< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Zaaknummer:
Soort procedure:

Inhoudsindicatie:

echtscheiding met nevenvordering(en)

relatieve (on)bevoegdheid rechtbank: Het begrip 'woonplaats' is in de bepalingen van artikel 262 e.v. Rv. niet nader gedefinieerd. De rechtbank zal in dezen aansluiting zoeken bij het woonstede-begrip van artikel 1:10 van het Burgerlijk Wetboek . Ingevolge jurisprudentie van de Hoge Raad der Nederlanden dient onder 'woonstede' te worden verstaan de plaats waar iemand werkelijk woont met zijn gezin, waar hij de zetel van zijn fortuin heeft, zijn zaken behartigt, zijn goederen en eigendommen beheert, kortom, de plaats waar iemand niet vandaan gaat dan met een bepaald doel en tevens met het plan om, als dat doel is bereikt, daar terug te keren.

Uitspraak



RECHTBANK 's-GRAVENHAGE

Sector familie- en jeugdrecht

Enkelvoudige Kamer

Scheiding

6x

rekestnummer: FA RK 05-621

zaaknummer: 236743

datum beschikking: 6 maart 2006

BESCHIKKING op het op 3 februari 2005 ingekomen verzoek van:

[naam],

de man,

procureur: mr. W. Taekema,

advocaat: mr. A.C.M. Karsten.

Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[naam],

de vrouw,

wonende te Eindhoven,

procureur: mr. H.J.A. Knijff,

advocaat: mr. V.F. van Nielen.

PROCEDURE

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:

- het verzoekschrift;

- het verweerschrift tevens verzoekschrift;

- het verweerschrift tegen het zelfstandig verzoek, tevens houdende vermeerdering van het verzoek van de man;

- het verweerschrift tegen het vermeerderde verzoek, tevens houdende vermeerdering van het verzoek van de vrouw;

- het faxbericht d.d. 16 december 2005 van de zijde van de vrouw;

- het faxbericht d.d. 20 december 2005 van de zijde van de man;

- de brief d.d. 19 januari 2006, met bijlagen, van de zijde van de man.

Op 30 januari 2006 is de zaak ter terechtzitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: partijen met hun advocaten. Van de zijde van de vrouw zijn nadere stukken overgelegd.

Na de terechtzitting is nog het volgende stuk ontvangen:

- de op 15 februari 2006 ter griffie van deze rechtbank ingekomen brief van de kant van de man, met bijlagen.

VERZOEK EN VERWEER

Het verzoek van de man zoals dat thans luidt strekt tot echtscheiding, met een nevenvoorziening tot:

- vaststelling van de verdeling van de huwelijksgemeenschap, nadat door de rechtbank te benoemen deskundigen de waarde van het woonhuis te Eindhoven en het appartement te Amsterdam zullen hebben bepaald, een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.

De vrouw heeft betwist dat deze rechtbank relatief bevoegd is. De vrouw heeft voorts verweer gevoerd tegen de echtscheiding en tegen de door de man voorgestelde wijze van verdeling. Voor het geval dat, ondanks dit verweer, de echtscheiding tussen partijen wordt uitgesproken, heeft de vrouw bij zelfstandig verzoek, zoals dat thans luidt, verzocht:

- vaststelling van de verdeling van de huwelijksgemeenschap,

- vaststelling van een uitkering tot levensonderhoud van de vrouw ad € 7.189,08 per maand, te verhogen met het percentage van de wettelijke indexering met ingang van 1 januari 2002, bij vooruitbetaling te voldoen,

kosten rechtens.

De man voert verweer.

BEOORDELING

Aan de wettelijke formaliteiten is voldaan.

Blijkens authentiek bewijsstuk zijn de echtgenoten op [datum] 1972 in de gemeente Arcen en Velden met elkaar gehuwd.

Woonplaats van de man en relatieve (on)bevoegdheid van de rechtbank

De vrouw heeft in haar verweerschrift tegen het vermeerderde verzoek van de man betwist dat deze rechtbank relatief bevoegd is. Zij stelt dat ten tijde van de indiening van het verzoekschrift beide partijen hun woonplaats hadden in Eindhoven, aangezien de man op dat moment, evenals de vrouw, was ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand van de gemeente Eindhoven. Daaraan doet volgens de vrouw niet af dat de man reeds sinds december 2001 feitelijk met een nieuwe partner achtereenvolgens te Leiden en te Lisse zijn verblijf heeft en dat de man zich op 6 augustus 2005 uit de registers van de burgerlijke stand te Eindhoven heeft doen uitschrijven.

De rechtbank overweegt het volgende.

Het begrip 'woonplaats' is in de bepalingen van artikel 262 e.v. Rv. niet nader gedefinieerd. De rechtbank zal in dezen aansluiting zoeken bij het woonstede-begrip van artikel 1:10 van het Burgerlijk Wetboek . Ingevolge jurisprudentie van de Hoge Raad der Nederlanden dient onder 'woonstede' te worden verstaan de plaats waar iemand werkelijk woont met zijn gezin, waar hij de zetel van zijn fortuin heeft, zijn zaken behartigt, zijn goederen en eigendommen beheert, kortom, de plaats waar iemand niet vandaan gaat dan met een bepaald doel en tevens met het plan om, als dat doel is bereikt, daar terug te keren.

Nu de vrouw niet heeft weersproken dat de man ten tijde van de indiening van het verzoekschrift reeds sedert jaren bij zijn nieuwe partner te Leiden verbleef, is de rechtbank van oordeel dat de man destijds zijn woonplaats had te Leiden. Deze rechtbank is derhalve relatief bevoegd.

Echtscheiding

De vrouw heeft de door de man gestelde duurzame ontwrichting betwist. Zij heeft onder meer gesteld dat de man een eerder, bij een andere rechtbank ingediend, echtscheidingsverzoek heeft ingetrokken en dat hij sedertdien regelmatig naar de echtelijke woning is teruggekeerd en herhaaldelijk aan de vrouw heeft doen weten dat hij twijfelde aan de noodzaak van een echtscheiding. Voorts stelt de vrouw dat de man niet in staat is om zijn wil op juiste wijze te bepalen, aangezien hij waarschijnlijk lijdt aan een stoornis uit het autisme-spectrum. De vrouw is ervan overtuigd dat zodra de man van zijn stoornis is genezen, de huwelijksband tussen partijen zal worden hersteld.

De rechtbank overweegt het volgende. Ter terechtzitting is niet gebleken dat de man, die een goede functie bekleedt bij de [A.]-bank te Amsterdam, niet in staat zou zijn om zijn wil te bepalen. Voorts is ter terechtzitting gebleken dat de man blijft bij zijn standpunt dat het huwelijk duurzaam is ontwricht. De man heeft naar voren gebracht dat hij al sedert jaren met een nieuwe partner samenwoont, met wie hij ook een appartement in Lisse heeft gekocht. De man acht herstel van het huwelijk niet meer mogelijk. De man heeft zijn verzoek tot echtscheiding gehandhaafd.

De rechtbank is van oordeel dat nu de man blijft bij zijn standpunt dat het huwelijk duurzaam is ontwricht en vast staat dat partijen al jaren gescheiden van elkaar wonen, voldoende vaststaat dat het huwelijk duurzaam is ontwricht. De rechtbank kan derhalve niet anders dan het verzoek tot echtscheiding als op de wet gegrond toewijzen.

Alimentatie

Behoefte

De man heeft de behoefte aan de verzochte bijdrage betwist, stellende dat de vrouw in staat moet worden geacht zichzelf inkomen te verwerven als directiesecretaresse. Subsidiair heeft de man aangevoerd dat de behoefte van de vrouw in ieder geval niet uitgaat boven € 3.500,-- bruto per maand, gelet op de bedragen die de man de afgelopen jaren aan de vrouw tot haar levensonderhoud heeft verstrekt (ongeveer € 2.800,-- netto per maand) en waarvan de vrouw heeft kunnen rondkomen.

De vrouw heeft weersproken dat zij zichzelf inkomen uit arbeid kan verwerven. De vrouw heeft gesteld dat zij ten gevolge van alle problemen inmiddels werkloos is geraakt. Zij heeft ter terecht-zitting een beslissing van het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (UWV) van 4 juli 2003 overgelegd, waaruit blijkt dat haar met ingang van 2 juni 2003 een loongerelateerde uitkering ingevolge de WW is toegekend voor de duur van 3 jaar en dat na afloop van de loongerelateerde uitkering recht bestaat op een vervolguitkering voor de duur van 2 jaar. De vrouw heeft voorts een betaalspecificatie WW overgelegd, waaruit volgt dat de (loongerelateerde) WW-uitkering thans bruto € 1.131,40 per 4 weken bedraagt, ofwel € 1.225,68 per maand. De vrouw heeft tenslotte gesteld dat zij voldoet aan de sollicitatieplicht die het UWV haar heeft opgelegd, maar dat het haar tot dusverre niet is gelukt om een baan te vinden.

De vrouw heeft gesteld dat haar totale behoefte kan worden gesteld op een bedrag van € 4.730,-- netto per maand, zijnde 60% van het netto gezinsinkomen tijdens de samenleving. Voormeld bedrag leidt tot een bruto-alimentatie van € 7.189,08 per maand, aldus de vrouw. Ter terechtzitting heeft de vrouw een concrete berekening van haar behoefte overgelegd, waarbij zij haar totale behoefte heeft berekend op een bedrag van € 3.587,-- netto per maand. Laatstgenoemd bedrag leidt tot een bruto-alimentatie van € 5.320,-- per maand, aldus de vrouw.

De rechtbank verwerpt het verweer van de man dat de vrouw in staat moet worden geacht zichzelf inkomen als directiesecretaresse te verwerven. Uit het voorgaande volgt immers dat de vrouw, die thans 54 jaar oud is, reeds sedert 2½ jaar werkloos is en dat zij er nog niet in is geslaagd om een andere baan te vinden. De man heeft niet weersproken dat de vrouw in voldoende mate solliciteert.

De rechtbank is dan ook van oordeel dat onvoldoende aanleiding bestaat om bij de bepaling van de behoefte van de vrouw rekening te houden met inkomsten uit arbeid die de vrouw zich wellicht in de toekomst zou kunnen verwerven. De rechtbank zal dan ook in dit verband slechts rekening houden met de inkomsten van de vrouw uit haar WW-uitkering.

De rechtbank ziet onvoldoende aanleiding om de behoefte van de vrouw te bepalen aan de hand van de door de vrouw bedoelde vuistregel (60% van het netto gezinsinkomen tijdens de samenleving). De vrouw heeft immers een concrete behoefteberekening overgelegd, waarbij zij haar totale behoefte aan de hand van 33 concrete uitgaven-posten heeft berekend op een bedrag van € 3.587,-- netto per maand, gebruteerd € 5.320,-- per maand. Nu de man deze behoefteberekening niet heeft weersproken, is de rechtbank van oordeel dat de totale behoefte van de vrouw in redelijkheid kan worden vastgesteld op een bedrag van € 5.320,-- bruto per maand. De rechtbank heeft hierbij mede in aanmerking genomen de duur van het huwelijk en de mate van welstand van partijen gedurende het huwelijk.

Rekening houdend met de eigen inkomsten van de vrouw uit haar WW-uitkering ad (tot 2 juni 2006) € 1.225,68 per maand, leidt dit tot een behoefte aan een bijdrage van de man van € 4.094,-- bruto per maand.

Voor de periode vanaf 2 juni 2006, wanneer de loongerelateerde WW-uitkering zal zijn beëindigd, stelt de rechtbank de behoefte van de vrouw aan een bijdrage van de man vast op een bedrag van € 5.320,-- minus het bruto bedrag dat de vrouw per maand zal ontvangen uit hoofde van de vervolguitkering WW.

Draagkracht

De rechtbank gaat bij de berekening van de financiële draagkracht van de man uit van een inkomen aan zijn zijde van € 145.625,-- bruto per jaar inclusief vakantiegeld. De rechtbank gaat hierbij uit van de salarisspecificatie van december 2005, waarop de cumulatieven van het jaar 2005 zijn vermeld.

De vrouw heeft voorts gesteld dat rekening dient te worden gehouden met inkomsten uit vermogen, nu in de draagkrachtberekening van de man bij box III een gemiddeld vermogen van € 155.000,-- is vermeld.

De man heeft in reactie daarop ter terechtzitting verklaard dat het door de vrouw bedoelde vermogen bestaat uit drie componenten: de overwaarde van de woning van partijen in Eindhoven alsmede de diverse spaarrekeningen van de man en van de vrouw. De man heeft verder ter terechtzitting verklaard dat de woning te Eindhoven bij zijn fiscale aangifte in box III valt omdat hij het appartement te Amsterdam reeds als eigen woning in box I heeft vermeld.

Vervolgens is de vrouw hierop niet meer teruggekomen. Onder deze omstandigheden zal de rechtbank geen rekening houden met eventuele inkomsten uit vermogen van de man.

De rechtbank neemt de volgende niet - danwel onvoldoende - betwiste lasten in aanmerking:

- de hypotheekrente ad € 772,42 bruto per maand betreffende het appartement van partijen in Amsterdam,

- de zakelijke lasten betreffende het appartement van partijen in Amsterdam ad € 625,-- per jaar,

- de ziektekosten van de man, te stellen op een bedrag van € 213,26 per maand, te weten de sedert januari 2006 verschuldigde premie ad € 128,72 per maand, vermeerderd met de belasting die de man verschuldigd is over de vergoeding die hij van de werkgever ontvangt in verband met de inkomens-afhankelijke bijdrage (52% van € 162,58 = € 84,54).

Met betrekking tot de zakelijke lasten van het appartement in Amsterdam wordt nog het volgende overwogen. De man heeft voor deze post aanvankelijk in de door hem overgelegde draagkracht-berekening een bedrag van € 358,-- per maand opgenomen. Ter terechtzitting heeft de man verklaard dat voornoemd bedrag van € 358,-- niet juist is en dat de zakelijke lasten van het appartement in Amsterdam € 625,-- per jaar bedragen, ofwel € 52,-- per maand.

Blijkens de - na de terechtzitting - ingekomen brief van de zijde van de man van 14 februari 2006 stelt de man thans dat de zakelijke lasten van het appartement in Amsterdam € 233,-- per maand (te weten € 358,-- minus een daarin begrepen bedrag van € 125,-- aan energiekosten) bedragen.

De rechtbank gaat evenwel aan deze stelling voorbij, nu de vrouw ter terechtzitting akkoord is gegaan met het in dit verband opgevoerde bedrag van € 52,-- en zij niet op dit nadere standpunt van de man heeft kunnen reageren.

De vrouw heeft de volgende opgevoerde lasten betwist:

- woonlasten ad € 550,-- per maand.

De vrouw heeft de door de man als productie 7 bij zijn brief van 19 januari 2006 gevoegde opstelling van woonlasten betwist. Zij heeft onder meer gesteld dat blijkens informatie uit het kadaster de koopsom van het appartement van de man en zijn nieuwe partner mw. [X.] te Lisse € 131.313,-- bedroeg en dat het bruto hypotheekbedrag van € 1.048,33 per maand daarmee niet in overeenstemming is.

De man is vervolgens in de gelegenheid gesteld om met betrekking tot de koopsom van het appartement te Lisse bewijsstukken in het geding te brengen.

Uit de stukken die de man vervolgens bij schrijven van 14 februari 2006 heeft overgelegd, blijkt dat mw. [X.] op 23 mei 2003 een appartementsrecht, plaatselijk (vermoedelijk) aan te duiden als [a-straat] te Lisse, met bergruimte en kelder, heeft gekocht voor € 131.313,--, terwijl voorts uit de akte van levering van het appartementsrecht blijkt dat mw. [X.] op 31 maart 2003 een overeenkomst van aanneming van werk heeft gesloten met Horsman & Co. Lisse B.V. met betrekking tot de afbouw van bedoeld appartementsrecht. Uit de hypotheekakte volgt dat de bank een lening van € 340.000,-- heeft verstrekt. Uit de nota van de notaris van 23 mei 2003 volgt tenslotte dat de door mw. [X.] geleende bedragen (naast voornoemd bedrag van € 340.000,-- ook een overbruggings-lening van € 35.000,--) onder meer zijn besteed aan koopprijs grond (€ 131.313,--) en ontwikkelingskosten (€ 49.383,19 en de BTW daarover ad € 9.382,81) en dat een bedrag van € 184.102,95 in depot is gehouden, naar de rechtbank begrijpt ter voldoening van de nota’s van de aannemer ingevolge de aannemingsovereenkomst.

De rechtbank acht met een en ander de woonlasten, voorzover het de netto-hypotheekrente ad € 251,60 per maand betreft, die de man blijkens zijn opstelling aan mw. [X.] betaalt, voldoende aangetoond.

De rechtbank zal voorts rekening houden met de door de man in zijn opstelling van woonlasten opgevoerde maandelijkse bedragen ad € 73,--, € 23,47 en € 93,-- wegens respectievelijk huurwaarde- forfait, onroerende zaak belasting en bijdrage VVE.

De rechtbank zal echter geen rekening houden met de in de opstelling van de man begrepen bedragen voor gas en elektra en gemeentelijke heffingen, aangezien die bedragen worden geacht uit de bijstandsnorm te kunnen worden voldaan.

Een en ander leidt de rechtbank tot de conclusie dat bij de berekening van de draagkracht van de man rekening zal worden gehouden met woonlasten ad € 441,07 per maand.

Voor de man geldt de bijstandsnorm voor een alleenstaande en een draagkrachtpercentage van 60%.

Gezien het voorgaande en gelet op de fiscale gevolgen is de rechtbank van oordeel dat een uitkering tot levensonderhoud aan de vrouw van (tot 2 juni 2006) € 4.094,-- per maand en vanaf 2 juni 2006 van

€ 5.320,-- per maand minus het bruto bedrag dat de vrouw per maand zal ontvangen uit hoofde van de vervolguitkering WW, redelijk en billijk en in overeenstemming met de wettelijke maatstaven is.

Verdeling

Ter terechtzitting is met partijen besproken dat de behandeling van de verzoeken van partijen tot verdeling zal worden aangehouden, teneinde partijen in de gelegenheid te stellen om stukken in het geding te brengen en overleg met elkaar te voeren. De rechtbank zal de behandeling aanhouden tot

15 juni 2006 pro forma.

Partijen wordt verzocht de hierna te melden stukken in het geding te brengen.

BESLISSING

De rechtbank:

spreekt uit de echtscheiding tussen: van [naam]e, en [naam], gehuwd op [datum] 1972 in de gemeente Arcen en Velden;

bepaalt dat de man met ingang van de dag dat de beschikking van echtscheiding zal zijn ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand tot 2 juni 2006 tegen kwijting aan de vrouw tot haar levensonderhoud zal uitkeren een bedrag van € 4.094,-- bruto per maand, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;

bepaalt dat de man, nadat de beschikking van echtscheiding zal zijn ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand, vanaf 2 juni 2006 tegen kwijting aan de vrouw tot haar levensonderhoud zal uitkeren een bedrag van € 5.320,-- bruto per maand minus het bruto bedrag dat de vrouw per maand zal ontvangen uit hoofde van de vervolguitkering WW, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;

houdt de behandeling met betrekking tot de verzoeken van partijen tot verdeling, alsmede het verzoek van de vrouw om een kostenveroordeling, aan tot 15 juni 2006 pro forma opdat partijen stukken in het geding kunnen brengen en overleg met elkaar kunnen voeren;

bepaalt dat partijen uiterlijk vier weken vóór genoemde proformadatum aan elkaar en aan de rechtbank de volgende stukken dienen over te leggen:

- een onderbouwd voorstel tot hantering van een peildatum voor de waardebepaling,

- een overzicht van de samenstelling van de boedel en de waarde van de verschillende boedelbestanddelen op de peildatum (indien partijen over de peildatum van mening verschillen: op de verschillende voorgestelde peildata), waarbij partijen ervoor dienen zorg te dragen dat zij dezelfde boedelbestanddelen op dezelfde wijze aanduiden,

- indien verschil van mening bestaat over de waarde, een voorstel ten aanzien van de wijze waarop de waarde moet worden vastgesteld, vergezeld van een voorstel met betrekking tot de eventueel te benoemen taxateur(s),

- een voorstel tot verdeling,

- een overzicht van de punten waarover partijen het ook na het door hen gevoerde overleg niet met elkaar eens zijn geworden;

bepaalt dat partijen tot de proformadatum op de door de wederpartij overgelegde stukken schriftelijk mogen reageren;

bepaalt dat de behandeling ter zitting eerst na tijdige ontvangst van alle bovengenoemde stukken zal worden voortgezet, behoudens toepassing van artikel 9.7 en 9.8 van het procesreglement scheiding;

bepaalt dat, indien voor genoemde proformadatum geen bericht is ontvangen of door beide partijen de gevraagde stukken niet (volledig) zijn overgelegd zonder dat uitstel is gevraagd, de zaak ingevolge artikel 9.5 van het procesreglement scheiding schriftelijk zal worden afgedaan;

bepaalt dat, indien een van partijen de gevraagde stukken niet (volledig) heeft overgelegd zonder dat uitstel is gevraagd de zaak ingevolge artikel 9.6 van het procesreglement scheiding schriftelijk zal worden afgedaan tenzij de wederpartij of de rechter een mondelinge behandeling wenst, in welk geval stukken van de partij die in gebreke was niet meer zullen worden geaccepteerd;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. R.G. Kok, bijgestaan door mr. J.M.M. Bancken als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 6 maart 2006


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde wetgeving

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature