E-mail deze uitspraak

Uitspraak waar naar gelinkt wordt vanuit de e-mail die gestuurd zal worden:

ECLI:NL:RBSGR:2006:AZ5104
LJN AZ5104, Rechtbank 's-Gravenhage, AWB 06/51734, AWB 06/51732

Inhoudsindicatie:

Intrekking verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd / ongewenstverklaring / strijd met 8 EVRM.

Verzoeker heeft een verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd. Verzoeker pleegt (in België) een misdrijf waarvoor hij wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van acht jaar. Gelet hierop besluit verweerder verzoekers eerder verleende verblijfsvergunning in te trekken en hem ongewenst te verklaren.

Verzoeker dient uiteindelijk een beroepschrift in en verzoekt om een voorlopige voorziening. Verzoek wordt op zitting gepland. De voorzieningenrechter besluit om kort te sluiten als bedoeld in artikel 8:86 van de Awb .

Verzoeker heeft in beroep onder meer aangevoerd dat verweerder ten onrechte zijn verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd heeft ingetrokken en hem ten onrechte ongewenst heeft verklaard. Verweerder had namelijk het bestreden besluit niet mede mogen baseren op het deskundigenadvies van het Openbaar Ministerie omdat dit niet voldoet aan de daaraan gestelde vereisten. Het besluit is dan ook in strijd met artikel 3:2 van de Awb . Voorts is het bestreden besluit volgens verzoeker in strijd is met artikel 9 van het IVRK en artikel 8 van het EVRM .

De kern van de overwegingen en de beslissing van de voorzieningenrechter zijn als volgt.

Verzoeker is in België tot 8 jaar gevangenisstraf veroordeeld. Uit het deskundigenbericht van de Nederlandse officier van justitie is gebleken dat, gelet op de door verzoeker gepleegde als zeer ernstig te kwalificeren strafbare feiten, een strafeis bij vervolging in Nederland van (ook) 8 jaar tot de reële mogelijkheden zou behoren Er bestaat geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van het deskundigenbericht. Verweerder heeft op goede gronden de eerder aan verzoeker verleende verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd ingetrokken en was op grond van artikel 67, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000, bevoegd verzoeker ongewenst te verklaren.

Verzoekers beroep op artikel 9 van het IVRK kan niet slagen nu in casu geen sprake is feitelijke gedwongen scheiding van overheidswege. Voor zover verzoeker met verwijzing naar de memorie van toelichting van de betreffende ratificatiewet heeft beoogd te stellen dat sprake is van ontoelaatbare “deportatie”, volgt de voorzieningenrechter dit niet, omdat bij uitzetting van verzoeker zijn kinderen (en echtgenote) in de gelegenheid zullen worden gesteld verzoeker te vergezellen.

Met betrekking tot het beroep op artikel 8 van het EVRM overweegt de voorzieningrechter als volgt.

Tussen partijen is niet in geschil dat er sprake is van gezinsleven noch dat in dit geval sprake is van inmenging in de uitoefening van het recht op eerbiediging van dat gezinsleven. In het kader van de in voormeld geval door verweerder uit te voeren belangenafweging en met inachtneming van de in het arrest van het EHRM inzake Boultif (2 augustus 2001, 54273/00) genoemde guiding principles heeft de voorzieningenrechter geoordeeld dat gelet op de gebleken feiten een zwaarwegende belemmering voor de echtgenote en met name voor de kinderen bestaat om Nederland te verlaten en te vertrekken naar een land waarmee de kinderen feitelijk geen andere binding hebben dan de afkomst van hun ouders. De kinderen zijn op zeer jonge leeftijd naar Nederland gekomen of in Nederland geboren. Zij verblijven inmiddels 12 jaar in Nederland, hebben allen de Nederlandse nationaliteit en spreken alleen Nederlands als hun moedertaal. De voorzieningenrechter is gelet op het voorgaande van oordeel dat van verzoekers echtgenote, en met name van de kinderen, in redelijkheid niet verlangd kan worden dat zij verzoeker naar Georgië volgen. Anderzijds acht de voorzieningenrechter de keuze voor de echtgenote en de kinderen om – gescheiden van verzoeker – in Nederland te blijven evenmin reëel en in strijd met de essentie van artikel 8 van het EVRM . Ook het enkele vernietigen van het besluit tot ongewenstverklaring, zodat verzoeker de mogelijkheid zou behouden zijn gezin in Nederland te bezoeken is niet mogelijk nu dan de feitelijke uitoefening van het gezinsleven zou worden beëindigd. Gelet op het arrest van het EHRM inzake Sezen van 31 januari 2006 (JV 2006, 89) kan dit in het onderhavige geval, waarin sprake is van een bestaand gezinsleven en niet van een situatie van echtscheiding, niet worden aanvaard.

Tegen deze achtergrond heeft verweerder naar het oordeel van de voorzieningenrechter de belangenafweging niet in redelijkheid in het nadeel van verzoeker kunnen laten uitvallen en derhalve in redelijkheid niet kunnen besluiten tot intrekking van verzoekers verblijfsvergunning en tot ongewenstverklaring van verzoeker.

Gelet hierop komt het bestreden besluit voor vernietiging in aanmerking wegens strijd met het bepaalde in artikel 8 van het EVRM .

Het beroep is derhalve gegrond, bestreden besluit wordt vernietigd, vergoeding proceskosten en griffierecht.

Het verzoek, dat ertoe strekt de werking van het bestreden besluit te schorsen hangende het beroep, wordt, nu bij deze uitspraak op het onderhavige beroep wordt beslist, afgewezen.

Van


Aan


Opmerkingen (optioneel)


E-mail

Terug

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie