< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Zittingsplaats:
Instantie:
Vindplaatsen:

Inhoudsindicatie:

Terugvordering zorrgtoeslag. Toetsingsinkomen, in casu sprake van zeer uitzonderlijke omstandigheden die niet zijn verdisconteerd in de afwegingen van de wetgever, strikte toepassing van de wettelijke regels in strijd met het evenredigheidsbeginsel

Uitspraak



Rechtbank Rotterdam

Bestuursrecht

zaaknummer: ROT 20/5374

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 21 april 2022 in de zaak tussen

[naam eiser], te [woonplaats eiser], eiser,

en

de Belastingdienst/Toeslagen, verweerder,

gemachtigde: [naam 1] en [naam 2].

Procesverloop

Bij besluit van 7 augustus 2020 (het primaire besluit) heeft verweerder de zorgtoeslag voor het berekeningsjaar 2019 definitief berekend en de te veel ontvangen voorschotten teruggevorderd.

Bij besluit van 26 oktober 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 april 2021. Eiser is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

- Achtergrond

1. Bij besluit van 27 december 2018 heeft verweerder het voorschot zorgtoeslag 2019 vastgesteld op een bedrag van € 1.983,-. Het voorschot is gebaseerd op het geschat jaarinkomen van eiser en zijn toeslagpartner in 2019 (€ 23.394,-). Bij besluit van 10 augustus 2019 is het jaarinkomen opnieuw geschat (op € 26.468,-) naar aanleiding van een wijziging in het inkomen van de toeslagpartner van eiser en vastgesteld op een bedrag van € 1.567,-.

2. Bij het primaire besluit heeft verweerder de zorgtoeslag over 2019 definitief berekend en vastgesteld op € 979,-. Verweerder heeft een bedrag van € 588,- aan te veel ontvangen voorschotten teruggevorderd. Verweerder heeft aan de berekening ten grondslag gelegd dat het toetsingsinkomen voor 2019 definitief is vastgesteld op € 30.818,-. Dit betekent dat eiser minder recht heeft op zorgtoeslag dan hij als voorschot heeft ontvangen en dat hij een deel van de ontvangen voorschot zal moeten terugbetalen.

3. Verweerder heeft aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat hij de berekening van een toeslag verplicht is om uit te gaan van het verzamelinkomen zoals dat bij de aanslag inkomstenbelasting is vastgesteld en dat er geen mogelijkheid bestaat om rekening te houden met het feit dat in dat bedrag ook fictieve inkomsten zijn opgenomen in het kader van een regeling die eiser met de belastinginspecteur is overeenkomen in verband met een belastingschuld. Verweerder kan dat bedrag daarom niet buiten beschouwing laten.

- Gronden van beroep

4. Eiser heeft in beroep aangevoerd dat zijn werkelijke inkomen € 23.115,- bedraagt en niet € 30.818, het bedrag dat in de aanslag inkomstenbelasting is opgenomen. Het verzamelinkomen is hoger vastgesteld dan de werkelijke inkomsten van eiser omdat hij met de belastingdienst een overeenkomst heeft gesloten om een schuld in te lossen, waardoor er vanaf 2018 bovenop het verzamelinkomen steeds inkomsten uit vroegere arbeid worden bijgeteld. Deze bedragen zijn echter geen inkomsten maar een verwijzing naar de afspraak die eiser heeft met de belastingdienst.

- Juridisch kader

5. De voor de beoordeling relevante wettelijke bepalingen zijn opgenomen in de bijlage bij deze uitspraak.

- Beoordeling

6.1.

Bij de berekening van de verstrekte voorschotten is verweerder uitgegaan van een geschat gezamenlijk toetsingsinkomen van eiser en zijn toeslagpartner van eerst € 23.394 en later € 26.468. Bij de definitieve vaststelling is het gezamenlijke toetsingsinkomen vastgesteld op € 30.818,- waardoor eiser minder recht heeft op zorgtoeslag en een deel van de ontvangen voorschotten moet terugbetalen.

6.2.

Dat het verzamelinkomen in de aanslag inkomstenbelasting op € 30.818 is vastgesteld heeft een bijzondere reden. Eiser heeft na zijn ontslag en ontvangst van een ontslagvergunning op advies van derden een zogenaamde stamrechtconstructie opgezet. Bij een stamrechtconstructie wordt een ontvangen ontslagvergoeding, zonder inhouding van belasting, gestort in een stamrecht bv. Vervolgens worden vanuit de standrecht bv periodiek uitkeringen aan de betrokkene gedaan waarover op dat moment alsnog inkomstenbelasting is verschuldigd door de ontvanger van de uitkeringen. De reden voor een dergelijke stamrechtconstructie is dat hieraan - door het plannen en uitstellen van de ingangsdatum, hoogte en duur van uitkering - bepaalde fiscale voordelen zijn verbonden. Eiser heeft in augustus 2009 een vennootschap (stamrecht bv) opgericht maar heeft dit geld op enig moment geleend van de vennootschap voor het opzetten van een eigen bedrijfje, een fotostudio. Volgens eiser gebeurde dit op voorstel van het reïntegratiebedrijf van de UWV. Dit bedrijf bleek verlieslatend en is daarom op enig moment stopgezet. Daarnaast heeft eiser uit financiële nood geld uit de vennootschap geleend om te kunnen voorzien in zijn primaire levensbehoeften. Dit alles heeft geresulteerd in een belastingschuld aangezien er over de in de stamrecht bv gestorte ontslagvergoeding nog geen belasting was betaald. Eiser stelt dat hij de belastinginspecteur hierover zelf heeft benaderd met het verzoek een regeling te treffen en dit is vervolgens ook gebeurd. Die regeling houdt in dat er jaarlijks een fictief bedrag wordt opgeteld bij het verzamelinkomen waarover eiser inkomstenbelasting verschuldigd is. Het betreft een fictieve uitkering in de inkomstenbelasting van een jaarlijks bedrag van € 3000,- tot en met 2026 en € 4.800,-. vanaf 2027 tot en met 2031 Hierdoor wordt in de periodes 2019 tot en met 2031 de openstaande schuld afgelost. Het onvoorziene gevolg van deze regeling voor eiser is echter dat zijn recht op toeslagen hierdoor zeer nadelig is beïnvloed. De belastinginspecteur noch eiser lijken zich van bewust te zijn geweest van deze nadelige gevolgen. Ter zitting heeft eiser toegelicht welke impact dit op hem en zijn partner heeft gehad, mede gezien zijn persoonlijke omstandigheden, de ernstige gezondheidsproblemen van zijn partner en hemzelf en de penibele financiële situatie waarin hij verkeert. Eiser heeft ook toegelicht dat hij veelvuldig heeft geprobeerd contact te leggen met de belastinginspecteur teneinde de regeling te wijzigen en dat hij berichten heeft achtergelaten maar dat hij geen contact krijgt met de inspecteur en ook geen reactie op zijn berichten heeft ontvangen.

6.3.

Verweerder heeft terecht opgemerkt dat hij op grond van de wetgeving gehouden is om uit te gaan van het toetsingsinkomen dat is gebaseerd op het door de belastinginspecteur vastgestelde verzamelinkomen (dus inclusief de op de stamrechtuitkering gebaseerde fictieve bedragen die geen inkomen maar schuld zijn). De rechtbank is echter op grond van hetgeen hiervoor in 6.2 is overwogen van oordeel dat in het geval van eiser sprake is van zeer uitzonderlijke omstandigheden die niet zijn verdisconteerd in de afwegingen van de wetgever en dat strikte toepassing van de wettelijke regels zozeer in strijd is met het evenredigheidsbeginsel dat toepassing ervan in dit geval achterwege moet blijven. Daarbij speelt ook mee dat aanpassing van het verzamelinkomen voor eiser onevenredig moeilijk of onmogelijk is gebleken en dat onverkorte toepassing van deze regels eiser tot in lengte van jaren ( mogelijk tot en met 2031) zal benadelen terwijl hij op grond zijn reële inkomsten wel recht heeft op (een hoger bedrag aan) zorgtoeslag. Gelet hierop is er reden om uit te gaan van een verzamelinkomen van eiser en zijn toeslagpartner waarbij de fictieve uitkering/schuld bij de berekening van de definitieve vaststelling buiten beschouwing wordt gelaten.

- Conclusie

7.1.

Het beroep zal op grond van het voorgaande gegrond worden verklaard en het bestreden besluit zal worden vernietigd. Verweerder zal worden opgedragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak, in het bijzonder rechtsoverweging 6.3.

7.2.

Niet is gebleken dat eiser proceskosten heeft gemaakt die voor vergoeding in aanmerking komen. Omdat het beroep gegrond wordt verklaard, zal de rechtbank bepalen dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoedt.

Beslissing

De rechtbank:

verklaart het beroep gegrond;

vernietigt het bestreden besluit;

bepaalt dat verweerder binnen zes weken na verzending van het afschrift van deze uitspraak een nieuwe beslissing op het bezwaar neemt met inachtneming van deze uitspraak;

bepaalt dat verweerder aan eiser het betaalde griffierecht van € 48,00 vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. T. Boesman, rechter, in aanwezigheid van

mr. I.F.A.M. Errington-Quaedvlieg, griffier. De uitspraak is in het openbaar gedaan op 21 april 2021.

griffier rechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Bijlage - Wettelijk kader

1. Op grond van artikel 1, eerste lid, sub e in verbinding met het tweede lid, van de Wet op de zorgtoeslag (Wzt) is de zorgtoeslag een tegemoetkoming in de premie voor de zorgverzekering , waarbij de hoogte afhankelijk is van de draagkracht.

2. Op grond van artikel 1, derde lid, van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (Awir) is de zorgtoeslag een inkomensafhankelijke regeling en is de Awir van toepassing op de zorgtoeslag.

3. Op grond van artikel 7, eerste lid, van de Awir wordt ter bepaling van de draagkracht voor de toepassing van een inkomensafhankelijke regeling het toetsingsinkomen, bedoeld in artikel 8, van de belanghebbende en dat van zijn partner in aanmerking genomen.

4. Op grond van artikel 8, eerste lid, Awir is het toetsingsinkomen het op het berekeningsjaar betrekking hebbende inkomensgegeven.

5. Voor de invulling van het begrip inkomensgegeven verwijst artikel 2, eerste lid en onder o, van de Awir naar artikel 21, aanhef en onder e, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (Awr). Dit artikel luid t:

“In dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

(…)

e. inkomensgegeven:

1̊. indien over een kalenderjaar een aanslag of navorderingsaanslag inkomstenbelasting is of wordt vastgesteld: het na afloop van dat kalenderjaar van betrokkene over dat kalenderjaar laatst bepaalde verzamelinkomen;

2̊. indien over een kalenderjaar geen aanslag of navorderingsaanslag inkomstenbelasting is of wordt vastgesteld: het na afloop van dat kalenderjaar van betrokkene over dat kalenderjaar laatst bepaalde belastbare loon.”

6. Op grond van artikel 20, eerste lid, van de Awir herziet de Belastingdienst /Toeslagen de tegemoetkoming, indien na toekenning van de tegemoetkoming uit een eerste vaststelling, eerste bepaling of wijziging van een inkomensgegeven of niet in Nederland belastbaar inkomen blijkt dat de tegemoetkoming tot een te hoog of te laag bedrag is toegekend.

7. Op grond van het tweede lid van de Awir geschiedt de herziening binnen acht weken na het tijdstip waarop het voor het eerst vastgestelde, voor het eerst bepaalde of gewijzigde inkomensgegeven aan de Belastingdienst/Toeslagen bekend is geworden dan wel de beschikking of uitspraak strekkende tot de in het eerste lid bedoelde vaststelling, bepaling of wijziging onherroepelijk is geworden.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature