< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak




U dient ingelogd te zijn om favorieten te kunnen toevoegen aan Mijn Jure
U kunt zich hier gratis registreren
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Zittingsplaats:
Instantie:

Inhoudsindicatie:

Wajong; eiser beschikt op de datum in geding niet over arbeidsvermogen; verweerder heeft onvoldoende gemotiveerd dat eiser in de toekomst arbeidsvermogen kan ontwikkelen; beroep gegrond.

Uitspraak



Rechtbank Rotterdam

Bestuursrecht

zaaknummer: ROT 21/4650

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 1 juli 2022 in de zaak tussen

[eiser] , te [plaats] , eiser,

gemachtigde: mr. J. Berkouwer,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder,

gemachtigde: mr. S. Roodenburg.

Procesverloop

Met het besluit van 16 juni 2020 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser voor een uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong) afgewezen.

Met het besluit van 11 augustus 2021 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Partijen hebben nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 mei 2022. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde en zijn oma. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1.1.

Eiser, geboren op [geboortedatum] 2003, heeft op 30 september 2020 een “Aanvraag beoordeling arbeidsvermogen” ingediend.

1.2.

In de rapportages van 28 december 2020 en 30 december 2020 hebben de verzekeringsarts respectievelijk de arbeidsdeskundige op basis van hun bevindingen geconcludeerd dat er geen sprake is van arbeidsvermogen, maar dat eiser dit wel kan ontwikkelen. Vervolgens heeft verweerder het primaire besluit genomen.

2.1.

In het kader van de heroverweging in bezwaar heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep geconcludeerd dat de verzekeringsgeneeskundige beoordeling die aan het primaire besluit ten grondslag ligt geen correctie of aanvulling behoeft.

De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft vervolgens geconcludeerd dat er geen aanleiding is om van de primaire arbeidsdeskundige beoordeling af te wijken.

2.2.

Verweerder heeft de rapportages van de verzekeringsarts bezwaar en beroep en de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ten grondslag gelegd aan het bestreden besluit.

3. In beroep voert eiser – samengevat – aan dat er sprake is van het duurzaam ontbreken van arbeidsvermogen. Volgens eiser zijn de bevindingen van de behandelend artsen onvoldoende meegenomen door de verzekeringsartsen. Door de arbeidsdeskundigen is onvoldoende gemotiveerd waarom er wel vaardigheden kunnen worden ontwikkeld en welke dit dan zouden zijn. Het bestreden besluit is dan ook onzorgvuldig tot stand gekomen.

4. Voor het regelgevend kader wordt verwezen naar de bijlage die bij deze uitspraak hoort.

5. Niet in geschil is dat eiser op de datum in geding geen arbeidsvermogen had, omdat hij toen niet beschikte over basale werknemersvaardigheden. Partijen twisten over het antwoord op de vraag of het ontbreken van arbeidsvermogen duurzaam is, dus of eiser in de toekomst blijvend geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie kan ontwikkelen.

6.1.

Op grond van het “Compendium Participatiewet” (Compendium) (pagina 67) moet het onderzoek worden gericht op gegevens die pleiten vóór verbetering van de belastbaarheid of ontwikkelingsmogelijkheden in de toekomst. Zolang daarvan sprake is, kan in beginsel niet worden uitgesloten dat een persoon in de toekomst over arbeidsvermogen beschikt. Daarnaast valt volgens vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep uit de tekst en uit de geschiedenis van de totstandkoming van de Wajong niet af te leiden dat voor een positieve beantwoording van de vraag of de participatiemogelijkheden zich kunnen ontwikkelen vast moet staan dat eiser in de toekomst in staat zal zijn arbeidsvermogen te genereren, zie onder meer de uitspraak van 30 juli 2020 (ECLI:NL:CRVB:2020:1679).

6.2.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd dat eiser in de toekomst arbeidsvermogen kan ontwikkelen. Daartoe overweegt de rechtbank het volgende.

6.3.

Eiser heeft tijdens de zitting nader toegelicht dat hij maximaal een half uur tot een uur iets kan doen. Leren of lassen kan hij naar zijn zeggen hooguit een half uur volhouden. Hij heeft verder verklaard dat hij op slechte dagen niet in staat is om iets te doen en niet of maximaal een half uur naar de dagbesteding bij Maatwerk gaat. Als het niet gaat bij Maatwerk, gaat eiser naar buiten of naar huis. Dat eiser in staat is om één uur onafgebroken te werken, mits hij de juiste begeleiding krijgt en afleidende prikkels worden gereduceerd, zoals de verzekeringsarts in zijn rapport van 28 december 2020 heeft overwogen en de verzekeringsarts bezwaar en beroep in zijn rapport van 28 juli 2021 heeft onderschreven, kan de rechtbank niet goed plaatsen. Dit gelet op de hiervoor vermelde verklaring van eiser, die steun vindt in de overgelegde informatie van Maatwerk en Sarr, waaruit volgt dat eiser destijds weliswaar was ingeschreven voor 5 dagen van 4 uur daginvulling per week, maar dat dit in de praktijk niet haalbaar bleek (en overigens inmiddels is teruggebracht tot tweemaal per week). Ook de stelling dat eiser in de thuissituatie laat zien dat hij langdurig met een taak bezig kan zijn als deze zijn interesse heeft, zoals gamen, biedt daarvoor onvoldoende onderbouwing. De verzekeringsarts merkt onder 4.2 van zijn rapport van 28 december 2020 weliswaar op dat eiser graag computert, gamen, maar daarover wordt vervolgens eveneens opgemerkt dat het meer gaat om praten dan om gamen. Bovendien volgt uit dat rapport niet hoe lang eiser (onafgebroken) gamet. Uit de omstandigheid dat eiser dagelijks onder begeleiding een half uur leerde, volgt zonder verdere toelichting – die niet is gegeven – niet dat eiser ook in staat is om een uur onafgebroken te werken. Dat eiser 42 minuten zijn aandacht bij het gesprek met de verzekeringsarts kan houden en verbaal redelijk sterk overkomt, kan evenmin leiden tot de conclusie dat eiser één uur aaneengesloten kan werken. Uit de stukken en uit wat tijdens de zitting naar voren is gebracht volgt ook dat eiser zich beter voordoet dan hij zich voelt en daardoor snel wordt overschat, maar daaraan worden door de verzekeringsartsen geen consequenties verbonden. Tijdens de zitting heeft eiser verder toegelicht dat hij zijn opleiding heeft kunnen afronden vanwege de coronasituatie, waardoor hij de opleiding thuis kon volgen en een langere opleidingsduur kreeg. Hij leerde een half uur per dag. Ook uit het rapport van de arbeidsdeskundige van 30 december 2020 volgt dat eiser dagelijks een half uur leerde, onder begeleiding. Dat uit het afronden van de opleiding volgt dat eiser in de toekomst arbeidsvermogen kan ontwikkelen, zoals de arbeidsdeskundigen hebben overwogen, kan de rechtbank zonder nadere motivering niet volgen. Verder heeft psychiater [naam psychiater] in haar brief van 3 maart 2021 overwogen dat eiser niet meer in evenwicht is, mede door het wegvallen van daginvulling (Maatwerk) eind december 2020 vanwege de lockdown. Volgens haar moet het evenwicht weer worden hersteld door een vaste structuur middels vijf dagen in de week daginvulling en het creëren van nieuw toekomstperspectief. Dat hieruit blijkt dat verbetering niet is uitgesloten, zoals de verzekeringsarts bezwaar en beroep in zijn aanvullend rapport van 18 november 2021 opmerkt, kan de rechtbank niet volgen. Er wordt immers alleen gesproken over het herstellen van een verstoord evenwicht, niet over verdere ontwikkeling als het evenwicht is hersteld. Verder is onvoldoende toegelicht en onderbouwd waaruit volgt dat het vergroten van de zelfstandigheid van eiser en het verbinden van duidelijke consequenties kunnen bijdragen aan het zelfstandig leren uitvoeren van taken en het zich sociaal passend gedragen. Daarbij is evenmin onderzocht hoe de hulp van vader en oma kan worden vormgegeven.

7. Gelet op wat hiervoor onder 6.1 - 6.3 is overwogen, zal de rechtbank het beroep gegrond verklaren.

8. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoedt.

9. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.518,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 759,- en wegingsfactor 1). De door eiser verzochte vergoeding voor kosten in bezwaar, komen niet voor vergoeding in aanmerking, omdat eiser niet heeft onderbouwd dat hij in bezwaar kosten heeft gemaakt en hij in bezwaar niet werd bijgestaan door een rechtsbijstandverlener.

Beslissing

De rechtbank:

verklaart het beroep gegrond;

vernietigt het bestreden besluit;

bepaalt dat verweerder binnen zes weken nadat de uitspraak onherroepelijk is geworden een nieuwe beslissing op het bezwaar neemt met inachtneming van deze uitspraak;

bepaalt dat verweerder aan eiser het betaalde griffierecht van € 49,- vergoedt;

veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.518,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. G.A. Bouter-Rijksen, rechter, in aanwezigheid van

mr. C.H.I. Zwaneveld-Butter, griffier. De uitspraak is in het openbaar gedaan op

1 juli 2022.

de griffier is verhinderd de

uitspraak te ondertekenen

griffier rechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.

Bijlage:

Op grond van artikel 1a:1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wajong 2015 is jonggehandicapte in de zin van hoofdstuk 1a en de daarop berustende bepalingen de ingezetene die op de dag waarop hij achttien jaar wordt als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebrek duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft.

Ingevolge het tweede lid van voornoemd artikel wordt de ingezetene die op de dag, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a of b, beperkingen ondervindt als gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling, maar op grond van het eerste lid niet aangemerkt wordt als jonggehandicapte, alsnog jonggehandicapte in de zin van dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen, indien hij binnen vijf jaar na die dag duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft, indien dit voortkomt uit dezelfde oorzaak als die op grond waarvan hij beperkingen als gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling ondervond, op de dag, bedoeld in onderdeel a of b.

Op grond van het vierde lid van voornoemd artikel wordt onder duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie hebben de situatie verstaan waarin de mogelijkheden tot arbeidsparticipatie zich niet kunnen ontwikkelen.

In artikel 1a, eerste lid, van het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten is bepaald dat de betrokkene geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft als bedoeld in (onder meer) artikel 1a:1, eerste lid, van de Wajong 2015, indien hij:

a. geen taak kan uitvoeren in een arbeidsorganisatie;

b. niet over basale werknemersvaardigheden beschikt;

c. niet aaneengesloten kan werken gedurende ten minste een periode van een uur; of

d. niet ten minste vier uur per dag belastbaar is, tenzij hij ten minste twee uur per dag belastbaar is en in staat is per uur ten minste een bedrag te verdienen dat gelijk is aan het minimumloon per uur.

Verweerder heeft ten behoeve van de beoordeling van het arbeidsvermogen de methode sociaal-medische beoordeling van arbeidsvermogen (SMBA) ontwikkeld, waarmee het arbeidsvermogen van de betrokkene kan worden geanalyseerd. Bij deze beoordeling staat centraal de “International Classification of Functioning, Disability and Health” (ICF). De ICF biedt een denkmodel en een terminologie die kunnen helpen de betrokkene in beeld te brengen en de eventuele problemen te beschrijven die de betrokkene ervaart in zijn functioneren. Als kennis- en beoordelingsondersteunend instrument maakt verweerder daarbij gebruik van het Methode Ondersteunend Instrument (MOI). Het MOI bevat veel voorkomende relaties tussen activiteiten en participatie waarmee mogelijke knelpunten in werk en werkomgeving zichtbaar kunnen worden gemaakt.

Voor het toepassen van de methode SMBA heeft verweerder het Compendium vastgesteld. Volgens het voorwoord betreft het Compendium een werkinstructie of naslagwerk en is het primair geschreven voor de verzekeringsarts en arbeidsdeskundige die de sociaal-medische beoordelingen doen voor de Participatiewet. In het Compendium is de toelichting op de vier voorwaarden en de wijze waarop verweerder deze voorwaarden toetst in aparte hoofdstukken uitgewerkt; in bijlage 1 wordt het begrip duurzaamheid van het ontbreken van het arbeidsvermogen behandeld en is een beoordelingskader opgenomen. Het doel van het beoordelingskader is het geven van criteria voor het beoordelen van de duurzaamheid van het ontbreken van arbeidsvermogen ten behoeve van beoordelingen voor de Wajong 2015. Volgens de inleiding is het beoordelingskader een hulpmiddel voor de verzekeringsarts en arbeidsdeskundige om te kunnen bepalen of er al dan niet sprake is van het duurzaam ontbreken van arbeidsvermogen.

In het beoordelingskader is het volgende stappenplan opgenomen:

Stap 1 - voor de verzekeringsarts

De verzekeringsarts stelt vast of er sprake is van een progressief ziektebeeld.

Als het antwoord bevestigend is, ontbreekt het arbeidsvermogen duurzaam. De beoordeling is afgerond.

Stap 2 - voor de verzekeringsarts

De verzekeringsarts stelt vast of de situatie van cliënt aan beide volgende voorwaarden voldoet:

- er is sprake van een stabiel ziektebeeld zonder behandelmogelijkheden;

- de aandoening is zodanig ernstig dat geen enkele toename van bekwaamheden mag worden verwacht.

Als aan deze beide voorwaarden wordt voldaan, ontbreekt het arbeidsvermogen duurzaam.

De beoordeling is afgerond.

Stap 3 - voor de verzekeringsarts en de arbeidsdeskundige samen:

De verzekeringsarts en de arbeidsdeskundige stellen in gezamenlijk overleg vast of het ontbreken van arbeidsvermogen van de cliënt duurzaam is. Zij betrekken daarbij ten minste de volgende aspecten in onderlinge samenhang:

- het al dan niet ontbreken van mogelijkheden ter verbetering van de belastbaarheid;

- het al dan niet ontbreken van mogelijkheden tot verdere ontwikkeling;

- het al dan niet ontbreken van mogelijkheden tot toename van bekwaamheden.

Op grond van hun gezamenlijk overleg concluderen de verzekeringsarts en de arbeidsdeskundige of het arbeidsvermogen al dan niet duurzaam ontbreekt. De beoordeling is afgerond.

Volgens het beoordelingskader spreekt de verzekeringsarts zich uit over de ontwikkeling van de mogelijkheden van betrokkene, uitgaande van de medische situatie zoals die is op het moment waarop de beoordeling betrekking heeft. Voor zover de verzekeringsarts, overeenkomstig het stappenplan, niet zelfstandig over het duurzaam ontbreken van arbeidsvermogen kan besluiten, spreken verzekeringsarts en arbeidsdeskundige zich gezamenlijk uit over de te verwachten ontwikkeling van betrokkene en of die al dan niet tot arbeidsvermogen kan leiden.

De Centrale Raad van Beroep heeft onder andere in zijn uitspraak van 5 april 2018 (ECLI:NL:CRVB:2018:1018) overwogen dat verweerder niet de mogelijkheid kan worden ontzegd ter uitvoering van zijn wettelijke taak een ondersteunend systeem en een ondersteunende methode vast te stellen ter uitvoering van die taak en ter interpretatie van wettelijke voorschriften. De in het Compendium gegeven toelichting op de vier voorwaarden en het begrip duurzaamheid is een uitwerking van de toelichting op deze voorwaarden en het begrip duurzaamheid uit de memorie van toelichting bij de Invoeringswet Participatiewet (Kamerstukken II, 2011/12, 33 161, blz. 34 e.v. hoofdstuk 5.1) en uit de nota van toelichting bij het Besluit van 8 oktober 2014 (blz. 6 e.v.). Dit systeem is in de externe functie ervan niet meer dan een hulpmiddel om een besluit wat betreft de medische en arbeidskundige uitgangspunten voldoende inzichtelijk te maken. Het is vervolgens aan de bestuursrechter om de vraag te beantwoorden of verweerder met toepassing van de methode SMBA, de daarbij ondersteunende systemen en de in het Compendium opgenomen werkinstructie in de voorliggende zaak voldoende invulling heeft gegeven aan artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en of de gehanteerde werkwijze heeft geleid tot een resultaat dat de toetsing aan de artikelen 3:46 en 7:12 van de Awb kan doorstaan. Het gaat daarbij steeds om een volle toetsing van de besluitvorming.

Bij de vraag naar de duurzaamheid van het ontbreken van arbeidsvermogen gaat het om de toekomstige mogelijkheden tot arbeidsparticipatie. De verzekeringsarts en/of de arbeidsdeskundige moeten een inschatting maken over hoe de mogelijkheden tot arbeidsparticipatie zich bij de betrokkene kunnen ontwikkelen. Dit brengt voor een zorgvuldige besluitvorming mee dat de inschatting van de verzekeringsarts en/of de arbeidsdeskundige van de ontwikkeling van de mogelijkheden tot arbeidsparticipatie moet berusten op een concrete en deugdelijke afweging van de feiten en omstandigheden die bij de betrokkene aan de orde zijn, voor zover die feiten en omstandigheden betrekking hebben op de situatie van de betrokkene op de datum in geding. In het geval de inschatting van de mogelijkheden tot ontwikkeling berust op een (ingezette) medische behandeling, is een onderbouwing vereist die ziet op het mogelijke resultaat daarvan voor de betrokkene. Als de betrokkene bezwaar maakt tegen het oordeel dat geen sprake is van duurzaam ontbreken van arbeidsvermogen, zullen de verzekeringsarts bezwaar en beroep en/of de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep, rekening houdend met alle medische en arbeidskundige gegevens die in de bezwaarfase voorhanden zijn, voor zover deze betrekking hebben op de datum in geding, beoordelen of de inschatting van het niet duurzaam ontbreken van arbeidsvermogen gehandhaafd moet blijven.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde advocaten

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature