< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Vindplaats:

Inhoudsindicatie:

Bewaring / zes maanden op detentieboot.

Uit de uitspraken van de Afdeling volgt dat de rechtbank zich bij de beoordeling dient te beperken tot het geven van een oordeel over de aanwijzing van de plaats of ruimte voor de uitvoering van de maatregel, bezien in het licht van het daar geldende regime. Daarbij gaat het om de aanwijzing van de inrichtingscategorie waartoe die plaats of ruimte behoort, zoals in dit geval een huis van bewaring, waarvoor bij algemeen verbindend voorschrift is bepaald dat daarin personen in vreemdelingenbewaring kunnen worden opgenomen en waarvoor een regime is vastgesteld. Klachten die betrekking hebben op het regime op de locatie waar de maatregel van bewaring ten uitvoer wordt gelegd vallen buiten het onderhavige toetsingskader en kunnen dan ook niet leiden tot gegrondverklaring van het beroep. De rechtbank stelt vast dat het door eiser overgelegde vonnis van de voorzieningenrechter in kort geding van 11 december 2006 (KG 06/1258), voor zover daarin is bepaald dat het in beginsel is verboden om vreemdelingen langer dan zes maanden in bewaring te houden op de detentieboten, betrekking heeft op de tenuitvoerlegging van de bewaring onder het regime op de detentieboten. Aldus is het beroep van eiser in dit verband gestoeld op de toepassing van het regime op de locatie waar de maatregel van bewaring ten uitvoer wordt gelegd. Zoals blijkt uit het voorgaande kan een dergelijk beroep ingevolge Afdelingsjurisprudentie evenwel geen rol spelen bij de beoordeling van het voortduren van de bewaring.

Uitspraak



RECHTBANK ’s-GRAVENHAGE

Nevenzittingsplaats ’s-Hertogenbosch

Sector bestuursrecht

Zaaknummer: AWB 06/57638

Uitspraak van de meervoudige kamer van 22 december 2006

inzake

[eiser],

geboren op [geboorte datum] 1965,

nationaliteit Chinese,

eiser,

gemachtigde mr. S. Kanhai,

tegen

de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie,

te Den Haag,

verweerder,

gemachtigde A. van Rheenen.

Procesverloop

Op 16 maart 2006 is eiser op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 in bewaring gesteld.

Bij uitspraken van de rechtbank, zittinghoudende te ’s-Hertogenbosch, van 10 april 2006, 14 juli 2006, 15 augustus 2006, 7 september 2006, 12 oktober 2006 en 2 november 2006, zijn eerdere beroepen, strekkende tot opheffing van de vreemdelingenbewaring, ongegrond verklaard.

Eiser heeft op 24 november 2006 beroep ingesteld tegen het voortduren van de vrijheidsontneming. Voorts is om schadevergoeding verzocht.

Naar aanleiding van het beroep heeft verweerder op 27 november 2006 een voortgangsrapportage ingezonden. De gemachtigde van eiser heeft hierop, na daartoe in de gelegenheid te zijn gesteld, gereageerd bij schrijven van 29 november 2006.

De zaak is behandeld op de zitting van de enkelvoudige kamer van 12 december 2006.

Op 12 december 2006 heeft de rechtbank het onderzoek met toepassing van artikel 8:68 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heropend en de zaak doorverwezen naar de meervoudige kamer.

Verweerder is op 13 december 2006 overgegaan tot opheffing van de bewaring.

De behandeling van de zaak ter zitting van de meervoudige kamer heeft plaatsgevonden op 19 december 2006, waar eiser is verschenen bij gemachtigde. Verweerder is eveneens verschenen bij gemachtigde.

Overwegingen

1. Op grond van het bepaalde in artikel 106 van de Vw 2000 kan de rechtbank, indien zij de opheffing van een maatregel tot vrijheidsontneming beveelt, dan wel de vrijheidsontneming reeds voor de behandeling van het verzoek om opheffing van die maatregel wordt opgeheven, aan de vreemdeling een vergoeding ten laste van de Staat toekennen. Het bepaalde bij of krachtens de artikelen 90 en 93 van het Wetboek van Strafvordering is van overeenkomstige toepassing.

2. In het onderhavige geval is verweerder overgegaan tot opheffing van de bewaring voordat de rechtbank het tegen die maatregel ingestelde beroep heeft kunnen behandelen.

3. Aangezien het beroepschrift tevens een verzoek tot schadevergoeding behelst, dient thans te worden vastgesteld of de maatregel van bewaring reeds op enig moment voor de opheffing ervan door verweerder onrechtmatig was en, zo ja, of aanleiding bestaat tot toekenning van schadevergoeding als bedoeld in artikel 106 van de Vw 2000 .

4. De gemachtigde van eiser heeft aangegeven het beroep te handhaven met het oog op schadevergoeding. Ter onderbouwing hiervan heeft hij zich – kort gezegd – op het standpunt gesteld dat de bewaring reeds voorafgaand aan de opheffing ervan onrechtmatig is geworden, aangezien geen reëel zicht op uitzetting bestond en verweerder met onvoldoende voortvarendheid aan de uitzetting werkte. Gelet op de duur van de bewaring – bijna negen maanden – had de belangenafweging bovendien reeds voorafgaand aan de opheffing ervan in het voordeel van eiser dienen uit te vallen, nu eiser het onderzoek naar de vaststelling van zijn identiteit en nationaliteit geenszins heeft gefrustreerd. Tenslotte is de bewaring volgens de gemachtigde van eiser reeds voorafgaand aan de opheffing ervan onrechtmatig geworden gelet op het vonnis van de voorzieningenrechter in kort geding van 11 december 2006 (KG 06/1258). Eiser heeft immers bijna negen maanden in bewaring gezeten op de detentieboot Reno, terwijl de voorzieningenrechter in voornoemd vonnis heeft bepaald dat het in beginsel is verboden om vreemdelingen langer dan zes maanden in bewaring te houden op de detentieboten.

5. De rechtbank overweegt als volgt.

6. Uit de gedingstukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat het onderzoek door de Chinese autoriteiten, waarbij eiser op 20 juni 2006 is gepresenteerd, tot aan de opheffing van de bewaring nog steeds gaande was en dat door verweerder maandelijks werd gerappelleerd. Voorts heeft verweerder aangegeven dat op 24 november 2006 een vordering aan eiser is verstuurd (in een voor hem begrijpelijke taal) om vóór 8 december 2006 nadere informatie te verstrekken omtrent zijn identiteit en nationaliteit.

7. Gelet op het voorgaande bestond naar het oordeel van de rechtbank tot aan de opheffing van de bewaring nog immer voldoende zicht op uitzetting en kan niet worden gezegd dat verweerder met onvoldoende voortvarendheid aan de uitzetting heeft gewerkt. De enkele niet nader onderbouwde stelling van eiser dat hij heeft vernomen dat er mogelijk een negatief antwoord zal worden gegeven op de laissez-passeraanvraag en dat het burgerregistratiesysteem in China gebrekkig functioneert, kan niet leiden tot een andersluidend oordeel. In de enkele ontkenning van eiser dat hij de door verweerder op 24 november 2006 aan hem verstuurde vordering heeft ontvangen, ziet de rechtbank evenmin grond om tot een ander oordeel te komen. Verweerder heeft ter zitting aangegeven dat de vordering op de gebruikelijke wijze aan eiser is uitgereikt. Daarnaast heeft de Vreemdelingendienst over de uitreiking gerapporteerd in het M120-formulier en bevindt zich een kopie van de vordering in het dossier. Naar het oordeel van de rechtbank bestaat geen aanleiding om aan de juistheid van voornoemde informatie van verweerder te twijfelen.

8. Ook in de duur van de bewaring ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat deze voorafgaand aan de opheffing ervan onrechtmatig is geworden. Weliswaar geldt in beginsel dat na zes maanden het belang van de vreemdeling bij opheffing van de bewaring zwaarder weegt dan het belang van verweerder om de vreemdeling ter fine van uitzetting nog in bewaring te houden, maar onder bijzondere omstandigheden kan het belang van verweerder zwaarder wegen dan het belang van de vreemdeling. Volgens vaste jurisprudentie is daarvan onder meer sprake wanneer de vreemdeling het onderzoek ter vaststelling van zijn identiteit en nationaliteit frustreert.

9. De rechtbank kan verweerder volgen in diens standpunt dat in casu sprake is van frustratie van het onderzoek door eiser. Daarbij heeft de rechtbank in overweging genomen dat niet is gebleken dat eiser zelf iets heeft gedaan wat zou kunnen bijdragen aan de bespoediging van het onderzoek naar zijn identiteit en nationaliteit, ondanks het feit dat hij op grond van artikel 5:20 van de Algemene wet bestuursrecht verplicht is aan een dergelijk onderzoek zijn medewerking te verlenen. Eiser heeft voorts niet gereageerd op een tweetal aan hem verzonden vorderingen om nadere informatie te verstrekken omtrent zijn identiteit en nationaliteit. Door deze non-coöperatieve houding heeft eiser het onderzoek naar zijn identiteit en nationaliteit (welbewust) aanzienlijk vertraagd.

10. Ook overigens is de rechtbank van oordeel, gelet op de stukken en het verhandelde ter zitting, dat de voortduring van de bewaring tot aan het moment van opheffing niet in strijd was met de Vw 2000 en evenmin bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid ongerechtvaardigd was te achten. Eisers beroep op het vonnis van de voorzieningenrechter in kort geding van 11 december 2006 (KG 06/1258) brengt hierin geen verandering. Dienaangaande wordt als volgt overwogen.

11. Uit de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 28 april 2005 (200410273/1), 6 december 2005 (200509462/1) en 17 februari 2006 (200600419/1), volgt dat de rechtbank zich bij de beoordeling dient te beperken tot het geven van een oordeel over de aanwijzing van de plaats of ruimte voor de uitvoering van de maatregel, bezien in het licht van het daar geldende regime. Daarbij gaat het om de aanwijzing van de inrichtingscategorie waartoe die plaats of ruimte behoort, zoals in dit geval een huis van bewaring, waarvoor bij algemeen verbindend voorschrift is bepaald dat daarin personen in vreemdelingenbewaring kunnen worden opgenomen en waarvoor een regime is vastgesteld. Klachten die betrekking hebben op het regime op de locatie waar de maatregel van bewaring ten uitvoer wordt gelegd vallen buiten het onderhavige toetsingskader en kunnen dan ook niet leiden tot gegrondverklaring van het beroep.

12. De rechtank stelt vast dat het door eiser overgelegde vonnis van de voorzieningenrechter in kort geding van 11 december 2006 (KG 06/1258), voor zover daarin is bepaald dat het in beginsel is verboden om vreemdelingen langer dan zes maanden in bewaring te houden op de detentieboten, betrekking heeft op de tenuitvoerlegging van de bewaring onder het regime op de detentieboten. Aldus is het beroep van eiser in dit verband gestoeld op de toepassing van het regime op de locatie waar de maatregel van bewaring ten uitvoer wordt gelegd. Zoals blijkt uit het voorgaande kan een dergelijk beroep ingevolge Afdelingsjurisprudentie evenwel geen rol spelen bij de beoordeling van het voortduren van de bewaring.

13. Gelet op het voorgaande kan in hetgeen namens eiser is aangevoerd geen grond worden gevonden voor de conclusie dat de bewaring onrechtmatig is geworden voorafgaand aan de opheffing daarvan.

14. Het namens eiser ingediende verzoek om schadevergoeding zal derhalve worden afgewezen, zulks onder ongegrondverklaring van het beroep.

15. Voor een veroordeling van één der partijen in de door de andere partij gemaakte kosten bestaat geen aanleiding.

16. Beslist wordt als volgt.

Beslissing

De rechtbank,

- verklaart het beroep ongegrond;

- wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Aldus gedaan door mr. A.F.C.J. Mosheuvel als voorzitter en mrs. A.B.M. Hent en

J.R. van Es-de Vries als leden van de meervoudige kamer en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van H.J. Renders als griffier op 22 december 2006.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde advocaten

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature