< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak




U dient ingelogd te zijn om favorieten te kunnen toevoegen aan Mijn Jure
U kunt zich hier gratis registreren
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:

Inhoudsindicatie:

Spoedeisend belang bij schorsing besluit tot ongewenstverklaring/Geen belang bij toetsing afwijzing aanvraag verblijfsvergunning zolang de vreemdeling ongewenst is verklaard.

De voorzieningenrechter zal beoordelen of verzoeker belang heeft bij de, in verband met het besluit tot ongewenstverklaring, verzochte voorlopige voorzieningen.

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft verzoeker (spoedeisend) belang bij het verzoek tot schorsing van het besluit tot ongewenstverklaring, reeds vanwege het feit dat, zoals in het besluit ook is aangegeven, een rechtsgevolg van dat besluit is dat (verder) verblijf hier te lande van de vreemdeling strafbaar is op grond van artikel 197 Wetboek van Strafrecht. Verzoeker heeft ook (spoedeisend) belang bij het verzoek om verweerder te verbieden hem uit te zetten voordat verweerder op het bezwaar van 22 juni 2006 heeft beslist. Niet in te zien valt dat reeds vanwege het feit dat bij bezwaar tegen een besluit tot ongewenstverklaring een rechtelijk verbod tot uitzetting niet leidt tot rechtmatig verblijf op grond van artikel 8 Vw de vreemdeling er geen belang meer bij heeft om de behandeling van het bezwaar tegen dat besluit in Nederland te kunnen afwachten. De voorzieningenrechter zal derhalve de verzochte voorlopige voorziening beoordelen.

Ten aanzien van het verzoek om verweerder te verbieden hem uit te zetten voordat verweerder heeft beslist op het bezwaar tegen het besluit van 16 juni 2006, waarbij verzoekers aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier is afgewezen, oordeelt de voorzieningenrechter als volgt.

Zoals de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft overwogen in zijn uitspraak van 6 juli 2006, kenmerk 200510434/1, heeft een vreemdeling bij een beroep tegen een besluit over een aanvraag tot verlening van een verblijfsvergunning geen belang zolang hij ongewenst is verklaard, omdat een ongewenst verklaarde vreemdeling in afwijking van artikel 8 Vw geen rechtmatig verblijf kan hebben. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter geldt hetzelfde voor een bezwaar tegen een besluit over een aanvraag tot verlening van een verblijfsvergunning zolang de vreemdeling ongewenst is verklaard. Aangezien verzoeker bij besluit van 16 juni 2006 ongewenst is verklaard, heeft verzoeker daarom geen belang bij de verzochte voorlopige voorziening.

Uitspraak



RECHTBANK ’s-GRAVENHAGE

Sector bestuursrecht

Nevenzittingsplaats Haarlem

zaaknummer: AWB 06 / 30409, AWB 06 / 31548

uitspraak van de voorzieningenrechter van 30 november 2006

in de zaak van:

[verzoeker],

geboren op [geboorte datum] 1967, afkomstig uit de Federatieve Republiek Joegoslavië,

verzoeker,

gemachtigde: drs. F.W. King, rechtskundig adviseur te Leiden,

tegen:

de minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie,

verweerder,

gemachtigde: mr. T. Hartsuiker, werkzaam bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst te

’s-Gravenhage.

1. Procesverloop

1.1 Verzoeker heeft op 10 maart 2005 een aanvraag ingediend tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd conform beschikking minister, ex artikel 3.4, derde lid, Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb). Verweerder heeft de aanvraag bij besluit van 16 juni 2006 afgewezen. Verzoeker heeft tegen het besluit op 27 juni 2006 bezwaar gemaakt.

1.2 Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat het bezwaar de werking van het besluit niet opschort. Verzoeker heeft op 28 juni 2006 gevraagd een voorlopige voorziening te treffen (AWB 06/31548). Hij verzoekt verweerder te verbieden hem uit te zetten voordat verweerder op het bezwaar van 27 juni 2006 heeft beslist.

1.3 Bij besluit van 16 juni 2006 is verzoeker ongewenst verklaard. Verzoeker heeft op 22 juni 2006 tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Verzoeker heeft voorts op 22 juni 2006 gevraagd een voorlopige voorziening te treffen (AWB 06/31548). Hij verzoekt verweerder te verbieden hem uit te zetten voordat verweerder op het bezwaar van 22 juni 2006 heeft beslist.

1.4 De openbare behandeling van de geschillen heeft plaatsgevonden op 16 november 2006. Verzoeker is in persoon verschenen, vertegenwoordigd door zijn gemachtigde. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde.

2. Overwegingen

2.1 Indien voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank tegen een besluit bezwaar is gemaakt, kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd kan worden in de hoofdzaak, ingevolge artikel 8:81, eerste lid, Algemene wet bestuursrecht (Awb) op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

Feiten.

2.2 De voorzieningenrechter gaat bij de beoordeling uit van de volgende feiten.

Verzoeker heeft op 22 juni 1999 een aanvraag om toelating als vluchteling ingediend, welke aanvraag bij besluit van 30 augustus 2001 is afgewezen. Het hiertegen ingediende beroep is bij uitspraak van 10 maart 2003 (AWB 01/49951) door deze rechtbank, nevenzittingsplaats Amsterdam ongegrond verklaard. Hiertegen heeft verzoeker op 6 april 2003 hoger beroep ingesteld. Bij uitspraak van 19 juni 2003 (kenmerk 200302224/1) heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) de aangevallen uitspraak bevestigd. Op 7 april 2003 heeft verzoeker een beroep gedaan op verweerders zogeheten driejarenbeleid in asielprocedures. Bij uitspraak van 23 december 2005 (AWB 05/19683) heeft deze rechtbank, nevenzittingsplaats Amsterdam het beroep tegen het besluit waarbij de aanvraag tot verlening van een verblijfsvergunning regulier onder de beperking driejarenbeleid is afgewezen, gegrond verklaard en het besluit vernietigd met instandlating van de rechtsgevolgen. Op 11 juni 2003 heeft verzoeker tevens een aanvraag voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking verblijf bij partner ingediend. Bij besluit van 5 augustus 2003 is deze aanvraag afgewezen. Bij uitspraak van 17 januari 2005 (AWB 04/36307) heeft deze rechtbank, nevenzittingsplaats Amsterdam het beroep ongegrond verklaard en de verzochte voorlopige voorziening afgewezen.

Voorts is verzoeker bij onherroepelijk geworden vonnis van 10 april 2000 door het Gerechtshof te Arnhem terzake van diefstal (artikel 311 van het Wetboek van Strafrecht ) veroordeeld tot het verrichten van onbetaalde arbeid ten algemene nutte voor de duur van 60 uren, subsidiair een maand onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Bij onherroepelijk geworden vonnis van 20 mei 2001 is verzoeker door de Politierechter te Haarlem in verband met een winkeldiefstal (artikel 310 van het Wetboek van Strafrecht ) veroordeeld tot een transactie van NGL. 750,-. Bij onherroepelijk geworden vonnis van 17 augustus 2001 is verzoeker terzake een diefstal (artikel 310 Wetboek van Strafrecht ) door de politierechter van Maastricht veroordeeld tot een transactie van NGL. 800,-. Bij onherroepelijk geworden vonnis van 21 februari 2002 is verzoeker in verband met een diefstal (artikel 310 van het Wetboek van Strafrecht ) door de politierechter te Leeuwarden veroordeeld tot een transactie van EUR. 377,-. Bij onherroepelijk geworden vonnis van 10 april 2004 is verzoeker ook voor een diefstal (artikel 310 van het Wetboek van Strafrecht ) door de politierechter te ’s-Gravenhage veroordeeld tot het verrichten van onbetaalde arbeid ten algemene nutte voor de duur van 30 uren, subsidiair 15 dagen hechtenis en 1 week voorwaardelijke gevangenisstraf.

Verzoeker heeft een relatie met mevrouw [naam], die de Nederlandse nationaliteit heeft.

Standpunten

2.3 Verweerder heeft zich in de bestreden besluiten op de volgende, verkort weergegeven, standpunten gesteld. Verzoeker is bij herhaling veroordeeld voor het plegen van strafbare feiten, zodat wordt aangenomen dat hij een gevaar vormt voor de openbare orde. Verzoeker is op grond van artikel 67, eerste lid, aanhef en onder c, Vw ongewenst verklaard. De door verzoeker aangevoerde omstandigheden, waaronder de omstandigheid dat hij sinds 1999 in Nederland verblijft en zijn gezinsleven met mevrouw [naam], vormen onvoldoende aanleiding om van de ongewenstverklaring af te zien. Hetgeen verzoeker in het kader van artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) heeft aangevoerd, is aan te merken als asielgerelateerde grond en kan in de onderhavige procedure niet ter beoordeling staan. Verzoekers stelling dat hij geen gevaar vormt voor de openbare orde wordt evenmin gevolgd. Verzoeker is immers meerdere malen veroordeeld voor strafbare feiten. Dat niet sprake is van geweldsmisdrijven en dat sinds het plegen van het laatste misdrijf enkele jaren zijn verstreken, doet hier niet aan af. Voorts vormt de ongewenstverklaring geen schending van artikel 8 EVRM. Ook is niet gebleken van bijzondere feiten of omstandigheden die ertoe nopen op grond van artikel 4:84 Awb van de ongewenstverklaring af te zien.

Verzoekers aanvraag voor een verblijfsvergunning regulier conform beschikking minister is afgewezen, omdat hij vanwege de ongewenstverklaring geen rechtmatig verblijf in Nederland kan hebben.

2.4 Verzoeker heeft hier – samengevat en voor zover voor de beoordeling van de verzoeken van belang – in bezwaar het volgende tegen aangevoerd. Verweerder heeft verzoeker ten onrechte ongewenst verklaard. De ongewenstverklaring is in strijd met het proportionaliteitsbeginsel. Het voorgaande klemt te meer omdat artikel 67 Vw een kan-bepaling bevat zodat verweerder de vrijheid heeft om een belangenafweging te maken. Verweerder heeft verzoekers belangen onvoldoende meegewogen. Voorts is verzoeker niet samen met zijn gemachtigde gehoord en is het afschrift van het gehoor van 3 juni 2005 niet met het bestreden besluit meegezonden. Verzoeker is derhalve op 3 juni 2005 op een ondeugdelijke wijze gehoord. Verzoeker wenst nogmaals te worden gehoord in bezwaar. Voorts vreest verzoeker bij terugkeer naar zijn land van herkomst in een situatie in strijd met artikel 3 EVRM te geraken. Verzoeker vreest namelijk te worden opgepakt omdat hij de militaire dienstplicht in zijn land van herkomst niet heeft vervuld. Ook betekent de ongewenstverklaring een schending van artikel 8 EVRM omdat verzoeker zijn gezinsleven niet in Nederland kan voortzetten.

Voorts dient verzoeker in verband met de door hem aangevoerde bijzondere omstandigheden in aanmerking te komen voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd, conform beschikking minister. Verweerder heeft ten onrechte de ongewenstverklaring in de reguliere procedure tegengeworpen.

2.5 Ter zitting heeft verzoeker tevens aangevoerd dat de ongewenstverklaring een inbreuk vormt op het gezinsleven dat hij onderhoudt met zijn twee dochters, uit zijn relatie met mevrouw [naam]. Ten slotte stelt verzoeker dat hij bij terugkeer naar zijn land van herkomst een reëel risico loopt op een met artikel 3 EVRM strijdige behandeling door zijn medeburgers.

2.6 Ter zitting heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat verzoeker geen belang heeft bij de verzochte voorlopige voorzieningen aangezien hij ongewenst is verklaard en hij daardoor geen rechtmatig verblijf kan hebben.

Verzoeker heeft ter zitting het petitum van de voorlopige voorziening van 22 juni 2006 aangevuld, in die zin dat hij naast een verbod om verzoeker hangende de behandeling van het bezwaar uit te zetten, tevens verzoekt om schorsing van het besluit van 16 juni 2006, waarbij verzoeker ongewenst is verklaard.

De voorzieningenrechter overweegt als volgt.

Ten aanzien van 06 / 30409

2.7 Ingevolge artikel 6:16 Awb schorst het door verzoeker ingediende bezwaar de werking van het besluit tot ongewenstverklaring niet op. De Vreemdelingenwet 2000 (Vw) bevat geen bepalingen, die in dit geval in afwijking van artikel 6:16 Awb schorsende werking aan het instellen van bezwaar verlenen. Verweerder heeft dan ook terecht geen schorsende werking aangenomen.

2.8 Verweerder heeft bezwaar gemaakt tegen de aanvulling ter zitting door verzoeker van het petitum. De voorzieningenrechter is echter van oordeel dat geen rechtsregel zich verzet tegen een aanvulling van het petitum van een voorlopige voorziening ter zitting, zodat de door verzoeker gedane aanvulling kan worden meegenomen.

2.9 De voorzieningenrechter zal vervolgens beoordelen of verzoeker belang heeft bij de, in verband met het besluit tot ongewenstverklaring, verzochte voorlopige voorzieningen.

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft verzoeker (spoedeisend) belang bij het verzoek tot schorsing van het besluit tot ongewenstverklaring, reeds vanwege het feit dat, zoals in het besluit ook is aangegeven, een rechtsgevolg van dat besluit is dat (verder) verblijf hier te lande van de vreemdeling strafbaar is op grond van artikel 197 Wetboek van Strafrecht.

Verzoeker heeft ook (spoedeisend) belang bij het verzoek om verweerder te verbieden hem uit te zetten voordat verweerder op het bezwaar van 22 juni 2006 heeft beslist. Niet in te zien valt dat reeds vanwege het feit dat bij bezwaar tegen een besluit tot ongewenstverklaring een rechterlijk verbod tot uitzetting niet leidt tot rechtmatig verblijf op grond van artikel 8 Vw de vreemdeling er geen belang meer bij heeft om de behandeling van het bezwaar tegen dat besluit in Nederland te kunnen afwachten. De voorzieningenrechter zal derhalve de verzochte voorlopige voorziening beoordelen.

2.10 Ingevolge artikel 67, aanhef en onder c, Vw kan een vreemdeling door onze minister ongewenst worden verklaard indien hij een gevaar vormt voor de openbare orde of nationale veiligheid en geen rechtmatig verblijf heeft als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e, dan wel l, Vw.

2.11 Ingevolge B1/2.2.4.4 Vc kan een vreemdeling met toepassing van artikel 67, eerste lid, onder c, Vw - onder meer - ongewenst worden verklaard in gevallen waarin hij bij herhaling is veroordeeld tot een (korte) gevangenisstraf of hem een taakstraf ter zake van een misdrijf is opgelegd, dan wel hij een transactieaanbod ter zake van een misdrijf heeft aanvaard. In B1/2.2.4.4 Vc is voorts neergelegd dat bij de toepassing van de ongewenstverklaring de persoonlijke belangen van de vreemdeling zorgvuldig worden afgewogen tegen het algemene belang, dat uit een oogpunt van openbare orde met de ongewenstverklaring is gediend.

2.12 Niet in geschil is dat verzoeker de onder rechtsoverweging 2.2 genoemde strafbare feiten heeft gepleegd en dat hij ten tijde van het plegen van voormelde misdrijven geen rechtmatig verblijf in Nederland had op een van de in artikel 8, onder a tot en met e dan wel l, Vw vermelde gronden.

2.13 De voorzieningenrechter is van oordeel dat verweerder op grond van artikel 67, eerste lid, aanhef en onder c, Vw, tot ongewenstverklaring van verzoeker heeft kunnen besluiten. Verweerder heeft, gelet op de in rechtsoverweging 2.2 weergegeven veroordelingen van verzoeker, aan het algemene belang dat uit een oogpunt van openbare orde met de ongewenstverklaring is gediend, meer gewicht kunnen toekennen dan aan het persoonlijke belang van verzoeker.

2.14 Verzoekers standpunt dat verweerder aan zijn persoonlijke belang doorslaggevend gewicht had moeten toekennen aangezien de delicten slechts lichte overtredingen betreffen en sinds het plegen van het laatste strafbare feit enige tijd is verstreken, wordt niet gevolgd. Uit de feiten, weergegeven in rechtsoverweging 2.2, blijkt dat verzoeker voor meerdere misdrijven is veroordeeld. Dat het geen geweldsdelicten betreft, doet daar niet aan af. In verzoekers stelling dat inmiddels enige tijd is verstreken sedert het plegen van de misdrijven, heeft verweerder evenmin aanleiding hoeven zien het algemene belang minder zwaar te achten dan het persoonlijk belang van verzoeker. Daarbij heeft verweerder terecht doorslaggevend belang toegekend aan de omstandigheid dat verzoeker nimmer rechtmatig verblijf in Nederland heeft gehad en hij, ondanks meerdere aanzeggingen daartoe, Nederland niet heeft verlaten. Verzoekers stelling dat de ongewenstverklaring disproportioneel is, wordt gezien het voorgaande evenmin gevolgd.

2.15 Ter beoordeling staat vervolgens of het besluit van verweerder om verzoeker ongewenst te verklaren in strijd is met artikel 3 EVRM . Verweerder heeft ter zitting aangegeven dat een beroep op artikel 3 EVRM , in tegenstelling tot hetgeen in het bestreden besluit is overwogen, wel in het kader van de ongewenstverklaring kan worden beoordeeld. Verweerder stelt zich echter onder verwijzing naar de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 10 maart 2003 op het standpunt dat verzoeker niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij terugkeer een reëel risico loopt op schending van artikel 3 EVRM .

2.16 De voorzieningenrechter is van oordeel dat hetgeen verzoeker thans heeft aangevoerd onvoldoende grond biedt voor het oordeel dat verzoeker bij uitzetting naar zijn land van herkomst een reëel risico loopt op een behandeling als verboden door 3 EVRM. In de uitspraak van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Amsterdam van 10 maart 2003 is reeds geoordeeld dat niet aannemelijk is dat verzoeker bij terugkeer naar zijn land van herkomst een reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 EVRM in verband met zijn dienstweigering. Deze uitspraak heeft inmiddels bij uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 19 juni 2003 formele rechtskracht gekregen. Verzoeker heeft in bezwaar geen nieuwe feiten of omstandigheden aangevoerd, die tot een ander oordeel zouden moeten leiden. Met betrekking tot de door verzoeker in verband met zijn dienstweigering ter zitting geuite vrees voor zijn medeburgers, oordeelt de voorzieningenrechter dat verzoeker onvoldoende heeft onderbouwd dat die vrees gegrond is.

2.17 Met betrekking tot verzoekers beroep op artikel 8 EVRM overweegt de voorzieningenrechter als volgt.

2.18 Vast staat dat tussen verzoeker en zijn huidige partner mevrouw [naam] sprake is van gezinsleven in de zin van artikel 8 EVRM en dat het bestreden besluit een inmenging vormt in het familie- en gezinsleven dat verzoeker heeft met mevrouw [naam].

2.19 Het tweede lid van artikel 8 EVRM bepaalt dat geen inmenging van enig openbaar gezag is toegestaan in de uitoefening van dit recht, dan voor zover bij de wet is voorzien en in een democratische samenleving noodzakelijk is in het belang van - samengevat - de bescherming van de openbare orde en veiligheid en het voorkomen van strafbare feiten. Partijen houdt verdeeld de vraag of inmenging in het recht op eerbiediging van het gezinsleven gerechtvaardigd is. De voorzieningenrechter beantwoordt die vraag bevestigend en overweegt daartoe het volgende.

2.20 In de uitspraak van het Europese Hof voor de rechten van de mens (EHRM) van 2 augustus 2001 in de zaak Boultif tegen Zwitserland (JV 2001/254) zijn richtinggevende uitgangspunten (‘guiding principles’) geformuleerd ten aanzien van de vraag of een maatregel van uitzetting noodzakelijk is, en met name ten aanzien van de problemen die echtgenoten/partners daardoor zouden ondervinden om samen te blijven en in het bijzonder de problemen voor een echtgeno(o)t(e) en/of kinderen om te gaan leven in het land van herkomst van de ander. Deze uitgangspunten betreffen:

- de aard en ernst van het vergrijp;

- de verblijfsduur;

- het verstreken tijdsverloop sinds het strafbare feit, alsmede het gedrag in die periode;

- de betrokken nationaliteiten;

- de gezinssituatie;

- de vraag of de echtgeno(o)t(e) al dan niet van het vergrijp op de hoogte was toen het gezinsleven ontstond;

- de aanwezigheid van kinderen en hun leeftijd; en

- de ernst van de moeilijkheden die de echtgeno(o)t(e) in het bestemmingsland naar verwachting zal ondervinden.

2.21 Allereerst volgt de voorzieningenrechter verzoeker niet in zijn stelling dat verweerder onvoldoende zijn belangen bij de besluitvorming heeft betrokken. Gezien de inhoud van het voornemen tot ongewenstverklaring en het bestreden besluit heeft verweerder hetgeen door verzoeker in dit verband is aangevoerd kenbaar in de belangenafweging betrokken. In het kader van die belangenafweging heeft verweerder met juistheid vastgesteld dat verzoeker het gezinsleven met zijn partner in Nederland is aangegaan, terwijl hij hier geen rechtmatig verblijf had. Voorts heeft verweerder betekenis kunnen toekennen aan de omstandigheid dat niet is gebleken van een objectieve belemmering om het gezinsleven in zijn land van herkomst uit te oefenen. De partner van verzoeker is immers in 1956 geboren in de Federatieve Republiek Joegoslavië en zij heeft daar tot 1993 gewoond. Verzoeker heeft niet gesteld en niet is gebleken dat zijn partner zich niet in de Federatieve Republiek Joegoslavië zal kunnen handhaven. Mede gelet op het vorenstaande heeft verweerder het belang van de Nederlandse staat bij bescherming van de openbare orde zwaarder mogen laten wegen dan het belang van verzoeker om zijn partner in Nederland te kunnen bezoeken.

2.22 Met betrekking tot hetgeen verzoeker eerst ter zitting bij de voorzieningenrechter heeft aangevoerd over het gezinsleven dat hij in Nederland onderhoudt met zijn twee dochters uit zijn vorige relatie met mevrouw [naam], overweegt de voorzieningrechter als volgt. Verweerder heeft met dit gestelde gezinsleven, omdat daarvan door verzoeker niet eerder melding is gemaakt, bij het bestreden besluit geen rekening gehouden. Voor een geslaagd beroep op artikel 8 EVRM heeft verzoeker het bestaan van dit gezinsleven vooralsnog onvoldoende onderbouwd.

2.23 Verzoekers standpunt dat verweerder onzorgvuldig heeft gehandeld doordat zijn gemachtigde niet is uitgenodigd voor het gehoor dat op 21 februari 2005 door een medewerker van de afdeling vreemdelingenzaken van de regiopolitie Kennemerland van verzoeker is afgenomen en verweerder het proces-verbaal van 3 juni 2005 van dat gehoor pas bij het bestreden besluit heeft toegezonden, volgt de voorzieningenrechter niet. Dat verzoeker in de procedure met betrekking tot het besluit tot ongewenstverklaring dezelfde gemachtigde heeft, als die namens verzoeker de aanvraag van 10 maart 2005 tot het verlenen van een verblijfsvergunning heeft ingediend, betekent niet dat verweerder diezelfde gemachtigde reeds ten tijde van het gehoor van 21 februari 2005 als gemachtigde van verzoeker heeft kunnen en hoeven aanmerken. Voorts heeft verzoeker niet aannemelijk gemaakt dat hij in zijn processuele belangen is geschaad doordat verweerder het proces-verbaal van dat gehoor eerst met het bestreden besluit aan zijn gemachtigde heeft toegezonden. Daarbij weegt de voorzieningenrechter mee dat verzoeker de gelegenheid heeft gehad het proces-verbaal van dat gehoor eerder zelf op te vragen, bij voorbeeld bij gelegenheid van de zienswijze op het voornemen tot ongewenstverklaring, en verzoeker ook in bezwaar de gelegenheid heeft om op de inhoud daarvan te reageren.

2.24 In het door verzoeker gestelde belang om in Nederland op zijn bezwaar gehoord te worden, ziet de voorzieningenrechter, afgezet tegen het algemeen belang om verzoeker uit te kunnen zetten, onvoldoende grond voor toewijzing van de gevraagde voorlopige voorzieningen. Daarbij neemt de voorzieningenrechter in aanmerking dat verzoeker ongewenst is verklaard, dat verzoeker hier te lande nimmer rechtmatig verblijf op grond van een verblijfsvergunning heeft gehad en hij geen gehoor heeft gegeven aan aanzeggingen van verweerder om Nederland te verlaten. Daarbij neemt de voorzieningenrechter voorts in aanmerking dat verzoekers gemachtigde wel heeft gesteld dat hij verzoeker niet zal kunnen bijstaan bij een hoorzitting in het land van herkomst, maar dat van de onmogelijkheid daartoe niet althans onvoldoende is gebleken. Niet in te zien valt waarom verzoekers huidige gemachtigde verzoeker niet met gebruikmaking van bijvoorbeeld een telecommunicatieverbinding zal kunnen bijstaan. Daar komt bij dat dit een omstandigheid betreft die meer in de risicosfeer van verzoeker dan van verweerder is gelegen.

2.25 Gezien het voorgaande heeft het bezwaar geen redelijke kans van slagen. De voorzieningenrechter zal het verzoek om de voorlopige voorziening daarom afwijzen.

2.26 De voorzieningenrechter ziet geen grond om artikel 78 Vw toe te passen.

2.27 Er is geen grond een van de partijen te veroordelen in de door de andere partij gemaakte proceskosten.

Ten aanzien van 06 / 31548

2.28 De voorzieningenrechter zal allereerst beoordelen of verzoeker belang heeft bij de gevraagde voorlopige voorziening.

2.29 Artikel 67, derde lid, Vw luidt als volgt: ‘In afwijking van artikel 8 kan de ongewenst verklaarde vreemdeling geen rechtmatig verblijf hebben ’.

2.30 Zoals de Afdeling heeft overwogen in zijn uitspraak van 6 juli 2006, kenmerk 200510434/1, heeft een vreemdeling bij

een beroep tegen een besluit over een aanvraag tot verlening van een verblijfsvergunning geen belang zolang hij ongewenst is verklaard, omdat een ongewenst verklaarde vreemdeling in afwijking van artikel 8 Vw geen rechtmatig verblijf kan hebben.

2.31 Naar het oordeel van de voorzieningenrechter geldt hetzelfde voor een bezwaar tegen een besluit over een aanvraag tot verlening van een verblijfsvergunning zolang de vreemdeling ongewenst is verklaard.

2.32 Aangezien verzoeker bij besluit van 16 juni 2006 ongewenst is verklaard, heeft verzoeker daarom geen belang bij de verzochte voorlopige voorziening.

2.33 De voorzieningrechter zal het verzoek om een voorlopige voorziening derhalve afwijzen.

3. Beslissing

De voorzieningenrechter:

wijst de verzoeken om een voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. L.M. Kos, voorzieningenrechter, en op 30 november 2006 in het openbaar uitgesproken, in tegenwoordigheid van mr. A.W. Martens, griffier.

afschrift verzonden op:

Coll:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen gewoon rechtsmiddel open.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature