< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak




U dient ingelogd te zijn om favorieten te kunnen toevoegen aan Mijn Jure
U kunt zich hier gratis registreren
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Zaaknummer:
Soort procedure:

Inhoudsindicatie:

echtscheiding ; nevenvorderingen;

man betwist dat minderjarig kind van 17 jaar behoefte heeft aan door vrouw gevraagde kinderalimentatie nu dit kind, voor wie geen kinderbijslag meer wordt ontvangen, inkomen uit werk heeft.

Uitspraak



RECHTBANK 's-GRAVENHAGE

Sector familie- en jeugdrecht

Enkelvoudige Kamer

Scheiding

6x

rekestnummer: FA RK 05-4827

zaaknummer: 248962

datum beschikking: 03 maart 2006

BESCHIKKING op het op 24 augustus 2005 ingekomen verzoek van:

[de vrouw],

de vrouw,

wonende te [woonplaats],

procureur: mr. I. van Santbrink

Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[de man],

de man,

wonende te [woonplaats],

procureur: mr. J. Dongelmans

PROCEDURE

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:

- het verzoekschrift;

- het verweerschrift;

- de brief d.d. 20 december 2005 van de zijde van de man, met bijlagen;

- het faxbericht d.d. 3 januari 2006 van de zijde van de vrouw, met bijlagen.

De minderjarigen hebben schriftelijk hun mening kenbaar gemaakt.

Op 13 januari 2006 is de zaak ter terechtzitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: partijen met hun procureurs. Beide partijen hebben pleitnotities overgelegd.

Na de terechtzitting zijn de volgende stukken ontvangen:

- het faxbericht d.d. 27 januari 2006 van de zijde van de man, met bijlagen;

- de brief d.d. 3 februari 2006 van de zijde van de man, met bijlage;

- het faxbericht d.d. 8 februari 2006 van de zijde van de vrouw, met bijlagen.

VERZOEK EN VERWEER

Het verzoek van de vrouw zoals dat thans luidt strekt tot echtscheiding, met nevenvoorzieningen tot:

- vaststelling van een bijdrage ad € 350,-- per maand in de kosten van verzorging en opvoeding van hun minderjarige kind [achternaam], [kind 1], geboren op [datum] 1992 te [geboorteplaats], bij vooruitbetaling te voldoen,

- vaststelling van een bijdrage ad € 100,-- per maand in de kosten van verzorging en opvoeding van hun minderjarige kind [achternaam], [kind 2], geboren op 29 oktober 1988 te [plaats], bij vooruitbetaling te voldoen,

- vaststelling van een uitkering tot levensonderhoud van de vrouw ad € 1.500,-- per maand, zolang de man een bijdrage verschuldigd is ten behoeve van de beide minderjarigen, en van € 2.000,-- per maand wanneer de kinderalimentatie ten behoeve van [kind 2] c.q. ten behoeve van beide minderjarigen vervalt, bij vooruitbetaling te voldoen,

- voortgezet gebruik van de echtelijke woning met inboedel,

-bepaling dat de man dient over te gaan tot het (doen) opmaken van een boedelbeschrijving als bedoeld in artikel 1: 143 BW en artikel 3:194 BW ,

- vaststelling van hetgeen aan ieder der partijen krachtens verrekening c.q. verdeling toekomt,

een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.

De man voert - onder referte voor het overige - thans nog verweer tegen de voor de verzorging en opvoeding van [kind 2] verzochte alimentatie en tegen de partneralimentatie . Wat betreft de verzoeken van de vrouw in het kader van de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden en de verdeling van de beperkte huwelijksgemeenschap verzoekt de man om aanhouding.

Tevens heeft de man zelfstandig verzocht om:

- vaststelling van een omgangsregeling met [kind 1],

- de bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [kind 2] met ingang van 1 januari 2006 op nihil te stellen,

- een kostenveroordeling,

een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.

BEOORDELING

Aan de wettelijke formaliteiten is voldaan.

Blijkens authentiek bewijsstuk zijn de echtgenoten op [datum] 1987 in de gemeente [plaats] met elkaar gehuwd. Zij hebben twee thans nog minderjarige kinderen.

Echtscheiding

De gestelde duurzame ontwrichting van het huwelijk is niet bestreden en staat dus in rechte vast, zodat het daarop steunende niet weersproken verzoek tot echtscheiding als op de wet gegrond voor toewijzing vatbaar is.

Voortgezet gebruik echtelijke woning

Het verzoek tot het voortgezet gebruik van de echtelijke woning te ([postcode]) [plaats],

[adres], gedurende zes maanden na inschrijving van de echtscheidingsbeschikking zal als niet weersproken en op de wet gegrond worden toegewezen.

Omgangsregeling

De man heeft vaststelling van een omgangsregeling verzocht, inhoudend dat hij gerechtigd is tot omgang met [kind 1] gedurende een weekend per veertien dagen en de helft van de vakanties. Deze omgangsregeling loopt reeds enige tijd naar tevredenheid van alle partijen, aldus de man. De man heeft ter terechtzitting toegezegd dat, indien deze omgangsregeling thans door de rechtbank wordt vastgesteld, hij daarmee flexibel zal omgaan en dat het geen probleem is wanneer [kind 1] een gemaakte afspraak wil wijzigen.

De vrouw is daarop met het verzoek van de man tot vaststelling van de door hem verzochte omgangsregeling akkoord gegaan.

De rechtbank zal het verzoek als niet weersproken en op de wet gegrond toewijzen, nu niet gebleken is dat het belang van de minderjarige zich daartegen verzet.

Kinder- en partneralimentatie

De vrouw heeft gesteld dat de behoefte van [kind 1] op een bedrag van € 455,-- per maand dient te worden gesteld. Zij heeft het verzoek om een bijdrage ten behoeve van [kind 1] om haar moverende redenen beperkt tot € 350,-- per maand.

De man heeft verklaard dat hij bereid is om een bijdrage van € 350,-- per maand voor [kind 1] te betalen.

De rechtbank zal de verzochte nevenvoorziening tot vaststelling van kinderalimentatie ten behoeve van [kind 1] van € 350,-- per maand derhalve als niet weersproken en op de wet gegrond toewijzen.

De man heeft betwist dat [kind 2] behoefte heeft aan de door de vrouw verzochte kinderalimentatie van € 200,-- per maand, nu [kind 2] werkt en blijkens de door de vrouw overgelegde salarisspecificatie een bedrag van € 433,-- netto per maand verdient.

Ingangsdatum alimentatie ten behoeve van [kind 2]

De man heeft zelfstandig verzocht om de kinderalimentatie ten behoeve van [kind 2] met ingang van

1 januari 2006 op nihil te stellen, aangezien [kind 2] reeds geruime tijd (sedert 1 augustus 2005) eigen inkomsten heeft ad € 433,-- netto per maand. De man heeft de rechtbank verzocht om, indien er enig bedrag aan kinderalimentatie wordt vastgesteld, deze vast te stellen met ingang van 1 januari 2006, gelet op het feit dat hij vanaf augustus 2005 ten onrechte voor [kind 2] € 350,-- aan kinderalimentatie heeft betaald.

De vrouw heeft verweer gevoerd tegen het verzoek tot nihilstelling en gepersisteerd bij haar verzoek tot vaststelling van een alimentatie voor [kind 2] van € 100,-- per maand.

Behoefte van [kind 2]

Namens de vrouw is aangevoerd dat de behoefte van [kind 2], gelet op het netto gezinsinkomen op het moment van uiteengaan van partijen van € 3.885,-- per maand, aan de hand van de tabel eigen aandeel bijdrage kosten van kinderen uit het Tremarapport dient te worden gesteld op € 455,-- per maand, vermeerderd met een bedrag van € 95,-- per maand, nu de vrouw voor [kind 2] in verband met zijn inkomsten geen kinderbijslag meer ontvangt.

De man heeft betwist dat het tabelbedrag van € 455,-- met € 95,-- dient te worden verhoogd.

De rechtbank is van oordeel dat de vrouw onvoldoende heeft gesteld om aan te nemen dat de totale behoefte van [kind 2] op € 550,-- per maand dient te worden vastgesteld. Weliswaar ontvangt de vrouw geen kinderbijslag meer voor [kind 2], terwijl bij de in de Trematabel vermelde bedragen met de ontvangst daarvan wél rekening is gehouden, daartegenover staat dat de vrouw ook geen schoolkosten voor [kind 2] meer hoeft te maken. De rechtbank zal daarom de totale behoefte van [kind 2] vaststellen op een bedrag van € 455,--, nu partijen het daarover in zoverre eens zijn.

Gelet op de eigen inkomsten van [kind 2] ad € 433,-- netto per maand stelt de rechtbank de behoefte van [kind 2] aan een bijdrage van zijn ouders vast op € 22,-- per maand. Partijen zijn het erover eens dat gelet op de huidige netto inkomens aan weerszijden 86% van voormeld bedrag voor rekening van de man komt. De rechtbank bepaalt derhalve de behoefte van de [kind 2] aan een bijdrage van de man op € 20,-- per maand.

Gelet op het feit dat de man vanaf augustus 2005 € 350,-- per maand ten behoeve van [kind 2] heeft betaald terwijl [kind 2] vanaf die datum al een eigen inkomen had, zal de rechtbank de door de man te betalen bijdrage voor de verzorging en opvoeding van [kind 2] vaststellen per 1 januari 2006.

Behoefte van de vrouw

De man heeft de door de vrouw bij faxbericht van 3 januari 2006 overgelegde behoefteberekening betwist. De vrouw is ter terechtzitting daarop niet meer teruggekomen, doch heeft gesteld dat haar behoefte gelijk is aan 60% van het netto gezinsinkomen.

De rechtbank overweegt het volgende.

Tussen partijen staat vast dat het netto gezinsinkomen op het moment van uiteengaan van partijen € 3.885,-- per maand bedroeg. Uit het hiervoor overwogene volgt dat de kosten van de beide minderjarigen in totaal op € 910,-- per maand kunnen worden gesteld.

De rechtbank stelt de totale behoefte van de vrouw dan ook vast op 60% van € 2.975,-- (voormeld gezinsinkomen, verminderd met de kosten van de minderjarigen), derhalve op een bedrag van € 1.785,--.

De man heeft gesteld dat de vrouw zelf in het levensonderhoud kan voorzien, door meer te gaan werken. De man heeft in dit verband aangevoerd dat de vrouw thans 15 uur per week werkt, gedurende vijf dagen per week van 15.00 uur tot 18.00 uur, en dat de zorg voor de kinderen, die thans 13 en 17 jaar oud zijn, haar niet behoeft te belemmeren om meer te gaan werken.

De vrouw heeft dit laatste niet betwist en gesteld dat zij werkzaam is als schoonmaakster op de vroegere basisschool van [kind 1] gedurende 15 uur per week, dat zij bruto € 586,-- per maand verdient en dat zij na dit schooljaar deze werkzaamheden wil uitbreiden tot 24 uur per week.

De vrouw heeft verder verklaard dat het weliswaar mogelijk is om haar oude werk als ziekenverzorgster te gaan uitoefenen, maar dat zij dit niet meer ambieert. De vrouw heeft verklaard dat zij de man altijd in zijn carrière heeft gesteund en dat zij zelf geen carrière heeft kunnen opbouwen. Zij wenst een opleiding te gaan volgen, zodat zij in de toekomst ander werk kan gaan doen.

De vrouw heeft niet, althans onvoldoende gemotiveerd, weersproken dat zij fulltime zou kunnen werken. De rechtbank is derhalve van oordeel dat de vrouw in staat kan worden geacht om als schoonmaakster, ziekenverzorgster dan wel een ander beroep een inkomen te genereren van ongeveer € 1.400,-- bruto per maand (36/15 x haar huidige inkomen van € 586,-- bruto per maand), hetgeen neerkomt op € 1.170,-- netto per maand. De rechtbank ziet geen aanleiding om - in het kader van de bepaling van de behoefte van de vrouw - rekening te houden met haar wens om een andere opleiding te gaan volgen teneinde in de toekomst ander werk te gaan doen. Gesteld noch gebleken is dat de vrouw in de laatste jaren van het huwelijk, toen de beide kinderen naar school gingen, niet de gelegenheid heeft gehad om een opleiding naar wens te volgen. Voorts heeft de vrouw geen concrete opleiding genoemd die zij zou willen volgen.

Rekening houdend met een verdiencapaciteit van € 1.170,-- per maand, stelt de rechtbank de behoefte van de vrouw aan een bijdrage van de man vast op een bedrag van € 615,-- netto per maand. Dit komt voor de vrouw, rekening houdend met voormelde verdiencapaciteit en de van toepassing zijnde fiscale tarieven, neer op € 1.060,-- bruto per maand.

Draagkracht

De rechtbank gaat bij de berekening van de financiële draagkracht van de man uit van een inkomen van de man van € 63.700,46 bruto per jaar inclusief vakantiegeld, te vermeerderen met de werkgeversbijdrage ZVW ad € 162,58 per maand. De rechtbank gaat hierbij uit van het op de salarisspecificatie van december 2005 vermelde cumulatieve loon alsmede van de door de man bij faxbericht van 27 januari 2006 overgelegde salarisspecificatie van januari 2006.

De rechtbank neemt de volgende niet - danwel onvoldoende - betwiste maandelijkse lasten in aanmerking:

- de huur ad € 491,--,

- de ziektekostenpremie ad € 109,45, vermeerderd met de werknemerspremie ZVW ad € 162,58.

De vrouw heeft de volgende opgevoerde maandelijkse lasten betwist:

- kosten omgangsregeling ad € 66,--,

- aflossing schulden ad € 595,--.

Met betrekking tot de kosten omgangsregeling wordt het volgende overwogen.

Vast staat dat de man omgang met [kind 1] heeft gedurende een weekend per veertien dagen alsmede de helft van de vakanties. De rechtbank stelt de kosten van omgang aan de hand van de Tremanormen vast op een bedrag van € 32,-- per maand.

De post aflossing schulden heeft betrekking op het doorlopend krediet bij de Rabobank van € 30.000,--, met contractnummer [000.000.000], in verband waarmee de man € 595,-- per maand betaalt aan rente en aflossing.

De vrouw stelt dat de man buiten haar medeweten en zonder haar toestemming in oktober 2002 een krediet van € 19.000,-- heeft afgesloten en dit in september 2003 zonder haar medewerking of medeweten heeft verhoogd tot € 30.000,--. De vrouw heeft bij faxbericht van 8 februari 2006 gesteld dat van dit krediet een bedrag van € 10.000,-- voor gezamenlijke rekening komt en dat het krediet voor het overige niet aan de huishouding of het huis is besteed en derhalve voor rekening van de man komt. De vrouw heeft voorts gesteld dat zij bereid is om, naar de rechtbank begrijpt in het kader van de berekening van de draagkracht van de man, rekening te houden met 1/3 deel van het krediet.

De man heeft in zijn faxbericht van 27 januari 2006 gesteld dat het krediet volledig aan de huishouding is besteed en dat derhalve bij de bepaling van de draagkracht van de man met het volledige aflossingsbedrag ad € 595,-- per maand rekening gehouden dient te worden.

De rechtbank zal voorshands rekening houden met de door de man opgevoerde last voor aflossing schulden van € 595,-- per maand.

Voor de man geldt de bijstandsnorm voor een alleenstaande en een draagkrachtpercentage van 60%.

Ook indien met de volledige door de man opgevoerde last voor aflossing schulden ad € 595,-- rekening zou worden gehouden is de man, gelet op zijn draagkracht, in staat om voormelde alimentatiebedragen aan de vrouw te voldoen. De juistheid van de stelling van de man kan daarom in het midden blijven.

Gezien het voorgaande en gelet op de fiscale gevolgen is de rechtbank van oordeel dat de man in staat is om - naast een bijdrage ad € 350,-- per maand in de kosten van verzorging en opvoeding van [kind 1] - een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [kind 2] te betalen ad € 20,--, conform zijn behoefte, en een uitkering tot levensonderhoud aan de vrouw van € 1.060,-- per maand, conform haar behoefte.

Afwikkeling huwelijkse voorwaarden en verdeling beperkte gemeenschap

Partijen hebben de rechtbank verzocht om het verzoek van de vrouw tot vaststelling van het geen aan ieder der partijen krachtens verrekening c.q. verdeling toekomt, aan te houden.

Het verzoek van de vrouw dat de man dient over te gaan tot het (doen) opmaken van een boedelbeschrijving zal eveneens worden aangehouden, met dien verstande dat beide partijen thans wordt verzocht alle voor de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden en verdeling van de beperkte gemeenschap benodigde stukken, voorzover nog niet ingediend, in te zenden.

De rechtbank zal de behandeling van de verzoeken van de vrouw aanhouden tot 15 juni 2006 pro forma.

Kosten

Het verzoek van de man om een kostenveroordeling zal eveneens worden aangehouden.

BESLISSING

De rechtbank:

spreekt uit de echtscheiding tussen: [achternaam], [voornaam], en [achternaam], [voornamen], gehuwd op [datum] 1987 in de gemeente [plaats];

bepaalt dat de vrouw jegens de man bevoegd is de bewoning van de woonruimte te ([postcode]) [plaats], [adres] en het gebruik van de zaken, die behoren bij deze woning en tot de inboedel daarvan, voort te zetten gedurende zes maanden na de inschrijving van deze beschikking, mits deze woning op het ogenblik van die inschrijving door de vrouw wordt bewoond en aan de man uitsluitend of mede toebehoort of ten gebruike toekomt, en verklaart deze beschikking in zoverre uitvoerbaar bij voorraad;

bepaalt dat de minderjarige [achternaam], [kind 1], geboren op [datum] 1992 te [plaats], bij de man zal zijn:

- een weekend per veertien dagen, alsmede

- de helft van de vakanties,

en verklaart deze omgangsregeling uitvoerbaar bij voorraad;

bepaalt dat de man, met ingang van 1 januari 2006 voor de verzorging en opvoeding van de minderjarige [achternaam], [kind 2], geboren op 29 oktober 1988 te [plaats], aan de vrouw, die deze minderjarige verzorgt en opvoedt, zal betalen een bedrag van € 20,-- per maand, telkens bij vooruitbetaling te voldoen, en verklaart de bepaling van deze bijdrage uitvoerbaar bij voorraad;

bepaalt dat de man, met ingang van de dag waarop de beschikking van echtscheiding zal zijn ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand, voor de verzorging en opvoeding van de minderjarige [achternaam], [kind 1], aan de vrouw, die deze minderjarige verzorgt en opvoedt, zal betalen een bedrag van € 350,-- per maand, telkens bij vooruitbetaling te voldoen, en verklaart de bepaling van deze bijdrage uitvoerbaar bij voorraad;

bepaalt dat de man met ingang van de dag dat de beschikking van echtscheiding zal zijn ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand tegen kwijting aan de vrouw tot haar levensonderhoud zal uitkeren een bedrag van € 1.060,-- per maand, telkens bij vooruitbetaling te voldoen, en verklaart deze beschikking in zoverre uitvoerbaar bij voorraad;

houdt de behandeling met betrekking tot het verzoek van de vrouw tot verrekening c.q. verdeling, het verzoek van de vrouw betreffende het doen opmaken van een boedelbeschrijving en het verzoek van de man betreffende een kostenveroordeling aan tot 15 juni 2006 pro forma opdat partijen stukken in het geding kunnen brengen en overleg met elkaar kunnen voeren;

bepaalt dat partijen uiterlijk vier weken vóór genoemde proformadatum aan elkaar en aan de rechtbank de volgende stukken dienen over te leggen:

- een onderbouwd voorstel tot hantering van een peildatum voor de waardebepaling,

- een overzicht van de samenstelling van de boedel en de waarde van de verschillende boedelbestanddelen op de peildatum (indien partijen over de peildatum van mening verschillen: op de verschillende voorgestelde peildata), waarbij partijen ervoor dienen zorg te dragen dat zij dezelfde boedelbestanddelen op dezelfde wijze aanduiden,

- indien verschil van mening bestaat over de waarde, een voorstel ten aanzien van de wijze waarop de waarde moet worden vastgesteld, vergezeld van een voorstel met betrekking tot de eventueel te benoemen taxateur(s),

- een voorstel tot verdeling,

- een overzicht van de punten waarover partijen het ook na het door hen gevoerde overleg niet met elkaar eens zijn geworden,

- de man: een nadere onderbouwing van zijn stelling dat het doorlopend krediet bij de Rabobank met contractnummer [000.000.000] een gemeenschappelijke schuld is;

- de vrouw: een gemotiveerde reactie op de stelling van de man dat het doorlopend krediet bij de Rabobank met voormeld contractnummer een gemeenschappelijke schuld is, alsmede op de door de man in dit verband bij faxbericht van 27 januari 2006 overgelegde stukken;

bepaalt dat partijen tot de proformadatum op de door de wederpartij overgelegde stukken schriftelijk mogen reageren;

bepaalt dat de behandeling ter zitting eerst na tijdige ontvangst van alle bovengenoemde stukken zal worden voortgezet, behoudens toepassing van artikel 9.7 en 9.8 van het procesreglement scheiding;

bepaalt dat, indien voor genoemde proformadatum geen bericht is ontvangen of door beide partijen de gevraagde stukken niet (volledig) zijn overgelegd zonder dat uitstel is gevraagd, de zaak ingevolge artikel 9.5 van het procesreglement scheiding schriftelijk zal worden afgedaan;

bepaalt dat, indien een van partijen de gevraagde stukken niet (volledig) heeft overgelegd zonder dat uitstel is gevraagd de zaak ingevolge artikel 9.6 van het procesreglement scheiding schriftelijk zal worden afgedaan tenzij de wederpartij of de rechter een mondelinge behandeling wenst, in welk geval stukken van de partij die in gebreke was niet meer zullen worden geaccepteerd;

Deze beschikking is gegeven door mr. A.C. Olland, tevens kinderrechter, bijgestaan door

mr. J.M.M. Bancken als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 3 maart 2006


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde wetgeving

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature