< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak




U dient ingelogd te zijn om favorieten te kunnen toevoegen aan Mijn Jure
U kunt zich hier gratis registreren
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Vindplaats:

Inhoudsindicatie:

Geding over de voortzetting van de partneralimentatie . Het verzoek van de vrouw luidt om de vastgestelde alimentatieplicht van de man, die op 1 juli 1994 is ingegaan, voort te zetten dan wel een termijn te stellen van tien jaar, althans een door de rechtbank juist geachte termijn, waarin de man de vastgestelde alimentatie moet blijven betalen, met de mogelijkheid van verlenging, een en ander uitvoerbaar bij voorraad. De vrouw stelt als grond voor dit verzoek dat de beëindiging van de alimentatie zo ingrijpend voor haar is, dat deze naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet van haar kan worden gevergd. De man voert gemotiveerd verweer en heeft verzocht het verzoek van de vrouw af te wijzen dan wel zijn alimentatieplicht per 1 juli 2006 te beëindigen. De rechtbank wijst het verzoek tot verlenging van de alimentatieplicht af.

Uitspraak



RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector familie- en jeugdrecht

Enkelvoudige Kamer

Alimentatie

rekestnummer: FA RK 06-5905

zaaknummer: 274091

datum beschikking: 20 maart 2007

BESCHIKKING op het op 27 september 2006 ingekomen verzoek van:

[de vrouw],

wonende te [gemeente A],

hierna te noemen: de vrouw,

procureur: mr. H. Koning.

Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[de man],

wonende te [gemeente B],

hierna te noemen: de man,

procureur: mr. H.D.E. Kaasjager.

PROCEDURE

De rechtbank heeft kennis genomen van de stukken, waaronder:

- het verzoekschrift;

- het verweerschrift;

- de faxbrief d.d. 16 februari 2007 met bijlagen van de zijde van de vrouw.

Op 20 februari 2007 is de zaak ter terechtzitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn partijen verschenen, vergezeld van hun procureurs.

FEITEN

Partijen zijn gehuwd geweest van [datum] 1976 tot 1 juli 1994.

Bij beschikking van deze rechtbank d.d. 18 mei 1994 is - voor zover hier van belang - bepaald dat de man aan de vrouw tot haar levensonderhoud dient te betalen een bedrag van fl 400,-- per maand.

Als gevolg van de wijziging van rechtswege ingevolge artikel 1:402a van het Burgerlijk Wetboek (BW) bedraagt de door de man te betalen uitkering tot het levensonderhoud van de vrouw (verder: alimentatie) thans € 224,--.

VERZOEK, GRONDSLAG EN VERWEER

Het verzoek van de vrouw luidt de bij beschikking van 18 mei 1994 vastgestelde alimentatieplicht van de man, die op 1 juli 1994 is ingegaan, voort te zetten dan wel een termijn te stellen van tien jaar, althans een door de rechtbank juist geachte termijn, waarin de man de vastgestelde alimentatie moet blijven betalen, met de mogelijkheid van verlenging, een en ander uitvoerbaar bij voorraad.

De vrouw stelt als grond voor dit verzoek dat de beëindiging van de alimentatie zo ingrijpend voor haar is, dat deze naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet van haar kan worden gevergd.

De man voert gemotiveerd verweer en heeft verzocht het verzoek van de vrouw af te wijzen dan wel zijn alimentatieplicht per 1 juli 2006 te beëindigen.

BEOORDELING

De vrouw heeft ter onderbouwing van haar verzoek aangevoerd dat haar inkomen uit arbeid € 959,81 netto per maand bedraagt en dat zij zonder de maandelijkse bijdrage van de man van € 224,-- niet in staat is om haar woonlasten van € 400,-- per maand te voldoen. Het is niet mogelijk gebleken om haar inkomen te verhogen door haar werktijden uit te breiden, aangezien op de afdeling van de [werkgever] waar zij werkt het personeelsbestand is ingekrompen wegens automatisering en binnen de [werkgever] geen andere passende functie voorhanden is. Ter terechtzitting heeft zij verklaard de omgang met de collega’s en de werksfeer bij de [werkgever] erg prettig te vinden en met de werkgever te zijn vergroeid, zodat van haar na een dienstverband van 37 jaar niet verlangd kan worden buiten de [werkgever] te solliciteren. Voorts heeft de vrouw erop gewezen dat zij inmiddels de leeftijd van 55 jaar heeft bereikt en dat zij geen aanspraak heeft op een deel van het ouderdomspensioen van de man. Ter terechtzitting heeft de vrouw nog gesteld dat van haar wegens medische omstandigheden niet kan worden verwacht dat zij fulltime gaat werken.

De man heeft aangevoerd dat op 1 juli 1994 de Wet Limitering Alimentatie in werking is getreden en dat bij deze wet de duur van de alimentatieplicht is beperkt tot een periode van 12 jaar, te rekenen vanaf de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand. Nu de echtscheidingsbeschikking op 1 juli 1994 in de registers is ingeschreven, is zijn alimentatieplicht op 1 juli 2006 geëindigd, zo heeft de man gesteld, en daarom heeft hij dan ook met ingang van 1 juli 2006 de alimentatiebetalingen gestaakt. De man heeft voorts gesteld dat het op de weg van de vrouw had gelegen om ervoor te zorgen dat zij na de beëindiging van de alimentatie in haar eigen levensonderhoud zou kunnen voorzien. Zij heeft ten onrechte nagelaten om naar andere functies te solliciteren, te bij- of herscholen dan wel een werkkring te vinden voor haar vrije dag, aldus de man.

De rechtbank overweegt het volgende.

Bij de op 1 juli 1994 in werking getreden Wet van 29 april 1994, Stb. 324, zoals gewijzigd bij Wet van 28 april 1994, Stb. 325, zijn aan artikel 1:157 van het Burgerlijk Wetboek (BW) de leden 3 tot en met 6 toegevoegd. Ingevolge artikel 1:157, 4e lid, BW eindigt - wanneer de rechter geen termijn heeft vastgesteld - de verplichting tot levensonderhoud van rechtswege, indien deze 12 jaar heeft geduurd. In het onderhavige geval staat vast dat aan de alimentatieplicht van de man door de rechter geen termijn is verbonden, alsmede dat de alimentatieplicht, die op 1 juli 1994 is aangevangen, op 1 juli 2006 twaalf jaar heeft geduurd. Derhalve is de alimentatieplicht van de man in beginsel op laatstgenoemde datum van rechtswege geëindigd.

In 5e lid van artikel 1:157 BW is bepaald dat de rechter op verzoek van de alimentatiegerechtigde alsnog een termijn kan stellen indien de beëindiging na 12 jaar zo ingrijpend van aard dat deze naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid van de alimentatiegerechtigde niet kan worden gevergd, mits dat verzoek voor of binnen drie maanden na de beëindiging is gedaan.

Het verzoek van de vrouw is bij de rechtbank ingekomen op 27 september 2006 en daarmee binnen bedoelde termijn, zodat de vrouw in haar verzoek ontvankelijk is.

Allereerst staat de vraag ter beantwoording of beëindiging van de alimentatie voor de vrouw ingrijpend is. Overwogen wordt dat het beëindigen van de alimentatie voor de vrouw een inkomensteruggang betekent van circa 23 %. Een dergelijke inkomensteruggang is naar het oordeel van de rechtbank ingrijpend.

Nu vaststaat dat de beëindiging van de alimentatieplicht ingrijpend is, dient de rechtbank te beoordelen of deze beëindiging zo ingrijpend is, dat deze naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet van de vrouw kan worden gevergd. Hierbij dienen alle relevante omstandigheden in aanmerking te worden genomen en in onderlinge samenhang te worden gewogen. Deze afweging geschiedt tegen de achtergrond van de limiteringsgedachte die uitdrukkelijk in de wet is neergelegd en die zware eisen stelt voor het aannemen van bijzondere omstandigheden die ertoe leiden dat de alimentatieplicht wordt verlengd.

Op dit punt overweegt de rechtbank het volgende.

Vaststaat dat de vrouw gedurende het huwelijk van partijen zonder onderbreking heeft gewerkt. Na het uiteengaan van partijen heeft zij haar werkgeefster, bij wie zij in november 1970 in dienst is getreden, verzocht haar aanstelling uit te breiden naar een fulltime aanstelling, welk verzoek de [werkgever] bij brief van 6 december 1993 heeft afgewezen. Bij brief van de [werkgever] van 12 februari 2007 is aan de vrouw medegedeeld dat ook thans uitbreiding van de werktijd niet mogelijk is. Dat de vrouw in de tussenliggende periode getracht heeft haar werktijden uit te breiden dan wel een fulltime functie elders te zoeken of een aanvullende werkkring, is niet gebleken.

De rechtbank overweegt voorts dat de vrouw ten tijde van de echtscheiding 43 jaar oud was en een ononderbroken arbeidsverleden had van meer dan twintig jaar. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat de vrouw voor wat betreft haar positie op de arbeidsmarkt door het huwelijk niet in een achterstandspositie is geraakt en dat het vinden van een fulltime baan tot de reële mogelijkheden behoorde. Tevens wordt overwogen dat, mede gezien haar kansen op de arbeidsmarkt, van de vrouw kon worden gevergd dat zij zich er gedurende de periode dat zij alimentatie ontving op zou voorbereiden dat zij op termijn in haar eigen levensonderhoud zou kunnen voorzien. Niettemin heeft de vrouw verzuimd tijdig op de beëindiging van de alimentatie te anticiperen en op zoek te gaan naar een fulltime functie dan wel naar aanvullende betaalde werkzaamheden. Daarbij mocht naar het oordeel van de rechtbank, gelet op de limiteringsgedachte, van de vrouw wordt verwacht ook buiten de kring van de [werkgever] een functie te zoeken en te aanvaarden. De stelling van de vrouw dat niet nader aangeduide medische omstandigheden haar beletten om fulltime te werken zal de rechtbank passeren, nu van deze omstandigheden eerst ter terechtzitting gewag is gemaakt en deze op geen enkele wijze zijn onderbouwd.

Ten aanzien van de woonlasten van de vrouw overweegt de rechtbank dat ter terechtzitting is gebleken dat op de voormalige echtelijke woning een hypotheek rustte van € 45.000,--. In 2006 heeft de vrouw echter naar zij ter zitting heeft verklaard teneinde schulden te kunnen aflossen deze hypotheek verhoogd tot € 70.000,--, hetgeen een hogere rentelast meebracht. De vrouw heeft niet gesteld dat sprake was van noodzaak om de schulden, die zij door de verhoging van de hypotheek heeft afgelost, aan te gaan. Bij deze stand van zaken, waarbij de vrouw ondanks het naderen van het einde van de alimentatie haar hypotheekschuld heeft verhoogd, acht de rechtbank de hoogte van de woonlasten geen omstandigheid die tot het oordeel kan leiden dat beëindiging van de alimentatie naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet van haar kan worden gevergd.

Aan de omstandigheid dat de vrouw geen aanspraak heeft op een deel van het ouderdomspensioen van de man komt naar het oordeel van de rechtbank in het kader van de beëindiging van de alimentatie geen betekenis toe, nu de vrouw - naar zij ter zitting heeft bevestigd - sedert 1970 zelfstandig een ouderdomspensioen heeft opgebouwd.

Het vorenoverwogene leidt de rechtbank tot het oordeel dat de vrouw zich onvoldoende heeft ingespannen om na verloop van de termijn van 12 jaar als bedoeld in artikel 1;157, 4e lid, BW in haar eigen levensonderhoud te kunnen voorzien, terwijl dat - mede in het licht van het wettelijke uitgangspunt dat na verloop van die termijn de alimentatieplicht eindigt - in redelijkheid van haar mocht worden verwacht. Van omstandigheden waardoor de beëindiging van de alimentatie naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet van de vrouw kan worden gevergd is naar het oordeel van de rechtbank dan ook geen sprake.

Het verzoek van de vrouw om de alimentatieplicht te verlengen zal mitsdien worden afgewezen.

BESLISSING

De rechtbank:

wijst het verzoek tot verlenging van de alimentatieplicht af.

Deze beschikking is gegeven door mr. P.D. Veenendaal, in tegenwoordigheid van

mr. E.P. Kuipéri als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 20 maart 2007.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde advocaten

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature