E-mail deze uitspraak

Uitspraak waar naar gelinkt wordt vanuit de e-mail die gestuurd zal worden:

ECLI:NL:RBSGR:2007:AZ5704
LJN AZ5704, Rechtbank 's-Gravenhage, AWB 06/62064

Inhoudsindicatie:

Motie Bos en motie Dijsselbloem / project Terugkeer / humanitaire bezwaren.

In eisers visie is er geen zicht op uitzetting omdat eiser onder de moties Bos c.s. van 30 november 2006 en Dijsselbloem c.s. van 12 december 2006 en het naar aanleiding van de moties genomen kabinetsbesluit van 13 december 2006 valt. Tussen partijen is niet in geschil - en op grond van de gedingstukken is ook vast komen te staan - dat eiser een ex-asielzoeker is die zich in de laatste fase van het project Terugkeer bevindt. Verweerder meent dat eiser niet onder genoemde moties en de ter uitvoering daarvan genomen beslissing van het kabinet valt omdat eiser heeft gelogen in zijn asielprocedure over (onder meer) zijn identiteit en nationaliteit. Dit bedrog van eisers zijde maakt dat van humanitaire bezwaren geen sprake kan zijn. Het kan eenvoudigweg niet zo zijn, aldus verweerder, dat eiser onder een tot stand te brengen pardonregeling verblijf hier te lande wordt toegestaan. Eisers gemachtigde heeft naar voren gebracht dat een pardonregeling nog tot stand moet worden gebracht. Het strekt op dit moment te ver om te zeggen dat eiser daar niet onder zal kunnen vallen, nu de criteria nog niet bekend zijn. Eiser geeft toe dat hij heeft gelogen over zijn identiteit en nationaliteit in de door hem doorlopen asielprocedure. Hij is echter niet veroordeeld of ongewenst verklaard. De leugens werden ingegeven, of in ieder geval mede ingegeven, door angst om terug te worden gestuurd naar Tunesië. Eiser heeft enorm veel spijt van zijn leugens. Eiser is hier te lande gewend geraakt en wil hier heel graag blijven. Hij is bang om terug te keren naar Tunesië, aldus nog steeds eiser.

De rechtbank stelt vast dat de moties naar aanleiding waarvan het kabinetsbesluit van 13 december 2006 tot stand is gekomen een aantal uit te sluiten categorieën noemen, te weten oorlogsmisdadigers, veroordeelden wegens ernstige delicten, ongewenstverklaarde personen, personen ten aanzien van wie er openbare orde-aspecten spelen en personen op wie artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag van toepassing is. In het kabinetsbesluit wordt een nadere inperking gegeven van de categorie van personen ten aanzien van wie “pas op de plaats” dient te worden gemaakt wat betreft uitzettingen ten opzichte van de categorie van personen omschreven in de motie Bos en de motie Dijsselbloem. De groep wordt in het besluit ingeperkt tot personen in de laatste fase (cursivering rechtbank) van het , ten aanzien van wie gedwongen uitstroom uit het project op humanitaire bezwaren stuit. Anders dan in de moties worden in het kabinetsbesluit geen groepen genoemd die uitgezonderd worden van de “pas op de plaats”. Het kabinet heeft in genoemd besluit evenwel ook geen afstand genomen van de in de moties genoemde uitgezonderde categorieën. Nu met het besluit beoogd is uitvoering te geven aan genoemde moties leest de rechtbank het besluit aldus dat het kabinet zich heeft willen aansluiten bij de in de moties genoemde uitgezonderde categorieën en dat het kabinetsbesluit om personen behorend tot de nader ingeperkte groep niet uit te zetten, niet geldt voor de in de moties genoemde uitgezonderde groepen. Eiser is niet ongewenst verklaard, is geen 1F-er en is niet veroordeeld wegens delicten. Thans staat slechts vast dat eiser heeft gelogen betreffende zijn identiteit, nationaliteit en relaas. Personen die hebben gelogen in hun asielprocedure worden niet als categorie genoemd in (één van) de moties, noch in het kabinetsbesluit van 13 december 2006.

In het kabinetsbesluit wordt een voorbeeld gegeven van wat met name onder “humanitaire bezwaren” kan worden begrepen, maar wordt niet nader omschreven wat onder “humanitaire bezwaren” moet worden verstaan. Ook wordt niet aangegeven wat hier per se niet onder kan worden verstaan.

Dit in aanmerking genomen ziet de rechtbank vooralsnog niet in dat de redenen als door eiser aangedragen niet zouden kunnen worden geschaard onder humanitaire bezwaren.

De rechtbank komt tot de slotsom dat eiser onder de toezegging als neergelegd in het kabinetsbesluit valt. Derhalve is er geen zicht op uitzetting. De rechtbank hecht eraan op te merken, mede naar aanleiding van verweerders betoog ter zitting, dat met dit oordeel nog geenszins gezegd is dat eiser ook onder een - nog uit te werken - pardonregeling zal vallen. Die regeling zal nog worden vastgesteld en op dit moment kan de vraag, of eiser wel of niet onder de nog te maken regeling zal vallen, niet worden beantwoord. Waar het thans alleen om draait is dat eiser het nader uitwerken van die regeling, nu hij onder de toezegging van het kabinet valt, af mag wachten. Het beroep zal gegrond worden verklaard en de opheffing van de maatregel zal worden bevolen.

Van


Aan


Opmerkingen (optioneel)


E-mail

Terug

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie