U dient ingelogd te zijn om favorieten te kunnen toevoegen aan Mijn Jure
U kunt zich hier gratis registreren
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Zittingsplaats:
Instantie:

Inhoudsindicatie:

Overtreding van het bepaalde bij artikel 32 van de Arbeidsomstandighedenwet , letsel door schuld waardoor het slachtoffer zijn werk niet meer kan uitvoeren en uit winstbejag een illegale vreemdeling tewerkstellen. De rechtbank veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van zes maanden en hij moet de benadeelde partij een schadevergoeding betalen.

Op 25 augustus 2021 heeft zich een arbeidsongeval voorgedaan als gevolg waarbij een werknemer zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen. Het slachtoffer liep bij het ongeval drie gebroken ruggenwervels, een breuk in de schedel, een scheur in de rechter knie, een bloeding in de hersenen en verlies aan het gezichtsvermogen op. Hij is ongeveer zes weken opgenomen geweest in het ziekenhuis, heeft daarna lang moeten revalideren en er is nog geen sprake van een medische eindsituatie. Daarnaast heeft de verdachte het slachtoffer over een periode van ten minste vijf jaar, maar mogelijk reeds sinds 2010, laten werken tegen, naar Nederlandse maatstaven, een zeer laag uurloon van € 7,-. Verder verrichtte het slachtoffer schilderwerkzaamheden onder gevaarlijke omstandigheden, hetgeen geleid heeft tot het arbeidsongeval.

Ontnemingsvonnis: ECLI:NL:RBROT:2024:3801

Uitspraak



Rechtbank Rotterdam

Team straf 1

Parketnummer: 83-153798-22

Datum uitspraak: 6 maart 2024

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige economische kamer, in de zaak tegen de verdachte:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ) in [geboortejaar] (datum onbekend),

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres

[adres 1] ,

raadsvrouw mr. F.A.M. Engels, advocaat te ‘s-Gravenhage.

1 Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 21 februari 2024.

2 Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3 Eis officier van justitie

De officier van justitie mr. S.M. van der Kallen heeft gevorderd:

bewezenverklaring van het ten laste gelegde onder 1, 2 en 3;

veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden met aftrek van voorarrest, waarvan 3 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar en 120 uur taakstraf, subsidiair 60 dagen hechtenis.

4 Waardering van het bewijs

4.1.

Bewijswaardering

4.1.1.

De toedracht van het ongeval

Op grond van het procesdossier en het verhandelde ter terechtzitting stelt de rechtbank het volgende vast over de toedracht van het ongeval en het zwaar lichamelijk letsel van het slachtoffer.

Op 25 augustus 2021 was [slachtoffer] werkzaamheden aan het verrichten voor de eenmanszaak van de verdachte. Tijdens het verrichten van schilderwerkzaamheden aan een daklijst van een woning is het slachtoffer over de balustrade van een balkon naar beneden gevallen. De valhoogte bedroeg 7,35 meter.

[slachtoffer] liep bij het ongeval drie gebroken ruggenwervels, een breuk in de schedel, een scheur in de rechter knie, een bloeding in de hersenen en verlies aan het gezichtsvermogen op. Hij is ongeveer zes weken opgenomen geweest in het ziekenhuis, heeft daarna lang moeten revalideren en er is – zo volgt uit de toelichting op de vordering tot schadevergoeding – nog geen sprake van een medische eindsituatie.

4.1.2.

Standpunt verdediging

Aangevoerd is - kort gezegd - dat de verdachte dient te worden vrijgesproken, omdat sprake is van onvoldoende wettig en overtuigend bewijs.

4.1.3.

Beoordeling

De verklaring van de verdachte op de terechtzitting dat hij tegen [slachtoffer] had gezegd dat nog niet met de werkzaamheden mocht worden gestart, strookt niet met eerdere verklaringen van de verdachte en vindt geen ondersteuning in het dossier. Gelet hierop – en de andere aanwezige bewijsmiddelen in ogenschouw genomen – acht de rechtbank de verklaring van de verdachte op de terechtzitting onaannemelijk. Voor het overige volgt de bewezenverklaring voor feit 1 en 2 uit de gebezigde bewijsmiddelen.

Ten aanzien van de ten laste gelegde periode onder 3 oordeelt de rechtbank dat de verdachte in de periode van 29 juli 2016 tot en met 25 augustus 2021 werkzaam is geweest bij de verdachte. De rechtbank baseert dit oordeel op het boeterapport Wet arbeid vreemdelingen van de Inspectie SZW van maart 2017, waaruit blijkt dat [slachtoffer] op 29 juli 2016 als vreemdeling illegaal werkte bij de verdachte, de verklaringen van getuigen [getuige 1] en [getuige 2] , de broer van [slachtoffer] , dat [slachtoffer] sinds 2009/2010 werkzaam was voor de verdachte, het feit dat [slachtoffer] op 25 augustus 2021 voor de verdachte werkzaam was en de gegevens van de telefoon van [slachtoffer] . Uit deze telefoongegevens volgt dat [slachtoffer] veel contact had met de gebruiker van het telefoonnummer [telefoonnummer] . [slachtoffer] heeft hierover verklaard dat dit het nummer van de verdachte was en dat hij met de verdachte via dit nummer veelvuldig contact had over het verrichten van werkzaamheden voor de verdachte. Deze verklaring wordt ondersteund door de inhoud van het contact.

4.1.4.

Conclusie

Bewezen is dat de verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan.

4.2.

Bewezenverklaring

In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

1

Hij op 25 augustus 2021 te ’s-Gravenhage,

als werkgever,

bij het laten verrichten van arbeid voor [naam bedrijf] , bestaande –

zakelijk weergegeven – uit schilderwerkzaamheden en alle daarbij behorende

werkzaamheden zoals het verwijderen van oude verflagen en schuren,

opzettelijk handelingen heeft verricht en nagelaten

in strijd met de Arbeidsomstandighedenwet en de daarop berustende bepalingen,

door in strijd met artikel 3 eerste lid van de Arbeidsomstandighedenwet

niet te zorgen voor de veiligheid en de gezondheid van een werknemer,

inzake alle met de arbeid verbonden aspecten en daartoe niet een beleid te

voeren dat is gericht op zo goed mogelijke arbeidsomstandigheden en daarbij

niet, gelet op de stand van de wetenschap en professionele dienstverlening, de

arbeid zodanig te organiseren dat daarvan geen nadelige invloed uitgaat op de

veiligheid of de gezondheid van die werknemer en de gevaren en risico’s voor

de veiligheid of de gezondheid van die werknemer niet zoveel mogelijk in eerste

aanleg bij de bron daarvan te voorkomen of te beperken, ,

immers heeft hij

- de arbeid niet zodanig georganiseerd, waardoor een werknemer, te weten [slachtoffer]

, ernstige schade aan de gezondheid heeft opgelopen in de vorm van

lichamelijk letsel en

- nagelaten om voldoende maatregelen te treffen om te voorkomen dat tijdens het

verrichten van de werkzaamheden aan de dakgoot/daklijst, op hoogte, op het

balkon, op een trap, een werknemer van de trap over de leuning van het

balkon zou kunnen vallen,

en

in strijd met artikel 5, eerste lid, van de Arbeidsomstandighedenwet

bij het voeren van zijn arbeidsomstandighedenbeleid nagelaten om in een

Risico-Inventarisatie en -evaluatie of soortgelijk document zoals een taak

risicoanalyse (TRA) schriftelijk vast te leggen welke risico’s het verrichten van

schilderwerkzaamheden op verschillende arbeidsplaatsen en het gebruik van

arbeidsmiddelen op die verschillende arbeidsplaatsen, met zich meebrengen en

in strijd met artikel 8, eerste lid en vierde lid van de Arbeidsomstandighedenwet

zijn werknemer niet of onvoldoende doeltreffend heeft ingelicht over de aan te

verrichten werkzaamheden verbonden risico’s en over de maatregelen die er op

gericht zijn deze risico’s te voorkomen of te beperken en er niet op toe gezien dat

de instructies en voorschriften gericht op het voorkomen of beperken van de in het

eerste lid genoemde risico’s werden nageleefd,

immers heeft hij, verdachte,

- nagelaten die werknemer doeltreffend in te lichten over de risico’s van het

werken op hoogte en over de maatregelen om die risico’s te beperken of te

voorkomen en

- de werknemer geen instructies gegeven die er voor moesten zorgen dat [slachtoffer]

niet van het balkon naar beneden zou vallen en

- niet of onvoldoende toegezien op de naleving van de instructies en voorschriften

gericht op het voorkomen of beperken van aan het werken op hoogte verbonden

risico’s,

en

in strijd met artikel 7.3, eerste lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit

nagelaten, bij de keuze van de arbeidsmiddelen die zij ter beschikking stelt,

rekening te houden met de specifieke kenmerken van de arbeid, met de

omstandigheden waaronder deze worden verricht, met de op de arbeidsplaats al

bestaande gevaren en met de gevaren die daaraan zouden kunnen worden

toegevoegd,

immers heeft hij, verdachte,

- bij het ter beschikking stellen van een arbeidsmiddel, te weten een trap,

nagelaten te beoordelen welke gevaren het gebruik van deze trap in relatie

tot de arbeidsplaats waar de werkzaamheden moesten worden verricht, te

inventariseren en te evalueren, immers werd de trap gebruikt om

werkzaamheden op hoogte te verrichten waarbij het slachtoffer zich boven het

aanwezige hekwerk van het balkon bevond, waarbij het gevaar bestond om over het

aanwezige hekwerk naar beneden te vallen en

in strijd met artikel 7.23 lid 2 jo. Lid 5 van het Arbeidsomstandighedenbesluit

nagelaten het gebruik van ladders en trappen als arbeidsplaats op hoogte te

beperken tot omstandigheden waarin het gebruik van andere, veiligere

arbeidsmiddelen niet gerechtvaardigd is en nagelaten ter minimalisering van de

aan dit arbeidsmiddel verbonden risico’s voor werknemers, de nodige maatregelen

te treffen zoals het aanbrengen van valbeveiligingen,

immers heeft hij, verdachte,

- nagelaten om bij het gebruik van de trap, waarbij het risico bestond over het

aanwezige leuningwerk van het balkon naar beneden te vallen, maatregelen te

treffen in de vorm van het aanbrengen van valbeveiligingen, om het vallen van

hoogte te voorkomen, terwijl dit wel mogelijk was,

terwijl daardoor naar hij wist of redelijkerwijs had moeten weten telkens

levensgevaar en ernstige schade aan de gezondheid van een werknemer, te

weten [slachtoffer] , ontstond en te verwachten was;

2

hij op 25 augustus 2021 te ’s-Gravenhage,

grovelijk, onvoorzichtig, onachtzaam en nalatig heeft

gehandeld

door een werknemer, te weten [slachtoffer] , arbeid te laten verrichten op een

trap op een balkon op de tweede verdieping van een woning aan de

[adres 2] , waarbij gevaar bestond om 7,35 meter te vallen

en sprake was van valgevaar

en

in aanwezigheid van risico-verhogende omstandigheden, te weten de aanwezigheid

van een trap waardoor de werknemer zich op enig moment boven het

aanwezige hekwerk kon bevinden, terwijl zij de risico’s die die arbeid voor die

werknemer met zich meebracht niet, althans onvoldoende heeft geïnventariseerd

en in een werkplan heeft vastgelegd,

en

geen, in elk geval onvoldoende maatregelen heeft getroffen om dat valgevaar tegen

te gaan,

waardoor het aan zijn schuld te wijten is dat de werknemer [slachtoffer] over het

balkonhek naar beneden is gevallen en bij die val op de grond terecht is gekomen

en zwaar lichamelijk letsel heeft bekomen, te weten: een

schedelbasisfractuur en een bloeding in de hersenen en

botbreuken in de rug;

3

hij in de periode van 29 juli 2016 tot en

met 25 augustus 2021 te ’s-Gravenhage, in elk geval in Nederland,

een persoon, te weten [slachtoffer] , met de Marokkaanse nationaliteit, uit winstbejag

behulpzaam is geweest bij het zich verschaffen van verblijf in Nederland, , terwijl hij, verdachte, wist of ernstige redenen had te vermoeden dat dat

verblijf wederrechtelijk was,

immers heeft hij, verdachte, bovengenoemde persoon arbeid laten verrichten in

zijn bedrijf [naam bedrijf] ,

en

hij in de periode van 29 juli 2016 tot en

met 25 augustus 2021 te ’s-Gravenhage, in elk geval in Nederland, een ander , te weten [slachtoffer] , die zich wederrechtelijk toegang tot of verblijf in

Nederland heeft verschaft, krachtens overeenkomst of aanstelling arbeid doet

verrichten,

-door die [slachtoffer] kluswerkzaamheden te laten verrichten voor [naam bedrijf]

en

-door die [slachtoffer] te betalen

terwijl hij, verdachte, wist of ernstige redenen had te vermoeden dat de toegang of

dat verblijf wederrechtelijk was.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

5 Strafbaarheid feiten

De bewezen feiten leveren op:

t.a.v. feit 1:

overtreding van het bepaalde bij en krachtens artikel 32 van de Arbeidsomstandighedenwet , opzettelijk begaan, meermalen gepleegd ;

t.a.v. feit 2:

aan zijn schuld te wijten zijn dat een ander zwaar lichamelijk letsel bekomt;

t.a.v. feit 3:

de eendaadse samenloop van

een ander uit winstbejag behulpzaam zijn bij het zich verschaffen van verblijf in Nederland en hem daartoe gelegenheid, middelen of inlichtingen verschaffen, terwijl hij weet of ernstige redenen heeft te vermoeden dat dat verblijf wederrechtelijk is,

en

een ander, die zich wederrechtelijk toegang tot of verblijf in Nederland heeft verschaft, krachtens overeenkomst of aanstelling arbeid doen verrichten, terwijl hij weet of ernstige redenen heeft om te vermoeden dat de toegang of dat verblijf wederrechtelijk is.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. De feiten zijn dus strafbaar.

6 Strafbaarheid verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

7 Motivering straf

7.1.

Algemene overweging

De straf en maatregel die aan de verdachte wordt opgelegd, zijn gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

7.2.

Feiten waarop de straf is gebaseerd

Op 25 augustus 2021 heeft zich een ongeval voorgedaan als gevolg waarbij [slachtoffer] , die werkte voor de eenmanszaak van de verdachte, zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen. De verdachte droeg als werkgever de verantwoordelijkheid voor de veiligheid en het welzijn van zijn werknemer op de werkplaats en was uit dien hoofde verplicht passende en adequate maatregelen te treffen tegen de op de arbeidslocatie aanwezige gevaren. Dit heeft de verdachte nagelaten. De verdachte heeft zich onvoldoende rekenschap gegeven van de veiligheidsrisico’s die aan het verrichten van de werkzaamheden op hoogte waren verbonden. Hiermee is de verdachte ernstig tekortgeschoten in zijn zorgplicht.

Daarnaast heeft de verdachte [slachtoffer] over een periode van ten minste vijf jaar, maar mogelijk reeds sinds 2010, laten werken tegen, naar Nederlandse maatstaven, een zeer laag uurloon van € 7,-. Verder verrichtte het slachtoffer schilderwerkzaamheden onder gevaarlijke omstandigheden, hetgeen geleid heeft tot het arbeidsongeval. Door aldus te handelen heeft de verdachte zich aanzienlijk verrijkt door arbeidskosten te besparen. De verdachte is [slachtoffer] behulpzaam geweest bij het als illegaal vreemdeling verblijven in Nederland en heeft hem in die hoedanigheid arbeid laten verrichten. Hij heeft zijn illegale verblijf in Nederland daarmee mogelijk gemaakt, terwijl hij er zelf beter van werd.

Illegaal verblijf van vreemdelingen maakt een ernstige inbreuk op de rechtsorde en ondermijnt de belangen van de Nederlandse overheid die zij heeft bij het verwezenlijken van haar beleid bij het bestrijden van illegaal verblijf van vreemdelingen en illegale arbeid. Voorts houden deze feiten een illegaal circuit in stand, dat ongewenste maatschappelijke effecten met zich brengt, met - niet zelden - persoonlijk leed tot gevolg. De verdachte heeft geen rekening gehouden met de bovengenoemde schadelijke gevolgen van zijn handelen en was slechts uit op eigen financieel eigen gewin. De rechtbank rekent dit de verdachte zwaar aan.

7.3.

Persoonlijke omstandigheden van de verdachte

7.3.1.

Strafblad

De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van

11 januari 2024, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld.

7.4.

Conclusies van de rechtbank

Gelet op hetgeen de rechtbank hierboven heeft overwogen, komt zij tot de volgende conclusies.

Gezien de ernst van de feiten kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een gevangenisstraf. Bij de bepaling van de duur van de gevangenisstraf heeft de rechtbank acht geslagen op straffen die in soortgelijke zaken plegen te worden opgelegd.

Alles afwegend acht de rechtbank de hierna te noemen straf en maatregel passend en geboden.

Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de veroordeelde in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire beginselenwet , dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.

8 Vordering benadeelde partij / schadevergoedingsmaatregel

Als benadeelde partij heeft zich in het geding gevoegd: [benadeelde partij] ter zake van de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten. De benadeelde partij vordert een vergoeding van € 82.613,10 aan materiële schade en een vergoeding van € 80.000,00 aan immateriële schade. De benadeelde partij heeft gevorderd het te vergoeden bedrag te vermeerderen met wettelijke rente.

8.1.

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de vordering van de benadeelde partij wordt toegewezen, omdat de vordering voldoende is onderbouwd.

8.2.

Standpunt verdediging

De verdediging heeft primair verzocht de vordering niet-ontvankelijk te verklaren dan wel af te wijzen, omdat de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. Subsidiair heeft de verdediging verzocht de vordering niet-ontvankelijk te verklaren, vanwege de bepleite vrijspraak en meer subsidiair heeft de verdediging verzocht de hoogte van de toegewezen schade te matigen.

8.3.

Beoordeling

De verdachte is bij een nog niet onherroepelijk vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Den Haag van 17 oktober 2023 veroordeeld tot hoofdelijke aansprakelijkheid van alle als gevolg van het ongeval op 25 augustus 2021 door de benadeelde partij geleden schade, bekend en onbekend. Daarnaast is er een voorschot van de geleden schade toegewezen. Nu dit vonnis nog niet onherroepelijk is, heeft de benadeelde partij belang bij het vorderen van de schade in het strafproces.

Nu is komen vast te staan dat aan de benadeelde partij door de onder 1 en 2 bewezen verklaarde strafbare feiten rechtstreeks (materiële) schade is toegebracht terwijl dit door de verdachte niet voldoende gemotiveerd is weersproken, zal de vordering worden toegewezen.

De rechtbank bepaalt dat het te vergoeden schadebedrag vermeerderd wordt met wettelijke rente vanaf 25 augustus 2021.

Nu de vordering van de benadeelde partij zal worden toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.

8.4.

Conclusie

De verdachte moet de benadeelde partij een schadevergoeding betalen van € 162.613,10, vermeerderd met de wettelijke rente en kosten als hieronder in de beslissing vermeld.

Tevens wordt oplegging van de hierna te noemen maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht passend en geboden geacht.

10 Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

11 Beslissing

De rechtbank:

verklaart bewezen, dat de verdachte de ten laste gelegde feiten, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 (zes) maanden;

veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij [benadeelde partij], te betalen een bedrag van € 162.613,10 (zegge: honderdtweeënzestigduizend zeshonderddertien euro en tien eurocent), bestaande uit € 82.613,10 aan materiële schade en € 80.000,00 aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 25 augustus 2021 tot aan de dag der algehele voldoening;

veroordeelt de verdachte in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden aan de zijde van de benadeelde partij begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

legt aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting aan de staat ten behoeve van [benadeelde partij] te betalen € 162.613,10 (hoofdsom, zegge: honderdtweeënzestigduizend zeshonderddertien euro en tien eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 25 augustus 2021 tot aan de dag van de algehele voldoening; bepaalt dat indien volledig verhaal van de hoofdsom van € 162.613,10 niet mogelijk blijkt, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 365 dagen; de toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.

Dit vonnis is gewezen door mr. L. Daum, voorzitter,

en mrs. E. Rabbie en S.W.H. Bootsma, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. G.C. van de Fliert, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting op de datum die in de kop van dit vonnis is vermeld.

De jongste rechter en de griffier zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage I

Tekst tenlastelegging

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

Hij op of omstreeks 25 augustus 2021 te ’s-Gravenhage,althans in Nederland,

als werkgever,

bij het laten verrichten van arbeid voor [naam bedrijf] , bestaande –

zakelijk weergegeven - uit schilderwerkzaamheden en alle daarbij behorende

werkzaamheden zoals o.a. het verwijderen van oude verflagen en schuren,

al dan niet opzettelijk

(een) handeling(en) heeft verricht en/of nagelaten

in strijd met de Arbeidsomstandighedenwet en/of de daarop berustende

bepalingen,

door in strijd met

Artikel 3 eerste lid van de Arbeidsomstandighedenwet ,

niet te zorgen voor de veiligheid en/of de gezondheid van een of meer werknemers,

inzake alle met de arbeid verbonden aspecten en/of daartoe niet een beleid te

voeren dat is gericht op zo goed mogelijke arbeidsomstandigheden en/of daarbij

niet, gelet op de stand van de wetenschap en professionele dienstverlening, de

arbeid zodanig te organiseren dat daarvan geen nadelige invloed uitgaat op de

veiligheid of de gezondheid van die werknemer(s) en/of de gevaren en risico's voor

de veiligheid of de gezondheid van die werknemer(s) niet zoveel mogelijk in eerste

aanleg bij de bron daarvan te voorkomen of te beperken, althans daarbij geen

doeltreffende maatregelen te treffen die waren gericht op collectieve bescherming

en/of individuele bescherming,

immers heeft hij

- De arbeid niet zodanig georganiseerd, waardoor een werknemer, te weten [slachtoffer]

, ernstige schade aan de gezondheid heeft opgelopen in de vorm van

lichamelijk letsel en/of

- nagelaten om voldoende maatregelen te treffen om te voorkomen dat tijdens het

verrichten van de werkzaamheden aan de dakgoot/daklijst, op hoogte, op het

balkon, op een (keuken)trap, een werknemer van de trap over de leuning van het

balkon zou kunnen vallen,

en/of

in strijd met artikel 5, eerste lid, van de Arbeidsomstandighedenwet

bij het voeren van zijn arbeidsomstandighedenbeleid nagelaten om in een

Risico-Inventarisatie en -evaluatie of soortgelijk document zoals een taak

risicoanalyse (TRA) schriftelijk vast te leggen welke risico’s het verrichten van

schilderwerkzaamheden op verschillende arbeidsplaatsen en het gebruik van

arbeidsmiddelen op die verschillende arbeidsplaatsen, met zich meebrengen en/of

in strijd met artikel 8, eerste lid en/of vierde lid van de Arbeidsomstandighedenwet

zijn werknemers niet of onvoldoende doeltreffend heeft ingelicht over de aan te

verrichten werkzaamheden verbonden risico’s en/of over de maatregelen die er op

gericht zijn deze risico’s te voorkomen of te beperken en/of er niet op toe gezien dat

de instructies en voorschriften gericht op het voorkomen of beperken van de in het

eerste lid genoemde risico’s werden nageleefd,

immers heeft hij, verdachte,

- nagelaten die werknemers doeltreffend in te lichten over de risico’s van het

werken op hoogte en/of over de maatregelen om die risico’s te beperken of te

voorkomen en/of

- de werknemers geen instructies gegeven die er voor moesten zorgen dat [slachtoffer]

niet van het balkon naar beneden zou vallen en/of

- niet of onvoldoende toegezien op de naleving van de instructies en voorschriften

gericht op het voorkomen of beperken van aan het werken op hoogte verbonden

risico’s,

en/of

in strijd met artikel 7.3, eerste lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit

nagelaten, bij de keuze van de arbeidsmiddelen die zij ter beschikking stelt,

rekening te houden met de specifieke kenmerken van de arbeid, met de

omstandigheden waaronder deze worden verricht, met de op de arbeidsplaats al

bestaande gevaren en met de gevaren die daaraan zouden kunnen worden

toegevoegd,

Immers heeft hij, verdachte,

- bij het ter beschikking stellen van een arbeidsmiddel, te weten een (keuken)trap,

nagelaten te beoordelen welke gevaren het gebruik van deze (keuken)trap in relatie

tot de arbeidsplaats waar de werkzaamheden moesten worden verricht, te

inventariseren en te evalueren, immers werd de (keuken)trap gebruikt om

werkzaamheden op hoogte te verrichten waarbij het slachtoffer zich boven het

aanwezige hekwerk van het balkon bevond, waarbij het gevaar bestond om over het

aanwezige hekwerk naar beneden te vallen en/of

In strijd met artikel 7.23 lid 2 jo. lid 5 van het Arbeidsomstandighedenbesluit

Nagelaten het gebruik van ladders en trappen als arbeidsplaats op hoogte te

beperken tot omstandigheden waarin het gebruik van andere, veiligere

arbeidsmiddelen niet gerechtvaardigd is en/of nagelaten ter minimalisering van de

aan dit arbeidsmiddel verbonden risico’s voor werknemers, de nodige maatregelen

te treffen zoals het aanbrengen van valbeveiligingen,

Immers heeft hij, verdachte,

- Nagelaten om bij het gebruik van de trap, waarbij het risico bestond over het

aanwezige leuningwerk van het balkon naar beneden te vallen, maatregelen te

treffen in de vorm van het aanbrengen van valbeveiligingen, om het vallen van

hoogte te voorkomen, terwijl dit wel mogelijk was,

terwijl daardoor naar hij wist of redelijkerwijs had moeten weten (telkens)

levensgevaar en/of ernstige schade aan de gezondheid van een werknemer, te

weten [slachtoffer] , ontstond en/of te verwachten was;

2

Hij op of omstreeks 25 augustus 2021 te ‘s-Gravenhage, in elk geval in Nederland,

grovelijk, althans aanmerkelijk onvoorzichtig, onachtzaam en of nalatig heeft

gehandeld

door een werknemer, te weten [slachtoffer] , arbeid te laten verrichten op een

(keuken)trap op een balkon op de tweede verdieping van een woning aan de

[adres 2] , waarbij gevaar bestond om 7,35 meter te vallen

en/of sprake was van valgevaar

en/of

in aanwezigheid van risico-verhogende omstandigheden, te weten de aanwezigheid

van een (keuken)trap waardoor de werknemer zich op enig moment boven het

aanwezige hekwerk kon bevinden, terwijl zij de risico's die die arbeid voor die

werknemer met zich meebracht niet, althans onvoldoende heeft geïnventariseerd

en/of in een werkplan heeft vastgelegd,

en/of

geen, in elk geval onvoldoende maatregelen heeft getroffen om dat valgevaar tegen

te gaan,

waardoor het aan zijn schuld te wijten is dat de werknemer [slachtoffer] over het

balkonhek naar beneden is gevallen en/of bij die val op de grond terecht is gekomen

en zwaar lichamelijk letsel heeft bekomen, althans zodanig lichamelijk letsel dat

daaruit tijdelijke ziekte en/of verhindering in de uitoefening van de ambts- of

beroepsbezigheden van genoemde [slachtoffer] was ontstaan, te weten: een

schedelbasisfractuur en/of meerdere bloedingen in de hersenen en/of (een)

botbreuk(en) in de rug;

3

hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 29 juli 2016 tot en

met 25 augustus 2021 te ’s-Gravenhage, in elk geval in Nederland,

Een persoon, te weten [slachtoffer] , met de Marokaanse nationaliteit, uit winstbejag

behulpzaam is geweest bij het zich verschaffen van verblijf in Nederland, dan wel

voornoemde persoon daartoe gelegenheid en/of middelen en/of/ inlichtingen heeft

verschaft, terwijl hij, verdachte, wist of ernstige redenen had te vermoeden dat dat

verblijf wederrechtelijk was,

immers heeft hij, verdachte, bovengenoemde persoon arbeid laten verrichten in

zijn bedrijf [naam bedrijf] ,

en/of

hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 29 juli 2016 tot en

met 25 augustus 2021 te ’s-Gravenhage, in elk geval in Nederland, een ander of

anderen, te weten [slachtoffer] , die zich wederrechtelijk toegang tot of verblijf in

Nederland heeft verschaft, krachtens overeenkomst of aanstelling arbeid doet

verrichten,

-door die [slachtoffer] kluswerkzaamheden te laten verrichten voor [naam bedrijf]

en/of

-door geld aan die [slachtoffer] te geven, althans die [slachtoffer] te betalen en/of door

goederen voor die [slachtoffer] te kopen

terwijl hij, verdachte, wist of ernstige redenen had te vermoeden dat de toegang of

dat verblijf wederrechtelijk was.

Inspectie SZW heet sinds 1 januari 2022: de Nederlandse Arbeidsinspectie.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde jurisprudentie

Gerelateerde advocaten

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature