E-mail deze uitspraak

Uitspraak waar naar gelinkt wordt vanuit de e-mail die gestuurd zal worden:

ECLI:NL:RBSGR:2006:AY0277
LJN AY0277, Rechtbank 's-Gravenhage, AWB 05/46986

Inhoudsindicatie:

Besluit 1/80 / peilmoment periode legale arbeid.

Eiser was in het bezit van een verblijfsvergunning regulier met als doel verblijf bij echtgenote, geldig tot 8 mei 2002. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder terecht uit onderzoek kunnen concluderen dat de relatie tussen eiser en zijn echtgenote vanaf 1 maart 2002 feitelijk beƫindigd was. Eiser heeft op 30 juli 2004 weer aangetoond aan de voorwaarden voor de vergunning te voldoen. Verweerder heeft eiser met ingang van die datum wederom een vergunning verleend. De rechtbank is van oordeel dat verweerder terecht heeft gesteld dat eiser geacht wordt niet in het bezit te zijn geweest van een verblijfsvergunning tussen 8 mei 2002 en 30 juli 2004. Eiser heeft zich onder meer op het standpunt gesteld dat hij in die periode in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning met als doel arbeid al dan niet in loondienst op grond van het Associatiebesluit 1/80. De stelling van verweerder dat eiser niet de hier gevraagde vergunning verleend kan worden, nu hij geen aanvraag heeft ingediend voor een zelfstandige vergunning onder de beperking voortgezet verblijf, kan niet slagen. Volgens vaste rechtspraak van het Hof van Justitie heeft de verblijfstitel immers voor de erkenning van het recht slechts declaratoire en bewijstechnische waarde. Aangezien de rechten rechtstreeks aan het besluit 1/80 worden ontleend en de rechten onafhankelijk zijn van de voorwaarden voor de verkrijging van die rechten gesteld door de lidstaten, kan de bovengenoemde stelling van verweerder niet slagen. Voor de vraag of eiser voldoende legale arbeid in de zin van het Besluit 1/80 heeft verricht, stelt verweerder zich op het standpunt dat als peilmoment de datum van verbreking van eisers relatie moet worden aangemerkt. De rechtbank volgt verweerder hierin niet. De rechtbank verwijst hiervoor (onder meer) naar de uitspraak nr. C-1/97 van het Hof van Justitie van 26 november 1998 in de zaak Birden. Het Hof van Justitie overweegt in die uitspraak dat het legale karakter van de arbeid een stabiele en niet voorlopige situatie op de arbeidsmarkt vooronderstelt en, daarmee, het bestaan van een niet omstreden verblijfsrecht. De rechtbank stelt derhalve de peildatum vast op de datum van de beslissing in primo, te weten op 25 juli 2002, aangezien het verblijfsrecht van eiser vanaf die datum niet meer onomstreden is. De rechtbank stelt zich eveneens op het standpunt dat de door eiser verrichte arbeid na het indienen van rechtsmiddelen tegen de afwijzende beslissing niet als legale arbeid in de zin van het besluit 1/80 kan worden aangemerkt. Verweerder heeft hiervoor terecht gewezen op de uitspraak nr. 192/89 van het Hof van Justitie van 20 september 1990 in de zaak Sevince. Beroep ongegrond.

Van


Aan


Opmerkingen (optioneel)


E-mail

Terug

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie