U dient ingelogd te zijn om favorieten te kunnen toevoegen aan Mijn Jure
U kunt zich hier gratis registreren
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Zittingsplaats:
Instantie:

Inhoudsindicatie:

Bewezenverklaring zware mishandeling en vernieling. Gevangenisstraf voor de duur van 26 weken.

Uitspraak



Rechtbank Rotterdam

Team straf 1

Parketnummer: 10-013383-24

Datum zitting: 11 maart 2024

Datum uitspraak: 25 maart 2024

Tegenspraak

Vonnis van de meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] [geboortedatum] 1995, ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres [adres] , [postcode] te [woonplaats] , raadsvrouw M.T.H. Oeij, advocaat te Rotterdam.

Officier van justitie: H.H. Balk.

Beschuldiging in de tenlastelegging

De verdachte wordt onder 1 primair beschuldigd van poging doodslag, subsidiair van zware mishandeling, meer subsidiair van poging zware mishandeling en meest subsidiair van eenvoudige mishandeling en onder 2 van vernieling. De volledige tenlastelegging houdt in dat de verdachte:

Feit 1

primair

op of omstreeks 12 januari 2024 te Rotterdam, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer] opzettelijk van het leven te beroven,

die [slachtoffer] op/tegen het hoofd, althans het lichaam heeft geslagen/gestompt waardoor die [slachtoffer] ten val is gekomen en/of (vervolgens) terwijl die [slachtoffer] bewusteloos op de grond lag,

meermalen, althans eenmaal in/op/tegen het gezicht, althans het hoofd en/of het lichaam van die [slachtoffer] heeft geslagen/gestompt en/of

meermalen, althans eenmaal in/op/tegen het gezicht, althans het hoofd en/of het lichaam van die [slachtoffer] heeft getrapt/geschopt,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair

op of omstreeks 12 januari 2024 te Rotterdam, aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten een of meerdere subdura(a)l(e) hemato(o)m(en) en/of een gescheurde mondhoek en/of een gebroken neus, heeft toegebracht door die [slachtoffer] meermalen, althans eenmaal tegen het hoofd en het lichaam te slaan/stompen en/of te schoppen/trappen;

meer subsidiair

op of omstreeks 12 januari 2024 te Rotterdam, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen

- die [slachtoffer] op/tegen het hoofd, althans het lichaam heeft geslagen/gestompt waardoor die [slachtoffer] ten val is gekomen

en/of (vervolgens) terwijl die [slachtoffer] op de grond lag,

meermalen, althans eenmaal in/op/tegen het gezicht, althans het hoofd en/of het lichaam van die [slachtoffer] heeft geslagen/gestompt en/of

meermalen, althans eenmaal in/op/tegen het gezicht, althans het hoofd en/of het lichaam van die [slachtoffer] heeft getrapt/geschopt,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

meest subsidiair

op of omstreeks 12 januari 2024 te Rotterdam, [slachtoffer] heeft mishandeld door die [slachtoffer]

- op/tegen het hoofd, althans het lichaam te slaan/stompen waardoor die [slachtoffer] ten val is gekomen

en/of (vervolgens) terwijl die [slachtoffer] op de grond lag,

meermalen, althans eenmaal in/op/tegen het gezicht, althans het hoofd en/of het lichaam van die [slachtoffer] te slaan/stompen en/of

meermalen, althans eenmaal in/op/tegen het gezicht, althans het hoofd en/of het lichaam van die [slachtoffer] te trappen/schoppen,

terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel, te weten een of meerdere subdura(a)l(e) hemato(o)m(en) en/of een gescheurde mondhoek en/of een gebroken neus ten gevolge heeft gehad;

Feit 2

op of omstreeks 12 januari 2024 te Rotterdam, opzettelijk en wederrechtelijk een telefoon (iPhone 13), in elk geval enig goed, die geheel of ten dele aan [slachtoffer] , in elk geval aan een ander toebehoorde, heeft vernield, beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt.

Bewijs

Vordering officier van justitie

De officier van justitie vindt dat feit 1 primair en feit 2 bewezen kunnen worden.

Bewezenverklaring

Bewezen is dat de verdachte:

Feit 1

subsidiair

op 12 januari 2024 te Rotterdam, aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten subdurale hematomen, een gescheurde mondhoek en een gebroken neus, heeft toegebracht door die [slachtoffer] meermalen tegen het hoofd te slaan en tegen het lichaam trappen.

Feit 2

op 12 januari 2024 te Rotterdam, opzettelijk en wederrechtelijk een iPhone 13, die aan [slachtoffer] toebehoorde, heeft beschadigd.

Bewijsoverweging

Feit 1

Feiten en omstandigheden

Op 12 januari 2024 is er ruzie geweest tussen de verdachte en zijn buurman [slachtoffer] (hierna: de aangever). De verdachte heeft de aangever meerdere malen in het gezicht geslagen en tegen het lichaam getrapt. Het letsel dat de verdachte hiermee heeft veroorzaakt bij de aangever bestaat onder meer uit een gebroken neus, een scheur in de mondhoek en naar later bleek op twee plaatsen, een hersenbloeding tussen het harde hersenvlies en het spinnenwebvlies (subduraal hematoom). De wond in het gelaat is met zeven hechtingen gesloten, en er is kans op blijvende littekens. Verder is de aangever één maand na het incident, van 17 februari tot en met 25 februari 2024, opgenomen geweest in het ziekenhuis wegens een langer bestaande aanwezige hersenbloeding in beide hersenhelften (chronisch subdurale hematomen). Daarvoor heeft de aangever een (operatieve) boorgatdrainage moeten ondergaan.

Standpunt officier van justitie

De poging tot doodslag (primair) kan wettig en overtuigend bewezen worden. De verdachte heeft met zijn handelingen bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat de aangever zou komen te overlijden.

Standpunt verdediging

De verdachte moet worden vrijgesproken van het primair, subsidiair en meer subsidiair tenlastegelegde. Voor de zware mishandeling (en de poging daartoe) is aangevoerd dat het opzet ontbreekt - ook in voorwaardelijke vorm. De gebroken neus en gescheurde mondhoek zijn niet te beschouwen als zwaar lichamelijk letsel. Ten aanzien van de subdurale hematomen als zwaar lichamelijk letsel refereert de verdediging zich.

Oordeel rechtbank

De verdachte wordt vrijgesproken van de primair ten laste gelegde poging tot doodslag. Het dossier biedt te weinig informatie om de intensiteit en de kracht van de geweldshandelingen te bepalen. Het is ook onduidelijk gebleven of de verdachte tijdens het trappen schoenen aanhad. Uit het geweld dat de verdachte heeft toegepast, volgt voor de rechtbank daarom niet dat hij bewust de aanmerkelijke kans aanvaardde dat de aangever door het geweld zou overlijden.

Wel wordt uit de uiterlijke verschijningsvorm van de bewezenverklaarde geweldshandelingen en het ontstane letsel afgeleid dat de verdachte opzet had op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel bij de aangever. Het letsel is daarnaast ook te duiden als zwaar lichamelijk letsel. Van belang hierbij is de hiervoor omschreven aard van het letsel (o.a. ernstig hersenletsel), het noodzakelijke operatieve ingrijpen (boorgatdrainage bij de hersenen) en het ontbreken van uitzicht op volledig herstel. Het herstelproces van het slachtoffer is immers nog gaande en er kan geen uitspraak gedaan worden over de genezingsduur of de eventuele restverschijnselen.

Bewijsmotivering

De bewezenverklaring en de bewijsoverweging steunen op de inhoud van de hieronder opgenomen en opgesomde bewijsmiddelen.

Bewijsmiddelen

Feit 1

subsidiair

1. Aangifte van [slachtoffer] van 12 januari 2024

Op 12 januari 2024 te Rotterdam ben ik mishandeld door [voornaam verdachte] . Ik zag dat hij meerdere keren sloeg met zijn rechter en linker gebalde vuist. Toen ik op de grond lag voelde ik ook pijn omdat hij mij sloeg of schopte. Ik heb pijn aan mijn achterhoofd. Mijn linker mondhoek is ingescheurd. Ik moet ter controle naar het ziekenhuis omdat ik gehecht moet worden. Ik heb meerdere sneeën en verwondingen aan mijn hoofd.

2. Getuigenverklaring van [getuige] van 12 januari 2024

Ik zag op straat een man een andere man een paar klappen geven. Het slachtoffer stond toen nog rechtop. Ik keek even niet en een paar seconden later lag het slachtoffer op de grond. Toen werd het slachtoffer omhooggetild door de dader en kreeg het slachtoffer nog een trap en een klap. Na nog een paar klappen lag het slachtoffer weer op de grond. Vervolgens zag ik dat de dader het slachtoffer nog een paar klappen en trappen tegen gaf. Het slachtoffer stond toen weer rechtop en zat helemaal onder het bloed. Dit gaf het slachtoffer tijd om weg te lopen, maar toen ik naar hem keek zag ik dat hij heel verward overkwam, alsof hij een hersenschudding had, en hij liep niet weg maar bleef staan. Ik zag dat het slachtoffer een heel bebloed gezicht had. Toen hij wegliep keek ik naar buiten en zag ik de dader teruggaan naar het slachtoffer en weer slaan.

3. FARR-verklaring van 13 januari 2024

Informatie betreft medische informatie bezoek Spoedeisende hulp van het Sint Franciscus Gasthuis op 12-01-2024. Er was sprake van een forse zwelling ter hoogte van de linker onderkaak en het linker jukbeen. Forse wond linker onderlip, doorlopend tot in het mondslijmvlies. Een CT-scan van het aangezicht liet een neusbreuk zien. De wond in het aangezicht werd met in totaal 7 hechtingen gesloten. Kans op vorming blijvend litteken gelaat.

4. FARR-verklaring van 4 maart 2024

3-3-2024: letselvertaling betreffende incident op 12-1-2024. Deze letselvertaling dient

als aanvulling op eerder verstuurde documentatie betreffende het bezoek op 12-1-2024 aan de Spoedeisende hulp van het Sint Franciscus Gasthuis.

Op 17-2-2024 werd middels CT-scan waargenomen dat er een langer bestaand aanwezige hersenbloeding is onder het harde hersenvlies welke verloopt in beide hersenhelften (chronisch subduraal hematoom). Op deze scan waren er tekenen van een verhoogde hersendruk. Betrokkene melde zich op de Spoedeisende hulp op 17-2-2024 wegens een week bestaande klachten van een slepen van het rechterbeen. Hierbij gaf betrokkene ook misselijkheid en hoofdpijnklachten aan. Ter behandeling en controle is betrokkene opgenomen in het ziekenhuis van 17-2-2024 tot en met 22-2-2024. Tijdens deze opname zou betrokkene nog last gehad hebben van gevoelsverlies bij de linkerarm. In overleg met de neurochirurgie van het Erasmus Medisch Centrum werd besloten om betrokkene over te plaatsen naar het Erasmus Medisch Centrum voor boorgatdrainage.

Van 22-2-2024 tot en met 25-2-2024 zou betrokkene opgenomen zijn in het Erasmus Medisch Centrum. Op 23-2-2024 was er operatieve ontlasting van de hersenbloeding middels één boorgat en het plaatsen van een aftapbuis. Op 25-2-2024 zou betrokkene terug overgeplaatst zijn naar heet Sint-Franciscus Gasthuis voor verder herstel.

Wegens het nog gaand herstelproces kan er geen uitspraak gedaan worden over de genezingsduur of de eventuele restverschijnselen die kunnen optreden.

Feit 2

Verklaring van de verdachte op de zitting van 11 maart 2024

Aangifte van [slachtoffer] van 12 januari 2024

Verboden gedragingen en strafbaarheid

Kwalificatie

Feit 1

Zware mishandeling

Feit 2

Het opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, beschadigen

Strafbaarheid feiten en verdachte

De feiten en de verdachte zijn strafbaar.

Straf

Eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft een gevangenisstraf geëist van 42 maanden met aftrek van voorarrest. Daarnaast vordert hij een locatieverbod (200 meter rondom de woning van [slachtoffer] ) en een contactverbod in de vorm van een dadelijk uitvoerbare 38v-maatregel. Hij gaat daarbij uit van een bewezenverklaring van poging doodslag en vernieling.

Beoordeling

Gepleegde feiten

De verdachte heeft naar aanleiding van een ruzie zijn buurman [slachtoffer] meerdere keren geslagen en getrapt. De verdachte heeft aangegeven dat hij voorafgaand aan het incident zes tot acht (flesjes) bier had gedronken en dat dit zijn reactie heeft beïnvloed. Het betreft een zware mishandeling met veel impact. [slachtoffer] heeft door het incident flink letsel opgelopen en is als gevolg van de mishandeling één maand later met fors hersenletsel in het ziekenhuis opgenomen. De verdachte heeft met zijn handelen de lichamelijke integriteit van het slachtoffer in ernstige mate geschonden. Dit soort feiten versterken gevoelens van angst en onveiligheid, in het bijzonder voor [slachtoffer] en de omstanders die getuige zijn geweest van het geweld. Daarnaast heeft de verdachte de telefoon van [slachtoffer] beschadigd.

Persoon verdachte

Uit zijn strafblad van 16 februari 2024 blijkt dat de verdachte in 2022 een taakstraf opgelegd kreeg wegens vernieling. Dit zal marginaal in negatieve zin worden meegewogen in de strafoplegging.

Passende straf

De ernst van de feiten rechtvaardigt een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. De straf die de officier van justitie eist van 42 maanden, is gebaseerd op een poging doodslag. Die poging acht de rechtbank niet bewezen en daar baseert de rechtbank de straf dus niet op.

De rechtbank baseert de straf op bewezenverklaring van zware mishandeling. Rekening is gehouden met de LOVS-oriëntatiepunten voor dit delict, maar de context van de zaak en de gevolgen voor het slachtoffer zijn in strafverhogende zin meegewogen. Ook is gekeken naar straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd. De rechtbank ziet geen aanleiding om een deel van de straf voorwaardelijk op te leggen.

Geen vrijheidsbeperkende maatregel

De rechtbank legt geen contact- en of locatieverbod op. Zo’n verbod zou feitelijk betekenen dat de verdachte wordt genoodzaakt te verhuizen. In beginsel wordt een verhuizing niet beoogd met een contact- of locatieverbod. Het is een feit van algemene bekendheid dat woningen nu moeilijk verkrijgbaar zijn, dus het zou onzeker zijn of de verdachte tijdig een andere woning zou kunnen vinden. Dit zou ook gevolgen hebben voor het kind waar de verdachte wekelijks zorg voor draagt. Deze gevolgen staan, in combinatie met de gevangenisstraf die de verdachte wordt opgelegd, niet in verhouding tot het bewezenverklaarde feit.

Conclusie

Voor de bewezenverklaarde feiten wordt aan de verdachte een onvoorwaardelijke gevangenisstraf opgelegd van 26 weken.

Wettelijke voorschriften

Bij de strafoplegging is gelet op artikel 302 en artikel 350 van het Wetboek van Strafrecht .

Vordering benadeelde partij en schadevergoedingsmaatregel

Vordering

Het slachtoffer [slachtoffer] heeft zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd. Hij vordert € 4.363,45 en € 313,09 aan materiële schade en € 15.000, - aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Beoordeling

Algemene regels

De rechtbank behandelt de vordering tot vergoeding van schade alleen als het feit dat bewezen wordt verklaard, rechtstreeks die schade heeft toegebracht aan de benadeelde partij. De rechtbank kan bepalen een deel of de gehele vordering ook niet te behandelen als die behandeling de strafzaak onevenredig belast. Als de rechtbank (een deel van) de vordering behandelt dan gaat zij ervan uit dat de feiten die de benadeelde partij stelt juist zijn, zolang de verdachte die niet betwist. Als de verdachte een gesteld feit wel betwist, dan moet de benadeelde partij zijn stelling nader onderbouwen, bijvoorbeeld met een stuk waaruit blijkt dat zijn stelling juist is.

Onbetwiste materiële schade

Tot een hoogte van € 125,81 (feit 2) stelt de benadeelde partij onbetwist materiële schade te hebben geleden die het bewezen feit rechtstreeks heeft toegebracht. Dat geldt voor wat betreft feit 1 ook voor de kosten voor:

schoenen, € 50,-

verblijf in het ziekenhuis, € 350,-

het eigen risico, € 385,-

de eigen bijdrage voor de rollator, die de benadeelde heeft gematigd tot € 37,80

aanpassingen in de woning, € 79,99 en € 405,35.

De rechtbank zal deze delen van de vordering toewijzen.

Verder betwist de verdachte niet dat het redelijk was dat de benadeelde partij kosten heeft gemaakt voor het vaststellen van zijn schade en dat het daarvoor gevorderde bedrag redelijk is. De rechtbank zal daarom ook deze deelvordering van € 313,09 toewijzen.

Huishoudelijke hulp en loonderving

De helft van de schadepost huishoudelijke hulp van totaal € 1.035, - betwist de verdachte niet, zodat de rechtbank dat zal toewijzen (€ 517,50).

Het betwiste deel van de huishoudelijke hulp en de volledig betwiste schade aan loonderving zal de rechtbank niet ontvankelijk verklaren. De benadeelde partij onderbouwt deze schadeposten onvoldoende, oordelend binnen de grenzen van een evenredige belasting van de strafzaak en lettend op de betwisting door de verdachte. Overigens is niet inzichtelijk hoe deze posten zich tot elkaar verhouden (in hoeverre maakt verlof het mogelijk om te helpen in het huishouden?), en blijkt uit de stukken van de arbeid niet de gestelde werkweek van structureel 31 uur noch blijkt uit die stukken dat 3 weken verlof opgenomen is.

Verplaatste schade

Tot verplaatste schade behoren de reiskosten voor het bezoeken door anderen van de benadeelde partij in het ziekenhuis voor zover het bezoeken noodzakelijk is ter bevordering van het herstel van de benadeelde partij. De gevorderde taxikosten (€ 75,-) en reiskosten van de zoon (€ 198,-) zal de rechtbank op grond hiervan toewijzen.

Eigen bijdrage osteopathie

De verdachte betwist de gestelde schade voor osteopathie. De benadeelde partij onderbouwt zijn stelling over deze uitgaven niet nader met bijvoorbeeld een stuk waaruit blijkt dat zijn stelling juist is. Het aanvaarden van het aanbod ter zitting van de benadeelde partij om daarvoor nog stukken in het geding te brengen, die de verdachte dan nog moet kunnen bestuderen en waarop hij nog moet kunnen reageren, zou een onevenredige belasting vormen van de strafzaak. De rechtbank zal de benadeelde partij niet ontvankelijk verklaren in dit deel van zijn vordering.

Immateriële schade

Tussen partijen staat vast dat vergoeding van immateriële schade op zijn plaats is (artikel 6:106 aanhef en onder b BW ). Bij de bepaling van de hoogte betrekt de rechtbank onder andere de medische stukken die zich bevinden in het dossier en de weergave die de benadeelde partij geeft van de situatie voor en na 12 januari 2024. De rechtbank betrekt ook wat de medisch adviseur van de benadeelde partij schrijft over een deel van de gevolgen: “In principe kan er een redelijk goed herstel optreden, maar dit zullen we moeten afwachten. Over de termijn waarop en de mate waarin het herstel optreedt, kan nu nog niets gezegd worden.” Daarnaast heeft de rechtbank gekeken naar andere gerechtelijke uitspraken.

Naar billijkheid stelt de rechtbank de hoogte van de immateriële schade in deze procedure vast op € 5.000, -. Over het meerdere wat de benadeelde partij vordert (in totaal € 15.000, -) zal de rechtbank in deze strafzaak niet oordelen, omdat de mate van herstel nog onzeker is. Dat levert een onevenredige belasting van de strafzaak op, zodat de rechtbank de benadeelde niet ontvankelijk zal verklaren voor dat deel van de vordering (€ 10.000,- immateriële schade).

Wettelijke rente, schadevergoedingsmaatregel en proceskosten

De rechtbank zal bepalen dat de toe te wijzen bedragen worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 12 januari 2024 en de zogenaamde schadevergoedingsmaatregel opleggen (artikel 36f Sr).

Omdat de vordering van de benadeelde partij in overwegende mate zal worden toegewezen, is er grond om de verdachte te veroordelen in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt. Echter, de benadeelde partij vordert deze kosten niet (vermoedelijk omdat hij procedeert op basis van een toevoeging). De wetgever verlangt van de rechtbank wel dat zij een beslissing neemt over de proceskosten. Daarom zal zij beslissen dat zowel de verdachte als de benadeelde partij de eigen proceskosten moet dragen.

Conclusie

De verdachte moet de benadeelde partij een vergoeding betalen van afgerond € 2.538,- voor materiële schade en € 5.000,- voor immateriële schade. De toegewezen bedragen worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 12 januari 2024. Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, zal de rechtbank de maatregel van artikel 36f Sr opleggen.

De rechtbank zal de benadeelde partij niet ontvankelijk verklaren in de vorderingen voor osteopathiekosten en de resterende immateriële schade van € 10.000, -.

De rechtbank zal overige vorderingen afwijzen en bepalen dat ieder de eigen proceskosten draagt.

Beslissingen

De rechtbank:

verklaart bewezen dat de verdachte het subsidiair ten laste gelegde onder feit 1 en het ten laste gelegde onder feit 2, zoals dit hiervoor is omschreven, heeft begaan en verklaart niet bewezen wat meer of anders ten laste is gelegd en spreekt de verdachte daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezenverklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 26 (zesentwintig) weken en beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet al op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;

veroordeelt de verdachte

5.1

om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij [slachtoffer] , te betalen een bedrag van € 7.538,- (zegge: zevenduizendvijfhonderdachtendertig euro), bestaande uit € 2.538,- aan materiële schade en € 5.000,- aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 12 januari 2024 tot aan de dag der algehele voldoening;

5.2

verklaart de benadeelde partij [slachtoffer] niet-ontvankelijk voor de osteopathiekosten en de resterende immateriële schade van de vordering en bepaalt dat dit deel van de vordering slechts kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter en wijst de overige vorderingen af;

5.3

bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder de eigen proceskosten dragen;

6. legt aan de verdachte op

6.1

de maatregel tot schadevergoeding, inhoudende de verplichting aan de staat ten behoeve van [slachtoffer] te betalen € 7.538,- (hoofdsom, zegge: zevenduizendvijfhonderdachtendertig euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 12 januari 2024 tot aan de dag van de algehele voldoening;

6.2

bepaalt dat als volledig verhaal van de hoofdsom van € 7.538,- niet mogelijk blijkt, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 72 dagen; de toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op;

6.3

verstaat dat betaling aan de benadeelde partij, waaronder begrepen betaling door zijn mededaders, ook geldt als betaling aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij [slachtoffer] en omgekeerd.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.H. Janssen, voorzitter,

mrs. J.J. Klomp en D.M. Douwes, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. V.J.H. Mooren, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting op 25 maart 2024.

De proces-verbaalnummers en de paginanummers die in de voetnoten worden genoemd verwijzen naar schriftelijke stukken ex art. 344 Sv die zijn opgenomen in het zaaksdossier met nummer [proces-verbaalnummer 1] .

[proces-verbaalnummer 1] , pagina 7 t/m 14 (proces-verbaalnummer: [proces-verbaalnummer 2] ).

[proces-verbaalnummer 3] , pagina 30 en 31.

[proces-verbaalnummer 1] , pagina 27 (verklaring door forensisch arts [naam arts 1] ).

Verklaring door forensisch arts [naam arts 2] (later toegevoegd aan het zaaksdossier [proces-verbaalnummer 1] ).

[proces-verbaalnummer 1] , pagina 7 t/m 14 (proces-verbaalnummer: [proces-verbaalnummer 2] ).


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature