Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Zittingsplaats:
Instantie:
Vindplaatsen:

Inhoudsindicatie:

Verstekvonnis in kort geding. Toewijzing loonvordering en nevenvorderingen.

Uitspraak



RECHTBANK ROTTERDAM

locatie Rotterdam

zaaknummer: 10667502 VV EXPL 23-412

datum uitspraak: 22 september 2023

Vonnis in kort geding van de kantonrechter

in de zaak van

[eiseres01] ,

woonplaats: [woonplaats01] ,

eiseres,

gemachtigde: mr. N.M. Fakiri,

tegen

[gedaagde01] h.o.d.n. [handelsnaam01] ,

woonplaats: [woonplaats02] ,

gedaagde,

die niet is verschenen.

De partijen worden ‘ [eiseres01] ’ en ‘ [gedaagde01] ’ genoemd.

1 De procedure

1.1.

Het dossier bestaat uit de dagvaarding van 31 augustus 2023, met bijlagen.

1.2.

Op 8 september 2023 is de zaak tijdens een zitting met mr. Fakiri besproken. [gedaagde01] is niet verschenen. Tegen hem is verstek verleend.

2 De beoordeling

2.1.

Een eis in kort geding kan worden toegewezen als de eisende partij hierbij zoveel spoed heeft dat die de uitkomst van een gewone procedure niet hoeft af te wachten (artikel 254 lid 1 Rv). Uit de stellingen van [eiseres01] volgt dat deze spoed aanwezig is. Uit de stellingen komt naar voren dat [eiseres01] gewerkt heeft voor [gedaagde01] in zijn horecagelegenheid totdat het etablissement dicht ging in mei 2023. De arbeidsovereenkomst tussen partijen is echter niet geëindigd. [eiseres01] maakt om die reden aanspraak op doorbetaling van loon. Zij stelt gedurende 165 uur per maand tegen een loon van € 18,22 bruto per uur te hebben gewerkt, wat neerkomt op € 3.006,30 bruto per maand. Over de periode van mei tot en met augustus 2023 gaat het om € 12.025,20 bruto. Daarnaast is in de maanden maart en april 2023 € 1.841,64 netto te weinig loon uitbetaald. Dat is niet weersproken en toewijsbaar. Anders wordt geoordeeld over de rest van de eis, want die is deels onrechtmatig of ongegrond (artikel 139 Rv). Hierover het volgende.

2.2.

Naast voormelde loonbedragen eist [eiseres01] veroordeling van [gedaagde01] tot betaling aan haar van € 1.924,- bruto aan vakantietoeslag over de maanden januari tot en met augustus 2023 en € 147,- netto aan vakantietoeslag over het te weinig uitbetaalde loon in de maanden maart en april 2023. Als daarin wordt meegegaan dan zal [eiseres01] teveel vakantietoeslag krijgen over het loon in de maanden maart en april 2023. Daarom wordt alleen het bedrag van € 1.924,- bruto aan vakantietoeslag toegewezen.

2.3.

De geëiste bedragen aan wettelijke verhoging als bedoeld in artikel 7:625 lid 1 BW worden deels afgewezen. Daarmee verband houdende bedragen worden dikwijls beperkt tot 15%. Daarom is de kans zeer reëel dat dit deel van de eis in een gewone procedure geen stand houdt, met restitutierisico tot gevolg. Vandaar dat slechts 15% aan wettelijke verhoging wordt toegewezen. Het gaat om € 2.092,38 bruto (15% van € 12.025,20 en

€ 1.924,- bruto) en € 276,25 netto (15% van € 1.841,64 netto).

2.4.

[eiseres01] krijgt grotendeels gelijk. [gedaagde01] moet daarom de proceskosten betalen (artikel 237 Rv). De kantonrechter stelt deze kosten aan de kant van [eiseres01] tot vandaag vast op € 129,85 aan dagvaardingskosten, € 86,- aan griffierecht en € 529,- aan salaris voor de gemachtigde. Dit is totaal € 744,85. Voor kosten die [eiseres01] maakt na deze uitspraak moet [gedaagde01] een bedrag betalen van € 132,- Hier kan nog een bedrag bijkomen als de uitspraak wordt betekend. In dit vonnis hoeft hierover niet apart te worden beslist (ECLI:NL:HR:2022:853).

2.5.

Dit vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard (artikel 233 Rv).

3 De beslissing

De kantonrechter:

3.1.

veroordeelt [gedaagde01] om aan [eiseres01] te betalen

€ 12.025,20 bruto aan loon over de maanden mei, juni, juli en augustus 2023;

€ 1.924,- bruto aan vakantietoeslag over het loon van de maanden januari tot en met augustus 2023;

€ 2.092,38 bruto aan wettelijke verhoging als bedoeld in artikel 7:625 BW over de onder a en b genoemde bedragen;

€ 1.841,64 netto aan te weinig uitbetaald loon over de maanden maart en april 2023;

€ 276,25 netto aan wettelijke verhoging als bedoeld in artikel 7:625 BW over het onder d genoemde bedrag;

3.2.

veroordeelt [gedaagde01] in de proceskosten, die aan de kant van [eiseres01] tot vandaag worden vastgesteld op € 744,85;

3.3.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

3.4.

wijst al het andere af.

Dit vonnis is gewezen door mr. S.H. Poiesz en in het openbaar uitgesproken.

465


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde jurisprudentie

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature