< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Zittingsplaats:
Instantie:
Vindplaats:

Inhoudsindicatie:

Bestuurdersaansprakelijkheid. Een bestuurder heeft zijn taak onbehoorlijk vervuld vanwege de wijze waarop hij de liquide middelen van de vennootschap heeft gebruikt. De echtgenote dient de schade te vergoeden voor zover zij persoonlijk is verrijkt.

Uitspraak



RECHTBANK Rotterdam

Team handel en haven

zaaknummer: C/10/613180 / HA ZA 21-136

Vonnis van 11 mei 2022

in de zaak van

SCANDICA NEDERLAND B.V.,

gevestigd te Maasdijk,

eiseres in conventie,

verweerster in reconventie,

hierna te noemen: Scandica,

advocaat mr. L.H.E. Drenthe te Amsterdam,

tegen

1. [gedaagde 1],

wonende te [woonplaats gedaagde 1],

gedaagde,2. [gedaagde 2],

wonende te [woonplaats gedaagde 2],

gedaagde in conventie,

eiseres in reconventie,3. [gedaagde 3],

gevestigd te [vestigingsplaats gedaagde 3],

gedaagde in conventie,

eiseres in reconventie,

hierna te noemen: allen gezamenlijk [gedaagde 1] c.s., [gedaagde 2] en [gedaagde 3] gezamenlijk [gedaagden] en ieder afzonderlijk [gedaagde 1], [gedaagde 2] en [gedaagde 3],

advocaat mr. M.A.D. Bol te Rotterdam.

1. De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding van 2 februari 2021, met producties,

- de conclusie van antwoord in conventie en van eis in reconventie, met producties,

- de brief van 23 april 2021 van de rechtbank waarbij partijen zijn opgeroepen voor een mondelinge behandeling via Skype voor bedrijven,

- de conclusie van antwoord in reconventie van Scandica,

- de akte met producties van Scandica,

- de bij B8 formulier toegezonden producties van [gedaagde 1] c.s.,

- de mondelinge behandeling, gehouden op 14 september 2021.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1.

Scandica is op 18 september 2008 opgericht. Het in Liechtenstein gevestigde Scandica Groupe Etablissement houdt 98% van haar aandelen en [gedaagde 1] 2%. Scandica houdt de aandelen in twee Tsjechische vastgoed vennootschappen en beheert liquide middelen. [naam 1] (hierna: [naam 1]) is de Ultimate Beneficial Owner van Scandica,

[gedaagde 1] is van 18 september 2008 tot 23 november 2020 statutair directeur van Scandica geweest. In die hoedanigheid had [gedaagde 1] de beschikking over de bankrekeningen van Scandica.

Sinds 23 november 2020 is [naam 2] (hierna: [naam 2]) directeur van Scandica.

2.2.

[gedaagde 1] en [gedaagde 2] zijn onder het maken van huwelijkse voorwaarden met elkaar gehuwd: iedere gemeenschap van goederen is uitgesloten.

2.3.

[gedaagde 1] en [gedaagde 2] zijn zelfstandig bevoegde bestuurders van [gedaagde 3]. De handelsnamen van [gedaagde 3] zijn onder meer Four Seasons Interior en Four Seasons Fashion.

2.4.

Scandica hield sinds haar oprichting bij Rabobank twee bankrekeningen aan, een rekening-courant en een rekening-courant vreemde valuta. Het startsaldo op die beide rekeningen was (CZK 40.000.000 - CZK 2.000.000 = CZK 38.000.000 = ) € 1.578.873,02, waarbij rekening is gehouden met de koers per 25 augustus 2011. Op een rekeningafschrift van Rabobank Westland is vermeld dat de rekening-courant vreemde valuta per 25 augustus 2011 is opgeheven. Ook de andere bankrekening is opgeheven.

2.5.

Ten behoeve van Scandica zijn op 28 november 2011 bij ING bank diverse rekeningen geopend. De bankrekeningen zijn per 16 oktober 2020 opgeheven. Het resterende saldo is overgeboekt naar [gedaagde 1].

2.6.

Scandica heeft ná 2011 door tussenkomst van [gedaagde 1] leningen verstrekt aan [naam 3] (hierna: [naam 3]). [naam 4] (hierna: [naam 4]), [naam 5] (hierna: [naam 5]), [naam 2] en [naam 6] (hierna: [naam 6]). Deze leningen zijn niet allemaal volgens afspraak afgelost. Een deel van de aflossingen en rentebetalingen heeft plaatsgevonden op de bankrekening van [gedaagde 1] of [gedaagde 3].

2.7.

Bij vonnis van 10 mei 2017 heeft de rechtbank Den Haag [naam 3] h.o.d.n. [naam bedrijf] bij verstek onder meer veroordeeld tot betaling van € 152.808,00.

2.8.

Op 29 augustus 2020, 25 september 2020 en 2 oktober 2020 hebben besprekingen plaatsgevonden tussen (onder meer) [gedaagde 1] en [naam 1] over de mutaties op de bankrekeningen omdat [naam 1] daarover vragen had. Bij de eerste bespreking heeft [gedaagde 1] een door hem opgesteld overzicht van de mutaties verstrekt. Ook heeft hij naar aanleiding van de eerste bespreking een overzicht verstrekt met het logo van ING bank. Bij de derde bespreking is afgesproken dat [gedaagde 1] zijn functie als directeur zou neerleggen.

2.9.

Op 14 oktober 2020 heeft [gedaagde 1] voor een bedrag van € 17.103,11 (inclusief btw) een factuur aan Scandica toegezonden wegens over de jaren 2017, 2018, 2019 en 2020 verrichte werkzaamheden.

2.10.

Op 24 november 2020 heeft [gedaagde 1] diverse zaken van Scandica, waaronder notulen van algemene vergaderingen van aandeelhouders, teruggebracht naar het kantoor van Scandica.

2.11.

Bij brief van 23 december 2020 heeft Scandica [gedaagde 1] aansprakelijk gesteld voor de door haar geleden en nog te lijden schade die het gevolg is van onrechtmatig handelen van [gedaagde 1]. Aan [gedaagde 2] en [gedaagde 3] zijn op genoemde datum soortgelijke brieven met aansprakelijkstelling verzonden.

2.12.

Na daartoe op 19 januari 2021 verkregen verlof van de voorzieningenrechter van deze rechtbank heeft Scandica conservatoir derdenbeslag doen leggen onder ING -bank, Rabobank, de huurder van de onroerende zaak aan de [adres 1], alsmede conservatoir verhaalsbeslag doen leggen op (het onverdeelde aandeel van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] in) voornoemde onroerende zaak en de onroerende zaak aan de [adres 2].

2.13.

De voorzieningenrechter van deze rechtbank heeft bij kort gedingvonnis van 10 juni 2021 de vordering van Scandica toegewezen dat [gedaagde 1] een bedrag van € 670.000,00 aan haar betaalt. Overwogen is dat dit bedrag ziet op het bedrag van € 778.193,11 dat [gedaagde 1] heeft erkend aan Scandica verschuldigd te zijn, zulks onder aftrek van het reeds door hem betaalde bedrag van € 102.000,00.

3. Het geschil

in conventie

3.1.

Scandica vordert om bij vonnis, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

1. primair:

te verklaren voor recht dat [gedaagde 1] c.s. hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de door Scandica geleden en nog te lijden schade;

subsidiair:

te verklaren voor recht dat [gedaagde 1] aansprakelijk is voor de volledige schade van Scandica terwijl [gedaagde 2] en [gedaagde 3] ieder aansprakelijk zijn voor een gedeelte van de schade van Scandica;

2 [gedaagde 1] c.s. hoofdelijk te veroordelen de door Scandica geleden en nog te lijden schade te vergoeden, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, te vermeerderen met de wettelijke rente;

3. primair:

[gedaagde 1] c.s. hoofdelijk te veroordelen bij wijze van voorschot op de schadevergoeding aan Scandica te betalen € 1.578.873,02, te vermeerderen met rente vanaf 28 november 2011 tot de dag van betaling;

subsidiair:

[gedaagde 1] te veroordelen bij wijze van voorschot aan Scandica te betalen € 1.578.873,02, te vermeerderen met rente vanaf 28 november 2011 tot de dag van betaling, alsmede [gedaagde 2] te veroordelen bij wijze van voorschot aan Scandica te betalen € 957.839,50 (namelijk € 348.739,50 + € 609.100,=), te vermeerderen met rente vanaf 28 november 2011 tot de dag van betaling alsmede [gedaagde 3] te veroordelen bij wijze van voorschot aan Scandica te betalen € 609.100,=, te vermeerderen met rente vanaf 28 november 2011 tot de dag van betaling;

meer subsidiair:

[gedaagde 1] c.s. hoofdelijk te veroordelen bij wijze van voorschot op de

schadevergoeding aan Scandica te betalen een in goede justitie te bepalen bedrag.

4. [gedaagde 1] c.s. hoofdelijk te veroordelen in de kosten van deze procedure, waaronder begrepen de kosten samenhangende met de conservatoire beslagen.

3.2.

[gedaagde 1] c.s. voeren verweer. Zij concluderen tot niet-ontvankelijkheid van Scandica, althans tot algehele afwijzing van de vorderingen van Scandica jegens [gedaagde 2] en [gedaagde 3] en tot afwijzing van de vorderingen van Scandica jegens [gedaagde 1] voor zover deze het bedrag van € 788.193,11 te boven gaan, met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van Scandica in de kosten van de procedure in conventie.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

in reconventie

3.4.

[eisers] vorderen dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad voor zover de wet zulks toelaat:

1. de door Scandica ten laste van [eisers] gelegde conservatoire verhaalsbeslagen opheft,

althans subsidiair;

2. Scandica veroordeelt om de door Scandica ten laste van [eisers] gelegde conservatoire verhaalsbeslagen [op te heffen, rb], zulks op straffe van een dwangsom van € 1.000,00 voor het geval Scandica niet binnen drie dagen na betekening van het te wijzen vonnis uitvoering geeft aan de veroordeling;

3. Scandica veroordeelt in de kosten van het geding in reconventie.

3.5.

Scandica. voert verweer. Zij concludeert tot afwijzing van de vorderingen van [eisers] met veroordeling van [eisers] in de kosten van de procedure in reconventie.

3.6.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4. De beoordeling

in conventie

4.1.

In essentie verwijt Scandica [gedaagde 1] dat hij over de liquide middelen van Scandica heeft beschikt alsof het zijn eigen middelen waren en dat hij dat heeft verhuld door valse jaarrekeningen op te stellen en vervalste bankrekeningafschriften te verstrekken. Scandica is van mening dat [gedaagde 1] hierdoor onrechtmatig heeft gehandeld, dan wel dat hij als bestuurder van Scandica en [gedaagde 3] aansprakelijk is voor de aldus door Scandica geleden en te lijden schade.

Volgens Scandica zijn ook [gedaagde 2] en [gedaagde 3] aansprakelijk voor de schade van Scandica, en wel op grond van artikel 6:166 BW .

Subsidiair acht Scandica [gedaagde 2] uit onrechtmatige daad dan wel ongerechtvaardigde verrijking aansprakelijk voor de bedragen die vanaf 28 november 2011 van de bankrekening van Scandica zijn overgeboekt naar bankrekeningen van [gedaagde 2] of haar echtgenoot dan wel naar derden ten behoeve van één van hen beiden.

Subsidiair acht Scandica [gedaagde 3] en haar bestuurders [gedaagde 1] en [gedaagde 2] aansprakelijk uit onrechtmatige daad dan wel wegens onverschuldigde betaling omdat bedragen zonder recht of titel naar [gedaagde 3] zijn overgemaakt en behouden.

4.2.

Hierna wordt eerst onderzocht of [gedaagde 1] aansprakelijk is voor de schade die Scandica stelt te lijden. Vervolgens komt de eventuele aansprakelijkheid van [gedaagde 2] en [gedaagde 3] aan de orde.

aansprakelijkheid van [gedaagde 1]

4.3.

Scandica heeft aangevoerd dat uit onderzoek naar de mutaties op haar bankrekeningen volgt dat [gedaagde 1] onder meer overboekingen heeft gedaan naar [gedaagde 3], zichzelf, [naam 6], [naam 7] ([naam 4]) en [naam 3]. Ook heeft hij diverse betalingen verricht 1) ten behoeve van onroerende zaken die hij en [gedaagde 2] in eigendom hebben, 2) aan de belastingdienst in verband met btw en loonbelasting, en 3) in verband met privéaangelegenheden.

4.4.

[gedaagde 1] heeft erkend dat hij gelden van Scandica heeft opgenomen. Het ging volgens hem om opnames in een rekening courantverhouding die hij met Scandica had. Hij heeft ook erkend dat hij het openstaande bedrag terug moet betalen, maar hij is van mening dat een recente nota voor beheerswerkzaamheden (van € 17.103,11) daarmee moet worden verrekend zodat in zijn visie een bedrag van € 778.193,11 resteert. Namens Scandica is tijdens de mondelinge behandeling meegedeeld dat Scandica, hoewel zij betwijfelt of zij daartoe gehouden is, bereid is de factuur voor beheerswerkzaamheden in mindering te brengen op het totaal te betalen bedrag mits dat door [gedaagde 1] wordt betaald. In kort geding is voorts vast komen te staan dat [gedaagde 1] inmiddels een bedrag van (ten minste) € 102.000,00 heeft voldaan. Hij is daarom bij kort gedingvonnis van 10 juni 2021 veroordeeld tot betaling aan Scandica van € 670.000,00.

4.5.

De erkenning van [gedaagde 1] dat hij een bedrag van € 795.296,22 (€ 778.193,11 + € 17.103,11) aan Scandica is verschuldigd, leidt ertoe dat in elk geval dit bedrag toewijsbaar is. Genoemd bedrag dient verminderd te worden met datgene wat reeds door [gedaagde 1] is voldaan op grond van het kort gedingvonnis van 10 juni 2021. Het bedrag van € 17.103,11 kan eventueel met het in de schadestaatprocedure nog vast te stellen bedrag verrekend worden.

4.6.

[gedaagde 1] heeft voor het overige betwist dat hij ten onrechte bedragen naar [naam 6], [naam 7] ([naam 4]), [naam 3] en [naam 5] heeft overgeboekt. Volgens hem betreft het leningen en paste dat binnen de statutaire doelomschrijving van Scandica, te meer omdat een meer dan marktconforme rente is overeengekomen. In de visie van [gedaagde 1] staat voorts niet vast dat de uitgeleende bedragen niet worden terugbetaald zodat evenmin vast staat dat Scandica schade heeft geleden.

4.7.

Scandica heeft bestreden dat het sluiten van leningen behoorde tot haar reguliere activiteiten; de instructie van [naam 1] hield in dat belegd zou worden in deposito's omdat dat een veilige belegging is, wat [naam 1] belangrijker achtte dan hoge rendementen. Volgens Scandica heeft [gedaagde 1] het bestaan van de leningen verhuld door in de bankoverzichten en jaarrekeningen te vermelden dat de liquide middelen van Scandica zijn aangewend voor deposito's, vaak met als omschrijving "Deposit invested funds". Daaraan is ter zitting toegevoegd dat in de jaarrekeningen geen melding is gemaakt van een rekening courantverhouding tussen Scandica en [gedaagde 1], de leningen niet onder de vorderingen zijn opgenomen en evenmin een voorziening is opgenomen in verband met problemen met het innen van de lening van [naam 3], hoewel [gedaagde 1] namens Scandica een procedure over de aflossing van die lening is gestart omdat [naam 3] niet aan zijn verplichtingen voldeed.

4.8.

[gedaagde 1] heeft ter zitting verklaard dat hij op eigen initiatief cliënten van zijn administratiekantoor leningen heeft verstrekt en dat die leningen steeds als "invested funds" in de jaarrekening zijn opgenomen. Hij heeft niet bestreden dat deze wijze van boekhoudkundige verwerking onjuist is en heeft evenmin uitgelegd waarom hij voor die wijze van verwerken heeft gekozen. [gedaagde 1] heeft voorts erkend dat terugbetaling ook plaatsvond door storting op een bankrekening van hemzelf of van [gedaagde 3]. Uit de verklaring van [gedaagde 1] valt af te leiden dat [naam 1] niet op de hoogte was van het bestaan van de leningen. Dat volgt ook uit de omstandigheid dat [gedaagde 1] - naar eigen zeggen - in paniek raakte toen hij zich moest verantwoorden aan de hand van de mutaties op de bankrekeningen en dat hij toen onjuiste overzichten heeft verstrekt en de bankrekeningen van Scandica bij ING bank heeft opgezegd. Zonder toelichting - die niet is gegeven - valt niet in te zien waarom een professional als een administrateur in paniek zou raken zodra hem wordt verzocht verantwoording af te leggen van het beheer volgens afspraak van aan hem toevertrouwde liquide middelen.

4.9.

De rechtbank is van oordeel dat [gedaagde 1] door de wijze waarop hij de liquide middelen van Scandica heeft gebruikt zijn taak als bestuurder van Scandica ernstig verwijtbaar onbehoorlijk heeft vervuld en tevens dat hij daardoor persoonlijk ernstig verwijtbaar onrechtmatig jegens Scandica heeft gehandeld . Hij is gehouden de als gevolg daarvan door Scandica geleden schade te vergoeden. Zoals Scandica heeft gevorderd zal de zaak voor wat betreft het vaststellen van de precieze omvang van de betalingsverplichting van [gedaagde 1] jegens Scandica worden verwezen naar de schadestaatprocedure. In die procedure kan na deugdelijk gemotiveerde en gedocumenteerde opgave van de schade worden vastgesteld tot welk bedrag Scandica schade heeft geleden. Dan kan ook het verweer van [gedaagde 1] ter zake de kosten die zijn afgeschreven van de bankrekeningen, alsmede de verschuldigdheid van de wettelijke rente aan de orde komen.

aansprakelijkheid van [gedaagde 2]

4.10.

Scandica is van mening dat [gedaagde 2] primair op grond van artikel 6:166 BW - naast [gedaagde 1] en [gedaagde 3] - aansprakelijk is voor de volledige schade van Scandica. Volgens Scandica heeft [gedaagde 2] actief bijgedragen aan het onrechtmatig handelen van [gedaagde 1] en heeft zij dat onrechtmatig handelen gefaciliteerd.

4.11.

[gedaagde 2] heeft bestreden dat zij (in groepsverband) onrechtmatig jegens Scandica heeft gehandeld. Zij heeft in dat verband aangevoerd dat zij niets afwist van de rekening-courantopnames en geen enkele bemoeienis heeft gehad met opnames of betalingen ten laste van bankrekeningen van Scandica.

4.12.

Voor individuele aansprakelijkheid van tot een groep behorende (rechts-)personen voor onrechtmatig vanuit die groep toegebrachte schade gelden als hoofdvereisten dat sprake is van i) deelname aan ii) gedragingen die iii) in groepsverband hebben plaatsgevonden terwijl iv) de kans op het aldus toebrengen van schade deze (rechts-) personen had behoren te weerhouden van hun gedragingen in groepsverband en v) die deelname aan de deelnemer toerekenbaar is. Voor aansprakelijkheid van een deelnemer is niet vereist dat hij zelf schade heeft toegebracht.

4.13.

Scandica heeft weliswaar gesteld dat [gedaagde 2] actief heeft bijgedragen aan het onrechtmatig handelen van [gedaagde 1] en dat [gedaagde 2] dat onrechtmatig handelen heeft gefaciliteerd, maar Scandica heeft niet duidelijk gemaakt op welke wijze [gedaagde 2] heeft bijgedragen aan de onrechtmatige gedragingen en wat zij had moeten nalaten om de kans op het toebrengen van schade te verminderen. Het feit dat [gedaagde 2] een op haar naam staande bankrekening heeft die op enig moment door [gedaagde 1] is gebruikt voor overboekingen ten laste van Scandica, rechtvaardigt niet de kennelijk daaruit door Scandica getrokken conclusies. Scandica heeft niet duidelijk gemaakt dat [gedaagde 2] voor dat doel de bankrekening heeft geopend of dat zij anderszins zodanig wetenschap had van de overboekingen ten laste van Scandica dat zij daarom, vanwege de kans op het toebrengen van schade, niet had behoren toe te staan dat [gedaagde 1] die bankrekening gebruikte. Eveneens onvoldoende is dat [gedaagde 1] geld dat deels van Scandica afkomstig is, heeft gebruikt om verbouwingen en onderhoud aan woningen te betalen. Weliswaar is [gedaagde 2] mede-eigenaar, maar niet duidelijk is geworden dat [gedaagde 2] voldoende wetenschap had van de overboekingen om hiertegen bezwaar te maken vanwege de kans op het toebrengen van schade. Gelet op de betwisting van [gedaagde 2] dat zij op de hoogte was van de handelwijze van [gedaagde 1] had het op de weg van Scandica gelegen om de gestelde bijdrage van [gedaagde 2] aan het onrechtmatig handelen te concretiseren. Dat heeft Scandica niet gedaan.

4.14.

Scandica is subsidiair van mening dat [gedaagde 2] uit onrechtmatige daad, althans wegens ongerechtvaardigde verrijking aansprakelijk is voor de bedragen die vanaf 28 november 2011 van de bankrekening van Scandica zijn overgeboekt naar 1) haar privérekening of die van haar echtgenoot, 2) derden ter voldoening van facturen ten behoeve van onroerende zaken die mede haar eigendom zijn, 3) de belastingdienst ten behoeve van haar, althans haar huishouden, 4) evident voor privédoeleneinden zijn aangewend zoals voor horloges en dergelijke. Volgens Scandica had [gedaagde 2] ervoor moeten zorgen dat deze overboekingen niet plaatsvonden en door dat na te laten heeft zij geprofiteerd van het onrechtmatig handelen van [gedaagde 1]. Daardoor heeft [gedaagde 2] volgens Scandica jegens haar in strijd gehandeld met de maatschappelijke betamelijkheid en als gevolg daarvan heeft Scandica schade geleden

4.15.

Uit de stellingen van Scandica kan niet worden afgeleid dat [gedaagde 2] wetenschap had van het onrechtmatig handelen van [gedaagde 1]. De enkele omstandigheid dat hij daarvoor (ook) de op haar naam staande (en/of) bankrekening gebruikte, maakt zonder toelichting - die niet is gegeven - niet dat [gedaagde 2] had moeten begrijpen dat haar echtgenoot jegens Scandica onrechtmatig handelde. En derhalve rechtvaardigt dat evenmin de conclusie dat [gedaagde 2] door geen actie te ondernemen ook onrechtmatig jegens Scandica handelde. Dat [gedaagde 2] de echtgenote is van [gedaagde 1] betekent niet zonder meer dat wetenschap van [gedaagde 1] aan haar is toe te rekenen. [gedaagde 2] heeft tegen deze achtergrond door de hiervoor onder 4.14 weergegeven handelwijze niet onrechtmatig jegens Scandica gehandeld of nagelaten.

4.16.

Indien [gedaagde 2] is verrijkt door het onrechtmatig handelen van [gedaagde 1] en Scandica daardoor is verarmd, dient [gedaagde 2] de daardoor ontstane schade van Scandica te vergoeden voor zover dat redelijk is. De omstandigheid dat [gedaagde 2] - naar zij heeft gesteld - geen wetenschap had van de handelwijze van [gedaagde 1] doet hieraan niet af. Het gaat er bij deze juridische grondslag niet om of [gedaagde 2] iets viel te verwijten.

Uitgangspunt is dat de privébetalingen aan of ten behoeve van [gedaagde 1] niet tot een verrijking van [gedaagde 2] hebben geleid vanwege het feit dat [gedaagde 2] en [gedaagde 1] buiten iedere gemeenschap van goederen zijn gehuwd. Alleen voor zover die privébetalingen zijn aangewend ten behoeve van [gedaagde 2] persoonlijk kan zij zijn verrijkt.

Ter zitting heeft Scandica nog aangevoerd dat [gedaagde 2] ook is verrijkt door de overboekingen ten laste van Scandica naar de bankrekening van [gedaagde 3]. Nu [gedaagde 3] een rechtspersoon is met een eigen afgezonderd vermogen kan hiervan alleen sprake zijn als en voor zover de overgeboekte gelden zijn aangewend ten behoeve van [gedaagde 2] persoonlijk.

Van de onroerende zaken aan de [adres 1] en de [adres 2] staat vast dat deze elk voor de onverdeelde helft aan [gedaagde 2] toebehoren. Aannemelijk is daarom dat zij is verrijkt door de betalingen ten behoeve van die onroerende zaken. Scandica is door die betalingen verarmd. Het is redelijk dat [gedaagde 2] de betreffende door Scandica geleden schade dient te vergoeden.

4.17.

[gedaagde 2] is hoofdelijk, naast [gedaagde 1], aansprakelijk voor terugbetaling van de bedragen waarmee zij is verrijkt en Scandica is verarmd. Voor zover zij is verrijkt door tussenkomst van [gedaagde 3] is zij in zoverre eveneens hoofdelijk aansprakelijk naast [gedaagde 3]. In de schadestaatprocedure kan Scandica een deugdelijk gemotiveerde en gedocumenteerde opsomming geven van de bedragen waarmee [gedaagde 2] persoonlijk ongerechtvaardigd is verrijkt.

aansprakelijkheid van [gedaagde 3]

4.18.

Scandica heeft ten aanzien van [gedaagde 3] niet aangevoerd waaruit de relevante gedragingen in groepsverband bestaan en op welke manier die hebben bijgedragen aan het geheel van gedragingen die het gevaar voor het toebrengen van schade hebben doen ontstaan. De enkele omstandigheid dat [gedaagde 1] een bankrekening van [gedaagde 3] - waarvan niet is gesteld dat deze met dat doel is geopend - heeft gebruikt, is onvoldoende voor het ontstaan van aansprakelijkheid op grond van artikel 6:166 BW. Het had op de weg van Scandica gelegen te onderbouwen dat en op welke wijze [gedaagde 3] heeft bijgedragen aan het onrechtmatig handelen dat volgens Scandica in groepsverband heeft plaatsgevonden.

4.19.

Scandica heeft subsidiair aangevoerd dat [gedaagde 3] het wegsluizen van liquide middelen door [gedaagde 1] heeft gefaciliteerd en daarom onrechtmatig heeft gehandeld. Dit faciliteren bestaat er volgens Scandica uit dat [gedaagde 3] haar bankrekening door [gedaagde 1] heeft laten gebruiken voor overboekingen van de bankrekeningen van Scandica en voor betalingen door derden als terugbetaling op de lening die zij door tussenkomst van [gedaagde 1] met Scandica hebben afgesloten. Aan [gedaagde 3] is daarom ook onverschuldigd betaald. Voor dit alles zijn [gedaagde 1] en [gedaagde 2] in de visie van Scandica als bestuurder van [gedaagde 3] jegens Scandica aansprakelijk.

4.20.

[gedaagde 3] heeft bestreden dat zij onrechtmatig heeft gehandeld. Zij is van mening dat zij als rechtspersoon niets kon afweten van de door [gedaagde 1] gedane rekening-courantopnames en daarmee ook geen bemoeienis heeft gehad. Zij heeft betwist dat zij enig bedrag van Scandica heeft ontvangen.

Deze verweren van [gedaagde 3] slagen niet. Op de door Scandica overgelegde bankafschriften staan relevante overschrijvingen naar de bankrekening van [gedaagde 3]. Bij de door Scandica overgelegde producties bevinden zich voorts bankafschriften waarop is vermeld dat een derde (namens [naam 5]) bedragen heeft overgemaakt naar de bankrekening van [gedaagde 3] wegens aflossing van een lening en betaling van rente.

[gedaagde 1] heeft erkend dan wel niet betwist dat de overschrijvingen in zijn opdracht hebben plaatsgevonden. Nu de wetenschap van de bestuurder van [gedaagde 3] aan haar kan worden toegerekend, moet worden geconcludeerd dat ook [gedaagde 3] in zoverre onrechtmatig jegens Scandica heeft gehandeld. Zij is, naast [gedaagde 1], hoofdelijk aansprakelijk voor de daardoor ontstane schade.

4.21.

Volgens Scandica is ook [gedaagde 2] als bestuurder van [gedaagde 3] aansprakelijk voor de als gevolg van het onrechtmatig handelen van [gedaagde 3] ontstane schade. Scandica is van mening dat [gedaagde 2] als bestuurder - net als [gedaagde 1], over wie hiervoor reeds is geoordeeld dat hij aansprakelijk is voor de gehele door zijn onrechtmatig handelen ontstane schade van Scandica - de vermogenspositie van [gedaagde 3] behoorde te kennen en wist, althans behoorde te weten dat aanzienlijke bedragen zonder titel naar [gedaagde 3] zijn overgeboekt maar dat zij niet de maatregelen heeft getroffen die van haar als betamelijk handelend bestuurder mochten worden verwacht.

4.22.

[gedaagde 2] heeft bestreden dat zij er rekening mee had moeten houden dat [gedaagde 1] de bankrekening van [gedaagde 3] zou gebruiken om gelden van Scandica naar over te (laten) maken. Zij heeft ter zitting verklaard dat zij weliswaar bestuurder was van [gedaagde 3], maar dat haar echtgenoot alle administratieve taken verrichtte en dat zij zich alleen bezig hield met de in- en verkoop van meubelen en kleding waarvan [gedaagde 1] de financiële afwikkeling verzorgde. Die taakverdeling brengt volgens haar mee dat zij niet aansprakelijk is.

4.23.

Indien een vennootschap - zoals [gedaagde 3] - een onrechtmatige daad pleegt, is uitgangspunt dat alleen de vennootschap aansprakelijk is voor de daaruit voortvloeiende schade. Onder bijzondere omstandigheden is evenwel, naast aansprakelijkheid van die vennootschap, ook ruimte voor aansprakelijkheid van een bestuurder van de vennootschap. Voor het aannemen van zodanige aansprakelijkheid is vereist dat die bestuurder persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt. Aldus gelden voor het aannemen van aansprakelijkheid van een bestuurder naast de vennootschap hogere eisen dan in het algemeen het geval is (zie Hoge Raad 30 maart 2018, ECLI:NL:HR:2018:470).

Het onvoldoende houden van toezicht op de uitoefening van een taak door een medebestuurder - hier het toezicht van de bestuurder [gedaagde 2] op de bestuurder [gedaagde 1] - kan onder omstandigheden persoonlijke aansprakelijkheid van een bestuurder meebrengen.

4.24.

Mede gelet op de verklaringen van [gedaagde 2] ter zitting - erop neerkomend dat zij als bestuurder geen taak had en dat het een formaliteit betrof om haar in staat te stellen haar hobby uit te voeren - moet worden vastgesteld dat zij haar taak als bestuurder, onder andere het toezicht houden op de algemene gang van zaken, heeft verwaarloosd. Daarvoor kan zij zich niet disculperen door zich erop te beroepen dat zij zich in haar beleving slechts met de uitoefening van haar hobby hoefde bezig te houden en niet met de administratie of financiering van de rechtspersoon. Anders dan [gedaagde 2] meent, is de functie van bestuurder van een vennootschap niet enkel een formaliteit, ook niet als de twee bestuurders echtgenoten zijn. Iedere bestuurder is - bijzondere omstandigheden die niet zijn aangevoerd daargelaten - verantwoordelijk voor de algemene gang van zaken binnen een vennootschap en daartoe behoort het houden van (enig) toezicht op de uitoefening van taken door een medebestuurder aan wie door de andere bestuurder in praktische zin het gehele bestuur wordt overgelaten. Daarom treft ook [gedaagde 2] een persoonlijk ernstig verwijt.

4.25.

In de schadestaatprocedure kan Scandica de omvang van de als gevolg van het onrechtmatig handelen van [gedaagde 3] ontstane schade deugdelijk gemotiveerd en gedocumenteerd opgeven. [gedaagde 3] is daarvoor naast [gedaagde 1] hoofdelijk aansprakelijk. Voor zover [gedaagde 2] als bestuurder wordt aangesproken omdat [gedaagde 3] niet betaalt en geen verhaal biedt, is ook zij hoofdelijk, naast [gedaagde 1], aansprakelijk.

voorschot

4.26.

Scandica heeft gevorderd dat [gedaagde 1] c.s. een voorschot aan haar zullen betalen. Deze vordering is in zoverre toewijsbaar dat [gedaagde 1] zal worden veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 800.000,00, op welk bedrag de reeds gedane betalingen op grond van het kort gedingvonnis van 10 juni 2021 in mindering moeten worden gebracht.

Ten aanzien van [gedaagde 2] en [gedaagde 3] is de omvang van de aansprakelijkheid nog onvoldoende duidelijk. Daarom zal de vordering dat ook zij een voorschot betalen worden afgewezen. Over het toe te wijzen voorschot zal de wettelijke rente in de zin van artikel 6:119 BW worden toegewezen van af 11 mei 2022.

kosten

4.27.

Scandica vordert [gedaagde 1] c.s. te veroordelen tot betaling van de beslagkosten. Deze vordering is gelet op het bepaalde in artikel 706 Rv toewijsbaar. De beslagkosten worden vastgesteld op € 860,28 voor kosten deurwaardersexploten, € 667,00 voor griffierecht en € 3.214,00 voor salaris advocaat (1,0 punt(en) × € 3.214,00), totaal € 4.741,28.

De veroordeling wordt hoofdelijk uitgesproken. Dat betekent dat iedere veroordeelde kan worden gedwongen het hele bedrag te betalen. Als de één (een deel) betaalt, hoeft ook de ander (dat deel van het bedrag) niet meer te betalen.

4.28.

[gedaagde 1] c.s. zijn de partijen die grotendeels ongelijk krijgen en zij zullen daarom hoofdelijk in de proceskosten worden veroordeeld. Tot aan dit vonnis worden de proceskosten aan de zijde van Scandica als volgt vastgesteld:

- kosten van de dagvaarding

94,22

- griffierecht

3.533,00

- salaris advocaat

6.428,00

(2,00 punten × € 3.214,00)

Totaal

10.055,22

4.29.

De veroordeling wordt hoofdelijk uitgesproken. Dat betekent dat iedere veroordeelde kan worden gedwongen het hele bedrag te betalen. Als de één (een deel) betaalt, hoeft ook de ander dat (deel van het) bedrag niet meer te betalen.

in reconventie

4.30.

[eisers] vorderen dat de rechtbank de door Scandica ten laste van hen gelegde verhaalsbeslagen opheft, althans Scandica daartoe veroordeelt. Zij hebben daaraan ten grondslag gelegd dat Scandica niets van hen te vorderen heeft.

4.31.

In conventie is geoordeeld dat (i) [eiser 1] ongerechtvaardigd is verrijkt terwijl Scandica daardoor is verarmd en (ii) [eiser 2] onrechtmatig heeft gehandeld en de daardoor ontstane schade dient te vergoeden terwijl (iii) [eiser 1] als bestuurder aansprakelijk is voor die schade als [eiser 2] niet betaalt en geen verhaal biedt. Dat leidt ertoe dat de reconventionele vordering zal worden afgewezen.

4.32.

[eisers] zijn de partij die ongelijk krijgen en zij zullen daarom in de proceskosten worden veroordeeld. Tot aan dit vonnis worden de proceskosten aan de zijde van Scandica als volgt vastgesteld:

- salaris advocaat

563,00

(2,00 punten × factor 0,5 × € 563,00)

Totaal

563,00

5. De beslissing

De rechtbank

in conventie

5.1.

verklaart voor recht dat [gedaagde 1] aansprakelijk is voor de volledige schade van Scandica terwijl [gedaagde 2] en [gedaagde 3] ieder aansprakelijk zijn voor een gedeelte van de schade van Scandica;

5.2.

veroordeelt:

- [gedaagde 1],

- [gedaagde 2] voor het gedeelte dat [gedaagde 2] aangaat,

- [gedaagde 3] voor het gedeelte dat [gedaagde 3] aangaat,

om de door Scandica geleden en nog te lijden schade te vergoeden, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, met dien verstande dat de veroordelingen hoofdelijk zijn voor zover deze dezelfde schade betreffen;

5.3.

veroordeelt [gedaagde 1] om bij wijze van voorschot op de schadevergoeding aan Scandica te betalen € 800.000,00 (achthonderdduizend euro), verminderd met de (terug)betalingen die inmiddels hebben plaatsgevonden, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW van af 11 mei 2022;

5.4.

veroordeelt [gedaagde 1] c.s. hoofdelijk in de beslagkosten, tot op heden vastgesteld op € 4.741,28;

5.5.

veroordeelt [gedaagde 1] c.s. hoofdelijk in de proceskosten in conventie, aan de zijde van Scandica tot dit vonnis vastgesteld op € 10.055,22;

5.6.

verklaart dit vonnis wat betreft de onder 5.2, 5.3, 5.4 en 5.5 genoemde beslissingen uitvoerbaar bij voorraad;

5.7.

wijst het meer of anders gevorderde af;

in reconventie

5.8.

wijst de vorderingen van [eisers] af;

5.9.

veroordeelt [eisers] in de proceskosten, aan de zijde van Scandica tot dit vonnis vastgesteld op € 563,00;

5.10.

verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. mr. C. Bouwman. Het is ondertekend door de rolrechter en uitgesproken in het openbaar op 11 mei 2022.

[2066/1729]


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde jurisprudentie

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature