< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:

Inhoudsindicatie:

Mvv-vereiste/Aanvraag ouder mede gedaan t.b.v. minderjarig kind.

Verzoeker is een veertienjarige jongen van Marokkaanse nationaliteit, die sinds 1996 in Nederland verblijft. Verweerder heeft de aanvraag afgewezen op grond van het mvv-vereiste.

Op grond van de omstandigheid dat aan de moeder van verzoeker na inreis in Nederland een verblijfsvergunning is verleend, kan worden aangenomen dat die inreis legaal is geweest, hetzij omdat zij in het bezit was van een mvv, mede geldig voor verzoeker, hetzij omdat het ontbreken van een mvv niet kon worden tegengeworpen gelet op de uitspraak van de Rechtseenheidskamer van deze rechtbank van 16 maart 1995 (LJN: ZA1105). De overweging in het bestreden besluit dat de vader van verzoeker door hem Nederland in te laten reizen zonder in het bezit te zijn van een geldige mvv welbewust het risico heeft aanvaard dat aan verzoeker geen verblijf zou worden toegestaan, berust derhalve op een onjuiste feitelijke grondslag.

Gelet op het in 1996 en 1997 geldende beleid, zoals neergelegd in A4/6.1.2 Vreemdelingencirculaire 1994, en gezien de daarin opgenomen modellen voor het aanvragen van een verblijfsvergunning regulier alsmede de voorzieningenrechter ambtshalve bekende uitvoeringspraktijk destijds, werd een aanvraag van een ouder door de Korpschef doorgaans aangemerkt als mede te zijn gedaan ten behoeve van het minderjarige kind. De vervolgens aan die ouder verleende verblijfsvergunning was dan tevens geldig voor het kind. Dit in aanmerking genomen, had het op verweerders weg gelegen te onderzoeken of de aanvraag van de moeder destijds mede gedaan is ten behoeve van verzoeker c.q. de aan haar verleende verblijfsvergunning tevens voor hem geldig was en, zo dat niet het geval zou zijn, na te gaan wat daarvan de reden is geweest. Nu verweerder een en ander heeft nagelaten is het besluit niet met de vereiste zorgvuldigheid tot stand gekomen.

Verweerder zal in bezwaar alsnog nader onderzoek dienen te verrichten. Indien dat onderzoek verweerder tot de conclusie brengt dat het mvv-vereiste geldt, zal verweerder bij de beoordeling of de toepassing van dat vereiste een onbillijkheid van overwegende aard oplevert, er onder meer niet aan voorbij kunnen gaan dat verzoeker legaal Nederland is ingereisd, sindsdien tien jaar in Nederland verblijft, al die tijd in de registers van de GBA ingeschreven heeft gestaan, hier naar school gaat en hij er groot belang bij heeft zijn opleiding zonder onderbreking te vervolgen.

Het bezwaar heeft een redelijke kans van slagen. Toewijzing verzoek.

Uitspraak



’s-GRAVENHAGE

Sector bestuursrecht

Nevenzittingsplaats Haarlem

zaaknummer: AWB 06 / 33121

uitspraak van de voorzieningenrechter van 30 november 2006

in de zaak van:

[verzoeker],

geboren op [geboorte datum] 1992, van Marokkaanse nationaliteit,

verzoeker, ook aan te duiden als [naam],

gemachtigde: mr. J.R. Jurriaans, advocaat te Leiden,

tegen:

de minister van Vreemdelingenzaken en Intregratie,

verweerder,

gemachtigde: mr. W.A. Kleingeld, werkzaam bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst te

’s-Gravenhage.

1. Procesverloop

1.1 Verzoeker heeft op 20 juni 2005 een aanvraag ingediend tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd voor het doel verblijf bij ouder [naam ouder], hierna te noemen: de vader. Verweerder heeft de aanvraag bij besluit van 23 juni 2006 afgewezen. Verzoeker heeft tegen het besluit op 7 juli 2006 bezwaar gemaakt.

1.2 Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat het bezwaar de werking van het besluit niet opschort. Verzoeker heeft op 6 juli 2006 gevraagd een voorlopige voorziening te treffen. Hij verzoekt verweerder te verbieden hem uit te zetten voordat verweerder op het bezwaar heeft beslist.

1.3 Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

1.4 De openbare behandeling van het geschil heeft plaatsgevonden op 14 november 2006. Verzoeker is vertegenwoordigd door zijn vader, bijgestaan door de gemachtigde van verzoeker. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde.

2. Overwegingen

2.1 Indien voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank tegen een besluit bezwaar is gemaakt, kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd kan worden in de hoofdzaak, ingevolge artikel 8:81, eerste lid, Algemene wet bestuursrecht (Awb) op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

2.2 Ingevolge artikel 16, eerste lid, aanhef en onder a, Vw kan een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd worden afgewezen, indien de vreemdeling niet beschikt over een geldige machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) die overeenkomt met het verblijfsdoel waarvoor de verblijfsvergunning is aangevraagd (het mvv-vereiste).

2.3 Regels over de toepassing van deze afwijzingsgrond zijn neergelegd in het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb). Ingevolge artikel 3.71, eerste lid, Vb wordt de aanvraag tot het verlenen van de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in artikel 14 Vw , afgewezen, indien de vreemdeling niet beschikt over een geldige mvv. Ingevolge artikel 3.71, vierde lid, Vb kan verweerder het eerste lid van artikel 3.71 Vb buiten toepassing laten, voorzover toepassing daarvan naar zijn oordeel zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard (de zogenaamde hardheidsclausule).

2.4 In de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc) heeft verweerder beleidsregels over toepassing van deze wettelijke bepalingen vastgesteld. In B1/2.2.1 Vc heeft verweerder neergelegd dat het de bedoeling is dat van de bevoegdheid om tot toepassing van de hardheidsclausule over te gaan alleen gebruik wordt gemaakt in zeer bijzondere gevallen.

2.5 Verweerder heeft de aanvraag afgewezen, omdat verzoeker niet beschikt over een geldige mvv. Volgens verweerder leiden de namens verzoeker aangevoerde omstandigheden niet tot het oordeel dat toepassing van het mvv-vereiste in zijn geval zou leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard. De weigering om aan verzoeker verblijf toe te staan betekent volgens verweerder geen schending van het recht op gezinsleven als bedoeld in artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).

2.6 Verzoeker heeft zich op het standpunt gesteld dat er voldoende bijzonderheden aanwezig zijn om het mvv-vereiste op grond van de hardheidsclausule buiten toepassing te laten. Verzoeker heeft hiertoe onder meer het volgende aangevoerd. [verzoeker] heeft geen familie in Marokko die hem kan opvangen. Van zijn ouders kan in redelijkheid niet worden verwacht dat zij hun twee andere kinderen - die de Nederlandse nationaliteit hebben - in Nederland achterlaten, of meenemen naar Marokko om een mvv voor [verzoeker] aan te vragen en de beslissing daarop af te wachten. Verweerder heeft bij de toetsing aan artikel 8 EVRM onvoldoende gemotiveerd waarom de belangen van [verzoeker] niet zwaarder zouden moeten wegen dan die van verweerder. [verzoeker] voldoet al vele jaren aan de vereisten voor gezinsvorming, is ingeburgerd in Nederland, gaat naar school en spreekt vrijwel uitsluitend Nederlands. Het bestreden besluit is in strijd met artikel 16, eerste lid, aanhef en onder b, van de Richtlijn 2003 /86/EG van de Raad van 22 september 2003 inzake het recht op gezinshereniging en met het Verdrag inzake de rechten van het kind. Het is van belang dat [verzoeker] en zijn ouders gehoord worden voordat verweerder op het bezwaar beslist.

De voorzieningenrechter overweegt als volgt.

2.7 Bij de aanvraag heeft de vader van verzoeker een brief overgelegd van - onder meer - de volgende inhoud. (...) [verzoeker], geboren [geboorte datum] 1992, is op 4-jarige leeftijd met zijn moeder naar Nederland gereisd. Sedertdien heeft hij feitelijk in Nederland gewoond om gezinsverband met zijn ouders, tot welke gezin mede behoren zijn 2 jongere kinderen van beide ouders, in Nederland geboren (...) Er is een goed gezinsleven met zijn ouders en broer en zus. [verzoeker] is blijkens bijgaand uittreksel uit het GBA sedert zijn aankomst in Nederland ingeschreven in de Bevolkingsregisters. Verzoeker wist niet beter dan dat hij aldus had voldaan aan de verplichting tot melding van zijn minderjarige zoon in overeenstemming met de toenmaals geldende wettelijke regels. [verzoeker] is opgenomen in de Nederlandse maatschappij, gaat hier naar school en spreek bij voorkeur of vrijwel uitsluitend Nederlands. Hij kent Marokko niet. [verzoeker] is het enige lid uit het gezin van 5 dat niet voldoet aan de vereisten voor verblijf. Vasthouden aan het verkrijgen van een machtiging tot voorlopig verblijf zou betekenen dat hij terug moet naar Marokko. Aangezien hij te jong is om alleen te reizen en vreemd is in Marokko, zou een van zijn ouders met hem moeten meereizen naar Marokko en aldaar verblijven tot dat de machtiging tot voorlopig verblijf zal zijn gegeven. Ook al zou het teruggaan naar Marokko van tijdelijke aard zijn, dan nog zou die eis leiden tot een onaanvaardbare inmenging in het gezinsleven, aangezien die tijdelijkheid dermate lang kan duren dat sprake is van strijd met het recht op en respecteren van het gezinsleven.

2.8 Ter zitting is daar door de vader van verzoeker het volgende aan toegevoegd. De vader is in 1979 met zijn ouders naar Nederland gekomen. Toen hij achttien jaar oud was, is aan hem een vergunning tot vestiging verleend. Hij is vanaf 1990 bij zijn huidige werkgever in dienst. Toen zijn echtgenote in 1996 met [verzoeker] naar Nederland kwam, was zij in het bezit van de vereiste documenten. [verzoeker] stond en staat nog steeds ingeschreven in het paspoort van zijn moeder. Direct na aankomst hebben [verzoeker] en zijn moeder zich bij de Vreemdelingendienst gemeld en hebben zij zich ingeschreven in de Gemeentelijke Basisadministratie. Aan zijn echtgenote is binnen twee maanden een verblijfsvergunning verleend. Zijn echtgenote en hij hebben voor [verzoeker] geen aparte verblijfsvergunning aangevraagd, omdat ze niet wisten dat dit nodig was. Op enig moment heeft de gemeente de vader van verzoeker erop gewezen dat hij voor [verzoeker] een zelfstandige verblijfsvergunning aan moest vragen, omdat hij ouder was dan twaalf jaar. Vervolgens heeft hij de onderhavige aanvraag ingediend.

2.9 Nu verweerder de door vader gestelde feiten en omstandigheden niet heeft betwist neemt de voorzieningenrechter deze als vaststaand aan.

2.10 Op grond van de omstandigheid dat aan de moeder van [verzoeker] na inreis in Nederland een verblijfsvergunning is verleend kan worden aangenomen dat die inreis legaal is geweest, hetzij omdat zij in het bezit was van een mvv, mede geldig voor [verzoeker], hetzij omdat het ontbreken van een mvv niet kon worden tegengeworpen gelet op de uitspraak van de Rechtseenheidskamer van deze rechtbank van 16 maart 1995 (LJN: ZA1105). De overweging in het bestreden besluit dat de vader door [verzoeker] Nederland in te laten reizen zonder in het bezit te zijn van een geldige mvv welbewust het risico heeft aanvaard dat aan [verzoeker] geen verblijf zou worden toegestaan, berust derhalve op een onjuiste feitelijke grondslag.

2.11 De voorzieningenrechter is voorts van oordeel dat verweerder, gelet op de hierboven weergegeven feiten en omstandigheden, niet zonder nader onderzoek de aanvraag heeft kunnen afwijzen. Hierbij is het volgende in aanmerking genomen.

2.12 Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is duidelijk geworden dat de vader van verzoeker er steeds vanuit is gegaan dat [verzoeker] rechtmatig verblijf in Nederland had.

Gelet op het in 1996 en 1997 geldende beleid, zoals neergelegd in A4/6.1.2 Vreemdelingencirculaire 1994 (Vc oud), en gezien de in de Vc oud opgenomen modellen voor het aanvragen van een verblijfsvergunning regulier alsmede de voorzieningenrechter ambtshalve bekende uitvoeringspraktijk destijds, werd een aanvraag van een ouder door de Korpschef doorgaans aangemerkt als mede te zijn gedaan ten behoeve van het minderjarige kind. De vervolgens aan die ouder verleende verblijfsvergunning was dan tevens geldig voor het kind. Dit in aanmerking genomen, had het op verweerders weg gelegen te onderzoeken of de aanvraag van de moeder destijds mede gedaan is ten behoeve van [verzoeker] c.q. de aan haar verleende verblijfsvergunning tevens voor hem geldig was en, zo dat niet het geval zou zijn, na te gaan wat daarvan de reden is geweest. Nu verweerder een en ander heeft nagelaten is het besluit niet met de vereiste zorgvuldigheid tot stand gekomen.

2.13 Verweerder zal in bezwaar alsnog nader onderzoek dienen te verrichten. Indien dat onderzoek verweerder tot de conclusie brengt dat het mvv-vereiste geldt, zal verweerder bij de beoordeling of de toepassing van dat vereiste een onbillijkheid van overwegende aard oplevert, er onder meer niet aan voorbij kunnen gaan dat verzoeker legaal Nederland is ingereisd, sindsdien tien jaar in Nederland verblijft, al die tijd in de registers van de GBA ingeschreven heeft gestaan, hier naar school gaat en hij er groot belang bij heeft zijn opleiding zonder onderbreking te vervolgen.

2.14 Het vorenstaande leidt tot het oordeel dat het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft en het verzoek voor toewijzing in aanmerking komt.

2.15 De voorzieningenrechter zal een voorlopige voorziening treffen.

2.16 De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding artikel 78 Vw toe te passen.

2.17 De voorzieningenrechter zal met toepassing van artikel 8:75, eerste en derde lid, Awb verweerder veroordelen in de kosten die verzoeker heeft gemaakt en de rechtspersoon aanwijzen die de kosten moet vergoeden. De kosten zijn ingevolge het Besluit proceskosten bestuursrecht € 644,- (1punt voor het verzoekschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, wegingsfactor 1). Omdat aan verzoeker een toevoeging is verleend krachtens de Wet op de rechtsbijstand, moet dit bedrag ingevolge artikel 8:75, tweede lid, Awb worden betaald aan de griffier.

2.18 Met toepassing van artikel 8:82, vierde lid, Awb zal de voorzieningenrechter de Staat der Nederlanden aanwijzen als rechtspersoon die het betaalde griffierecht moet vergoeden.

3. Beslissing

De voorzieningenrechter:

3.1 verbiedt verweerder verzoeker uit te zetten tot vier weken nadat verweerder op het bezwaar zal hebben beslist;

3.2 veroordeelt verweerder in de kosten ad € 644,- en draagt de Staat der Nederlanden op deze kosten aan de griffier van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Haarlem, te voldoen;

3.3 draagt de Staat der Nederlanden op het betaalde griffierecht ad € 141,- aan verzoeker te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. H.C. Greeuw, voorzieningenrechter, en op 30 november 2006 in het openbaar uitgesproken, in tegenwoordigheid van mr. A.P.M. van Dullemen, griffier.

afschrift verzonden op:

Coll:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen gewoon rechtsmiddel open.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature