E-mail deze uitspraak

Uitspraak waar naar gelinkt wordt vanuit de e-mail die gestuurd zal worden:

ECLI:NL:RBSGR:2007:BA0827
LJN BA0827, Rechtbank 's-Gravenhage, AWB 06/29558

Inhoudsindicatie:

Irak / 1F VSV / tijdsverloop

Verweerder heeft de aanvraag van eiser om aan hem verblijfsvergunning asiel te verlenen afgewezen op grond van artikel 31, eerste lid, juncto artikel 31, tweede lid, aanhef en onder k, van de Vw 2000 , omdat eiser een gevaar vormt voor de openbare orde, nu ten aanzien van hem ernstige redenen bestaan om te veronderstellen dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan gedragingen zoals bedoeld in artikel 1F, aanhef en onder a, b en c van het Vluchtelingenverdrag van Gen ève van 28 juli 1951, zoals gewijzigd bij Protocol van New York van 31 januari 1967 (verder: het Verdrag). Verweerder baseert zich daarbij op de informatie uit de individuele ambtsberichten van 22 april 2002 en 30 september 2002 van de Minister van Buitenlandse Zaken die naar aanleiding van eisers aanvraag zijn uitgebracht en op de informatie uit het (algemeen) ambtsbericht van de minister van Buitenlandse Zaken van 15 november 2002 inzake Irak. Eiser stelt gemotiveerd dat aan de juistheid of volledigheid van de individuele ambtsberichten van 22 en 30 september 2002 moet worden getwijfeld dan wel dat verweerder op grond van deze ambtsberichten ten onrechte heeft geconcludeerd dat hij schuldig is aan gedragingen zoals bedoeld in artikel 1F, aanhef en onder a, b en c van het Verdrag. De rechtbank heeft partijen de uitspraak van deze nevenzittingsplaats van 6 januari 2006 (Awb 03/36763) doen toekomen met de mededeling dat deze uitspraak ter zitting aan de orde zal worden gesteld. In die uitspraak betrof het evenals in de onderhavige zaak een Iraakse arts die werkzaam is geweest in hetzelfde ziekenhuis in Bagdad. De inhoud van het individuele ambtsbericht dat is uitgebracht in die zaak is gelijkluidend aan de inhoud van het individuele ambtsbericht in de onderhavige zaak. Verweerder heeft bij brief gereageerd op bovengenoemde uitspraak. Verweerder stelt in deze brief dat tegen de uitspraak geen hoger beroep is ingesteld en dat vanwege het ontbreken van mogelijkheden tot nader onderzoek het onderzoek naar de mogelijke toepasselijkheid van artikel 1F van het Verdrag ten aanzien van de desbetreffende vreemdeling is gestaakt. Verweerder stelt verder in de brief dat de zaak van eiser niet wezenlijk anders ligt en dat de aanwezigheid van verweerder ter zitting weinig zinvol is. De rechtbank maakt hieruit op dat verweerder afstand neemt van de tegenwerping van artikel 1F van het Verdrag aan eiser. Nu verweerder afstand neemt van de toepassing van artikel 1F van het Verdrag op eiser, kan, naar het oordeel van de rechtbank, een verblijfsvergunning regulier onder de beperking “tijdsverloop in de asielprocedure” niet op grond van de contra-indicatie ingevolge artikel 3.77, eerste lid, aanhef en onder a, van het Vreemdelingenbesluit 2000 worden onthouden. Zowel het beroep asiel als het beroep regulier zijn derhalve gegrond wegens schending van het motiveringsvereiste van artikel 3:46 van de Awb en het vereiste dat het bestuursorgaan bij de voorbereiding van een besluit de nodige kennis vergaart omtrent de relevante feiten en de af te wegen belangen, zoals genoemd in artikel 3:2 van de Awb .

Van


Aan


Opmerkingen (optioneel)


E-mail

Terug

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie