aan de dag der voldoening, alsmede te betalen een bedrag wegens buitengerechtelijke incassokosten ad € 1.542,85;

Veroordeelt [gedaagde] in de kosten van de procedure, tot de dag van de uitspraak aan de zijde van [eiser] begroot op € 1.086,55, waarin begrepen een bedrag ad € 800,-- aan salaris voor de gemachtigde;

Verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

Wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. W. ten Cate, kantonrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting d.d. 8 november 2007, in tegenwoordigheid van de griffier.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde wetgeving

Gerelateerde advocaten

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature