< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak




U dient ingelogd te zijn om favorieten te kunnen toevoegen aan Mijn Jure
U kunt zich hier gratis registreren
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Zaaknummer:
Soort procedure:

Inhoudsindicatie:

Kinderalimentatie bij co-ouderschap.

Uitspraak



RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector familie- en jeugdrecht

Enkelvoudige Kamer

Scheiding

rekestnummer: FA RK 06-7431

zaaknummer: 278673

datum beschikking: 26 november 2007

BESCHIKKING op het op 15 december 2006 ingekomen verzoek van:

[de vrouw],

de vrouw,

wonende te [woonplaats],

procureur: mr. W.G.H. Janssen.

Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[de man],

de man

wonende te [woonplaats],

procureur: mr. C.J. de Jongh-Molenaar.

PROCEDURE

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:

- het verzoekschrift;

- het verweerschrift tevens verzoekschrift;

- de aanvulling van genoemd verweerschrift met daarin opgenomen een aanvullend verzoek;

- de brief met bijlagen d.d. 9 juli 2007 van de zijde van de man;

- de brief met bijlagen d.d. 15 augustus 2007 van de zijde man;

- de brief met bijlagen d.d. 23 augustus 2007 van de zijde van de vrouw;

- de fax met bijlage d.d. 29 augustus 2007 van de zijde van de man.

Op 3 september 2007 is de zaak ter terechtzitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: partijen en hun procureurs. Van de zijde van de man zijn pleitnotities overgelegd.

Na de terechtzitting zijn de volgende stukken ontvangen:

- de brief met bijlagen d.d. 3 september 2007 van de zijde van de vrouw;

- de fax d.d. 10 september 2007 van de zijde van de man;

- de fax d.d. 14 september 2007 van de zijde van de man.

VERZOEK EN VERWEER

Het verzoek van de vrouw strekt tot echtscheiding, met nevenvoorzieningen tot:

- bepaling dat de man ten behoeve van het levensonderhoud van de kinderen een bedrag van € 500,- per kind per maand zal betalen;

- vaststelling van een uitkering tot levensonderhoud van de vrouw ad € 1.500,- per maand, bij vooruitbetaling te voldoen,

- bepaling dat partijen zullen overgaan tot verdeling van de bestaande gemeenschap van goederen;

- kosten rechtens

De man voert verweer tegen de verzochte nevenvoorzieningen

Tevens heeft de man (aanvullend) zelfstandig verzocht:

- vaststelling van een omgangsregeling, inhoudende een co-ouderschapsregeling waarbij de kinderen om de week van zaterdag tot en met vrijdag bij de man zullen zijn, waarbij de man de minderjarigen thuis (de rechtbank begrijpt: bij de vrouw) ophaalt en weer terugbrengt;

- bepaling dat de minderjarige [minderjarige 1] haar vaste woonplaats zal hebben bij de man;

- bepaling dat de minderjarige [minderjarige 2] haar vaste woonplaats zal hebben bij de vrouw,

een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.

BEOORDELING

Aan de wettelijke formaliteiten is voldaan.

Blijkens authentiek bewijsstuk zijn partijen op [datum] 1995 in de gemeente [A] met elkander gehuwd. Zij hebben twee thans nog minderjarige kinderen:

[minderjarige 2], geboren op [datum] 1996 te [gemeente A].

[minderjarige 1], geboren op [datum] 1996 te [gemeente A].

Echtscheiding

De gestelde duurzame ontwrichting van het huwelijk is niet bestreden en staat dus in rechte vast, zodat het daarop steunende niet weersproken verzoek tot echtscheiding als op de wet gegrond voor toewijzing vatbaar is.

Gewone verblijfplaats en de omgangsregeling

Nu de vrouw zich niet verzet tegen de door de man verzochte nevenvoorzieningen ten aanzien van de (formele) verblijfplaats van de minderjarigen en de te treffen omgangsregeling, kunnen die verzoeken als niet weersproken en op de wet gegrond worden toegewezen, daar niet is gebleken dat het belang van de minderjarigen zich daartegen verzet.

Kinderalimentatie

De man voert verweer tegen het verzoek van de vrouw tot vaststelling van een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen. Hij stelt dat, gelet op de tussen partijen bestaande co-ouderschapsregeling, daar geen noodzaak toe is nu partijen de zorg en de kosten voor de kinderen bij helfte delen.

Subsidiair acht de man het verzochte bedrag aan kinderalimentatie niet in overeenstemming met het door hem te betalen aandeel in de kosten van minderjarigen, welk aandeel de man becijfert op

€ 650,- per maand. Daarnaast stelt de man geen draagkracht te hebben tot betaling van dit bedrag. Rekening houdend met de co-ouderschapsregeling dient de bijdrage in redelijkheid te worden bepaald op maximaal € 162,50 per maand per kind.

De rechtbank overweegt als volgt.

Behoefte minderjarigen

Nu tussen partijen in confesso is dat hun netto gezinsinkomen tijdens het huwelijk € 4.500,- per maand bedroeg en zij er beiden van uitgaan dat het 'eigen aandeel ouders' in de kosten van de minderjarigen tijdens het huwelijk in totaal € 1.000,- per maand bedroeg, zal ook de rechtbank daarvan uitgaan.

Verdeling naar rato van draagkracht

Partijen hebben afgesproken de zorg voor de minderjarigen bij helfte te verdelen. Zij zijn er niet in geslaagd afspraken te maken over de verdeling van de kosten van de minderjarigen. De rechtbank zal daarom conform de aanbevelingen in het zogenaamde Trema-rapport, door middel van een draagkrachtvergelijking, waarbij beide partijen als alleenstaande worden aangemerkt, de kosten van de minderjarigen over partijen verdelen. De rechtbank zal, wederom conform de aanbevelingen in het Trema-rapport, het 'eigen aandeel ouders' in de kosten van kinderen tijdens het huwelijk met 16% verhogen in verband met dubbele woonlasten. Het eigen aandeel van de ouders in de kosten van de kinderen na het huwelijk komt daarmee in dit geval op € 1.160,- per maand voor beide kinderen.

Draagkracht man

De rechtbank neemt als uitgangspunt de volgende niet betwiste inkomsten.

Blijkens een door de man overgelegd inkomensoverzicht van het UWV d.d. 24 januari 2007 ontvangt hij een WAZ-uitkering van € 910,52 bruto per maand, te vermeerderen met 8% vakantietoeslag en een (belaste) vergoeding bijdrage ZVW. Daarnaast ontvangt hij blijkens een overgelegd maandoverzicht d.d. 25 mei 2007 van MOVIR een aanvullende arbeidsongeschiktheidsuitkering van € 5.332,- bruto per maand.

Door de man worden de volgende maandlasten opgevoerd:

1) € 635,- hypotheekrente ;

2) € 95,- eigenaarslastenforfait;

3) € 132,90 aan premie ziektekostenverzekering;

€ 163,- op aanslag betaalde en door UWV betaalde inkomensafhankelijke bijdrage ZVW;

€ 107,- eigen risico ziektekosten;

4) € 114,- bijzondere kosten meerderjarige dochter;

5) € 38,- studiekosten;

6) € 394,- aflossing lening ABN AMRO ;

7) € 224,- kosten [...].

De rechtbank neemt de lasten onder 1 t/m 3 en 5 en 7 als niet dan wel onvoldoende weersproken in aanmerking en houdt tevens rekening met het door de man onweersproken opgevoerde eigen woning forfait van € 2.346,-.

Ad 4

De man stelt dat hij bijzondere kosten van € 114,- per maand heeft in verband met zijn dochter van 25 jaar die onlangs, na het overlijden van haar moeder, bij hem is komen wonen.

De vrouw betwist dat met genoemde kosten rekening moet worden gehouden.

Gelet op de betwisting door de vrouw heeft de man deze kosten onvoldoende onderbouwd. Bovendien valt naar het oordeel van de rechtbank niet in te zien dat dergelijke lasten ten aanzien van een meerderjarige dochter voorrang zouden dienen te hebben boven de onderhoudsverplichting van de man jegens zijn minderjarige kinderen en dient de man, zo hij die kosten toch heeft, deze te financieren uit zijn vrije ruimte.

Ad 6

Tegenover de betwisting door de vrouw van deze schuld ten aanzien van het bestaan en de noodzaak, heeft de man aangevoerd dat hij een lening van € 30.000,- heeft afgesloten teneinde de vrouw eenzelfde bedrag als voorschot voor de verdeling/verrekening te kunnen betalen en een eigen onderneming te starten.

De rechtbank is van oordeel dat de man daarmee onvoldoende heeft onderbouwd dat het afsluiten van een lening zodanig noodzakelijk was dat de, evenmin aangetoonde, aflossingen daarop voorrang zouden moeten hebben op zijn onderhoudsverplichting. De rechtbank zal met deze post daarom geen rekening houden.

De man komt in aanmerking voor de algemene heffingskorting, de arbeidskorting, de alleenstaande ouder- en aanvullende alleenstaande ouder korting alsmede de combinatie- en aanvullende combinatiekorting. In het kader van de vaststelling van de draagkracht voor de verdeling van de kosten naar draagkracht van partijen geldt voort de man de bijstandsnorm voor een alleenstaande en een draagkrachtpercentage van 60. Op grond van de hiervoor vermelde feiten en omstandigheden en gelet op de fiscale consequenties heeft de man een draagkrachtruimte van € 1.433,- per maand.

Draagkracht vrouw

Ten aanzien van de vrouw gaat de rechtbank op basis van de salarisspecificaties over de maanden mei t/m juli 2007 uit van een salaris van € 1.521,50 bruto per maand, te vermeerderen met 8% vakantietoeslag, alsmede een (gemiddelde) onregelmatigheidstoeslag van € 208,30 bruto per maand. De rechtbank houdt tevens rekening met de inkomensafhankelijke werkgeversbijdrage ZVW en de ingehouden premies.

De vrouw voert blijkens de overgelegde maandbegroting en de bankafschriften een groot aantal

uitgaven op. De vrouw is in gebreke gebleven zelf een berekening aangaande haar draagkracht over te leggen. Nu genoemde maandbegroting voor het overgrote deel uitgaven bevat die betrekking hebben op háár behoefte, dan wel uitgaven die reeds in het bedrag van de bijstandsnorm zijn verdisconteerd, zal de rechtbank deze begroting niet tot uitgangspunt nemen.

Ter zitting is gebleken dat de lasten van de vrouw die niet in de bijstandsnorm vallen, betreffen een huur van € 914,- per maand en de nominale premie ziektekosten van € 114,- per maand, alsmede de inkomensafhankelijke ZVW-bijdrage van € 120,- per maand.

De man betwist dat voor de bepaling van de draagkracht van de vrouw ten nadele van hem rekening dient te worden gehouden met genoemde naar zijn oordeel te hoge huurlast.

De vrouw voert daartegen aan dat, rekening houdend met de inmiddels al twee jaar durende co-ouderschapsregeling, zij heeft besloten in het belang van de minderjarigen een woning dicht in de buurt van de man en de school van de minderjarigen te huren, hetgeen heeft geleid tot de aanvaarding van een woning met een dergelijke huurlast.

De rechtbank is van oordeel dat nu tussen partijen in confesso is dat de thans al enkele jaren goed verlopende co-ouderschapsregeling in het belang van hun kinderen is, de continuïteit daarvan gebaat is bij handhaving van de huidige woonsituatie van (en voor de minderjarigen: bij) de vrouw.

De rechtbank acht het redelijk partijen in dat opzicht gelijk te behandelen en zal daarom aan de zijde van de vrouw rekening houden met in elk geval een huurlast gelijk aan de bruto woonlast van de man, te weten een bedrag van € 730,-.

De vrouw komt verder in aanmerking voor de algemene heffingskorting, de arbeidskorting, de kinderkorting, de combinatie- en aanvullende combinatiekorting, alsmede de alleenstaande- en aanvullende alleenstaande ouderkorting.

In het kader van de vaststelling van de draagkracht voor de verdeling van de kosten naar draagkracht van partijen geldt voort de vrouw de bijstandsnorm voor een alleenstaande en een draagkrachtpercentage van 60. Op grond van de hiervoor vermelde feiten en omstandigheden en gelet op de fiscale consequenties heeft de vrouw een draagkrachtruimte van € 100,- per maand.

Verdeling van de kosten van de kinderen van € 1.160,- per maand naar rato van ieders draagkracht heeft als uitkomst dat de man € 1.079,- (en de vrouw € 81,-) per maand dient bij te dragen. Hierop brengt de rechtbank in mindering het eigen aandeel van de man in de extra kosten van wonen van de kinderen van € 80,- per maand (de helft van voornoemde 16%, derhalve 8% van € 1.000,- dat is € 80,-) en de kosten van eten en drinken voor de kinderen bij de man welke kosten van de kinderen de man in feite in natura dient te voldoen. De rechtbank zal - nu de man in dat verband geen concrete post heeft opgevoerd - naar analogie van de voor omgangsdagen gehanteerde werkwijze - deze kosten bepalen op € 5,- per kind per dag, zodat na aftrek van het daarmee gemoeid zijnde bedrag van afgerond € 150,-, € 849,- per maand resteert.

De man dient derhalve € 849,- voor beide kinderen, dat is € 424,50 per kind per maand te betalen aan de vrouw, hetgeen zijn draagkracht toelaat. De rechtbank zal die bijdrage als door de man te betalen vaststellen.

Partneralimentatie

De man verweert zich tegen het verzoek van de vrouw tot betaling van een bijdrage in haar levensonderhoud. De vrouw werkt thans part-time voor 50% en is in de visie van de man in staat om meer te werken en daarmee een dusdanig inkomen te genereren dat zij daarmee in haar eigen levensonderhoud kan voorzien. De leeftijd van de minderjarigen verzet zich daar niet langer tegen Bovendien is de man bereid om meer op de kinderen te passen indien de vrouw haar werktijd uitbreidt. Ten aanzien van de mogelijkheden van de vrouw om haar werktijd uit te breiden zijn door de man advertenties van openstaande vacatures in het geding gebracht. De man is voorts van mening dat de vrouw gedurende de echtscheidingsprocedure en het mediationtraject voldoende tijd heeft gehad om haar werkzaamheden uit te breiden. Voor het geval de rechtbank haar toch een termijn zou gunnen verzoekt de man de eventueel op te leggen bijdrage in het levensonderhoud te limiteren voor de duur van zes maanden.

De vrouw voert daartegen aan dat zij niet meer kan werken omdat de minderjarigen nog te jong zijn.

In de week dat de minderjarigen bij de man zijn werkt zij full-time, de andere week wil zij vrij zijn voor de opvang van de minderjarigen. Verder stelt zij dat zij, toen de man vijf jaar geleden zijn dierenartspraktijk heeft beëindigd, 50% is gaan werken en de kwestie van meer werken tijdens het huwelijk verder niet aan de orde is geweest. Het werk op de intensive care is gelet op haar leeftijd (51) zwaar en zij is alleen in staat dit vol te houden door 50% werkzaam te zijn.

De rechtbank is van oordeel dat, nu niet is weersproken dat de vrouw in overleg tussen partijen de afgelopen vijf jaar - toen de man al niet meer werkte - part-time heeft gewerkt (50%) en de minderjarigen thans nog naar de basisschool gaan, uitgegaan dient te worden van de feitelijke situatie mede met het oog op de aanstaande overstap van de minderjarigen naar het middelbaar onderwijs.

Van de vrouw mag echter wel verwacht worden dat zij zich ervoor inspant haar werkzaamheden uit te breiden, zodat zij op termijn geheel of voor een groter deel in haar eigen levensonderhoud kan voorzien. De vrouw kan er bijvoorbeeld mee beginnen haar werkzaamheden in de week dat de minderjarigen bij haar zijn op te pakken op een zodanige schaal dat deze te combineren zijn met de opvang na school. Nu partijen hebben afgesproken dat de minderjarigen om en om bij hun ouders zijn, passeert de rechtbank de stelling van de man dat hij in de 'week van de vrouw' voor opvang van de kinderen kan zorgen zodat de vrouw ook dan fulltime zou kunnen werken. De rechtbank acht het evenmin opportuun reeds nu deze bijdrage te limiteren tot zes maanden.

Uitgaande van het niet in geschil zijnde gezinsinkomen van € 4.500,- minus een bedrag van € 1.000,- per maand aan kosten voor de minderjarigen tijdens het huwelijk, bedraagt de netto-behoefte van de vrouw ingevolge de zogenaamde Hof-norm 60% van € 3.500,-, zijnde € 2.100,- netto per maand. De rechtbank gaat niet uit van het door de man bestreden behoefteoverzicht van de vrouw en verwijst naar hetgeen daarover hiervoor is overwogen. Nu het netto besteedbaar inkomen van de vrouw, gelet op de hiervoor in aanmerking genomen gegevens ten aanzien van haar financiële draagkracht, € 1.803,- per maand bedraagt, moet worden geoordeeld dat zij behoefte heeft aan een aanvullende bijdrage van netto € 297,- per maand, dat is € 507,- bruto per maand.

De rechtbank is van oordeel dat, uitgaande van het hiervoor overwogene en vorenstaande financiële gegevens van de man en de fiscale consequenties, de man in staat is om naast de hiervoor bepaalde bedragen aan kinderalimentatie, een bijdrage overeenkomstig de hiervoor in aanmerking genomen behoefte van de vrouw ad € 507,- per maand te betalen in haar levensonderhoud.

Afwikkeling huwelijkse voorwaarden

Het verzoek van de vrouw te bepalen dat partijen zullen overgaan tot verdeling van de bestaande gemeenschap van goederen is door de man voor en ter zitting niet anders bestreden dan met de blote stelling dat de vrouw in haar verzoek niet-ontvankelijk verklaard dient te worden dan wel dat dit afgewezen dient te worden. Vervolgens is door de rechtbank ter zitting aan de orde gesteld dat partijen hadden verzuimd een afschrift van de huwelijkse voorwaarden in het geding te brengen en is de vrouw in de gelegenheid gesteld zulks alsnog te doen waarbij de man de gelegenheid is gegund daarop te reageren. De rechtbank heeft daarbij uitdrukkelijk bepaald dat die reactie géén inhoudelijke mocht zijn omdat de man voor en ter zitting voldoende de gelegenheid had gehad zijn betwisting te onderbouwen.

De rechtbank zal om die reden geen acht slaan op de na de zitting binnengekomen brief van de man d.d. 10 september 2007 voorzover daarin alsnog argumenten ter onderbouwing van zijn betwisting naar voren worden gebracht die niet ter zitting aan de orde zijn geweest, enerzijds omdat de man daartoe nadrukkelijk geen gelegenheid meer is geboden, anderzijds omdat de vrouw daarop niet meer heeft kunnen reageren.

Uit de overgelegde akten van huwelijkse voorwaarden, verleden respectievelijk op 21 november 1995 en 20 maart 2002, maakt de rechtbank op dat partijen - kort gezegd - onder uitsluiting van iedere gemeenschap van goederen, met een periodiek verrekenbeding zijn gehuwd en dat bedoelde akte in 2002 is gewijzigd in die zin dat in aanvulling daarop een zgn. finaal verrekenbeding is overeengekomen, inhoudende dat partijen bij echtscheiding zouden afrekenen alsof er gemeenschap van goederen had bestaan.

In het licht van de inhoud van deze akten had het op de weg van de man gelegen zijn verweer dat er geen sprake gemeenschap van goederen is, tijdig voldoende te onderbouwen. De enkele ontkenning is gelet op de inhoud van de akten, die partijen ook voor de zitting al bekend was en waarover zij blijkens mededelingen ter zitting al geruime tijd in onderhandeling waren, onvoldoende. De rechtbank zal daarom het verweer van de man passeren en het verzoek van de vrouw toewijzen in die zin dat zij zal bepalen dat partijen tot afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden dienen over te gaan in die zin dat zij conform het in die huwelijkse voorwaarden overeengekomen verrekenbeding en de daarbij geldende bepalingen dienen af te rekenen alsof zij in gemeenschap van goederen gehuwd waren.

Proceskosten

Gelet op het feit dat het hier een procedure van familierechtelijke aard betreft, ziet de rechtbank aanleiding de proceskosten te compenseren als hierna vermeld.

BESLISSING

De rechtbank:

*

spreekt uit de echtscheiding tussen: [de man], en [de vrouw], gehuwd op [datum] 1995 in de gemeente [A];.

*

bepaalt dat de minderjarige:

[minderjarige 2], geboren op [datum] 1996 te [gemeente A],

de gewone verblijfplaats zal hebben bij de vrouw;

en de minderjarige:

[minderjarige 1], geboren op [datum] 1996 te [gemeente A],

de gewone verblijfplaats zal hebben bij de man,

en verklaart deze bepaling uitvoerbaar bij voorraad;

*

bepaalt dat de minderjarigen in het kader van de tussen partijen geldende co-ouderschapsregeling bij de man zullen zijn:

- om de week van zaterdag tot en met vrijdag, waarbij de man de minderjarigen bij de vrouw ophaalt en weer terugbrengt,

en verklaart deze co-ouderschapsregeling uitvoerbaar bij voorraad;

*

bepaalt dat de man, met ingang van heden voor de verzorging en opvoeding van de minderjarigen [minderjarige 2], geboren op [datum] 1996 te [gemeente A], en [minderjarige 1], geboren op [datum] 1996 te [gemeente A], aan de vrouw, die de minderjarigen mede verzorgt en opvoedt, zal betalen een bedrag van € 424,50 per maand, per kind,

en verklaart de bepaling van deze bijdrage uitvoerbaar bij voorraad;

*

bepaalt dat de man met ingang van de dag dat de beschikking van echtscheiding zal zijn ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand tegen kwijting aan de vrouw tot haar levensonderhoud zal uitkeren een bedrag van € 507,- per maand,

en verklaart deze beschikking in zoverre uitvoerbaar bij voorraad;

*

beveelt de afwikkeling van de tussen partijen geldende huwelijkse voorwaarden ten overstaan van een notaris in die zin dat partijen conform het in die huwelijkse voorwaarden overeengekomen verrekenbeding en de daarbij geldende bepalingen dienen af te rekenen alsof zij in gemeenschap van goederen gehuwd waren;

benoemt, voor het geval partijen het over de keuze van een notaris niet eens worden, tot notaris ten overstaan van wie de afwikkeling dient plaats te vinden:

mr. J.A. Mendelts, notaris te Voorhout, gemeente Teylingen, dan wel de plaatsvervanger;

benoemt, voor het geval een partij weigert of nalatig blijft aan de afwikkeling mede te werken, tot onzijdig persoon volgens de wet:

voor de man mr. M. Aukema, kantoorhoudende te Leiden,

voor de vrouw mr. J.I.W.A.M. van Roy-Vissers, kantoorhoudende te Leiden;

verklaart deze voorziening uitvoerbaar bij voorraad;

*

bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt.

*

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. A.M.G. Ellenbroek, tevens kinderrechter, bijgestaan door P.J. Kolenbrander als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 26 november 2007.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature