< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Zittingsplaats:
Instantie:
Vindplaatsen:

Inhoudsindicatie:

Verplichting bank tot afdracht aan de curator van tijdens faillissement ontstaan creditsaldo. Redelijkheid en billijkheid leidt voor de Duitse bankinstelling niet tot een uitzonderingspositie binnen het strikte systeem van de Faillissementswet

Uitspraak



vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team handel en haven

zaaknummer / rolnummer: C/10/623345 / HA ZA 21-708

Vonnis van 23 februari 2022

in de zaak van

[naam curator] ,

in hoedanigheid van curator in het faillissement van [naam gefailleerde] ,

kantoorhoudende te [plaats] ,

eiser,

advocaat mr. E-J.W. Griffioen te Rotterdam,

tegen

de vennootschap naar buitenlands recht

N26 BANK GMBH,

gevestigd te Berlijn,

gedaagde,

advocaat mr. A.L. Bremmer te Amsterdam.

Partijen zullen hierna de curator en N26 genoemd worden.

1. De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

de dagvaarding van 16 juni 2021, met producties 1 tot en met 13;

de conclusie van antwoord, zonder producties;

aanvullende productie 14 van de curator;

spreekaantekeningen van de curator;

spreekaantekeningen van N26;

de mondelinge behandeling van 12 januari 2022, waarvan de griffier aantekeningen heeft gemaakt.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Bij vonnis van de Rechtbank Rotterdam van 21 juni 2016 is, met inachtneming van artikel 3 lid 1 van de Verordening (EU) 1346/2000 van het Europees Parlement en de Raad van 29 mei 2000 betreffende insolventieprocedures (hierna: IVO), [naam gefailleerde] (hierna: de gefailleerde) in staat van faillissement verklaard. Daarbij is de curator als zodanig aangesteld.

2.2.

Op 6 maart 2019 heeft de gefailleerde bij N26 een bankrekening geopend met bankrekeningnummer [rekeningnummer] (hierna: de bankrekening).

2.3.

Daags nadat de curator door de Fiscale Inlichtingen en Opsporingsdienst was geattendeerd op het bestaan van de bankrekening, is namens de curator per brief van 26 maart 2020 daarover het volgende aan N26 bericht:

“(…) Today, the bankruptcy trustee has become aware that the bankrupt keeps a bank account at your bank; it concerns an account with IBAN (…) and is opened after 21 June 2016.

I urge you to block that bank account and any other bank accounts kept by the bankrupt immediately. I urge you to confirm me by return that the account(s) is/(are) blocked.

I urge you to send me by return a receipt/copy all bank transactions of that bank account and any other bank accounts kept by the bankrupt of the period between 21 June 2013 and today. As an alternative, you can provide with the login details of the online bank account(s).”

2.4.

Per brief van 7 april 2020 heeft N26 het volgende over de bankrekening aan de curator bericht:

“We declare the following:

The debtor holds an N26 bank account with the account number (…)

The current balance is 979,65 EUR.

The debtor holds no other accounts (…).

(…)

Please find the balance statements attached.

The cancellation has been sent to the customer as of today, 07.04.2020. It will be effective as of 07.06.2020.”

2.5.

Uit de door N26 verstrekte bankafschriften blijkt dat op en van de bankrekening in de periode van 6 maart 2019 tot en met 7 april 2020 diverse bij- en afschrijvingen hebben plaatsgevonden van en naar verschillende bankrekeningen. In die periode is voor zover hier relevant in totaal € 65.327,86 op de bankrekening ontvangen.

2.6.

Per brief van 28 april 2020 heeft de curator N26 verzocht een totaalbedrag van € 65.327,86 binnen tien dagen over te maken naar de faillissementsrekening. Dit bedrag bestaat uit het saldo van de ontvangsten op de bankrekening, hetgeen overeenkomt met een nog op de bankrekening aanwezig (bevroren) saldo van € 979,65 en de optelsom van € 64.348,21 aan bedragen die de bankrekening hebben verlaten.

2.7.

Per brief van 5 mei 2020 heeft N26 aan de curator bericht niet aan zijn betalingsverzoek te zullen voldoen omdat zij meent dat een rechtsplicht daartoe ontbreekt.

3. Het geschil

3.1.

De curator vordert dat de rechtbank, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

N26 veroordeelt tot betaling van € 65.327,86, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 13 mei 2020 tot en met de dag der voldoening;

N26 veroordeelt tot betaling van de kosten van het geding, waaronder specifiek begrepen de vertalingskosten, de kosten van de internationale betekening en de nakosten als bedoeld in artikel 237, vierde lid, Rv voor een bedrag van € 157,- zonder betekening, verhoogd met een bedrag van € 239,- in geval van betekening, met bepaling dat, als deze kosten niet binnen veertien dagen na de dagtekening van het vonnis worden voldaan, daarover vanaf de vijftiende dag na dagtekening van het vonnis wettelijke rente is verschuldigd; en

gelijktijdig met het wijzen van het vonnis aan de curator het ‘certificaat betreffende een beslissing in burgerlijke en handelszaken’ zijnde het daarvoor te gebruiken formulier zoals bedoeld in artikel 53 en bijlage I Verordening 1215 /2012 (Brussel I bis-Vo) afgeeft.

3.2.

De curator legt aan zijn vorderingen ten grondslag dat het totaal van de ontvangsten op de bankrekening op grond van artikel 20 van de Faillissementswet (Fw) behoort tot het faillissementsvermogen van de gefailleerde en dat dit saldo daarom aan de boedel dient te worden afgedragen. Op grond van het bepaalde in artikel 23 Fw was de gefailleerde niet bevoegd te beschikken over het saldo op de bankrekening zodat de boedel ook aanspraak heeft behouden op de bedragen die de gefailleerde van de rekening heeft overgeboekt. N26 behoorde dit totaalsaldo aan de curator af te dragen. Nu dit niet is gebeurd, dient zij die afdracht alsnog te doen, aldus de curator.

3.3.

N26 concludeert tot afwijzing van de vorderingen, met veroordeling van de curator, uitvoerbaar bij voorraad, in de proceskosten en de nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de vijftiende dag na het vonnis.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

Bevoegdheid en toepasselijk recht

4.1.

Het geschil betreft een door een Nederlandse gefailleerde in Duitsland aangehouden bankrekening. Dit geeft de zaak een internationaal karakter, zodat beoordeeld moet worden welke rechter bevoegd is van de zaak met internationale aspecten kennis te nemen. De insolventieprocedure is in 2016 geopend. Dit betekent dat de IVO, waaraan ook Duitsland zich heeft gecommitteerd, van toepassing is. Ten aanzien van de internationale bevoegdheid wordt artikel 3 lid 1 IVO aldus uitgelegd dat de rechter van de lidstaat op wiens grondgebied de insolventieprocedure is geopend, tevens bevoegd is om uitspraak te doen in geschillen die rechtstreeks voortvloeien uit en nauw samenhangen met die insolventieprocedure (HvJEG 12 februari 2009, ECLI:EU:C:2009:83). Nu de door de curator ingestelde vorderingen het rechtstreekse gevolg zijn van het faillissement van de gefailleerde in Nederland, is de Nederlandse rechter bevoegd om over het geschil te oordelen.

4.2.

Partijen verschillen er niet (meer) over van mening dat het geschil op grond van artikel 4 lid 1 IVO wordt beheerst door Nederlands recht, omdat de insolventieprocedure van de gefailleerde in Nederland is geopend. Uit het tweede lid van dit artikel volgt ook expliciet dat in dit geval op grond van Nederlands recht moet worden vastgesteld (sub b) welk deel van het vermogen van de gefailleerde tot de boedel behoort en of de na de opening van de insolventieprocedure verkregen goederen tot deze boedel behoren en (sub c) welke de respectieve bevoegdheden van de gefailleerde en de curator zijn. De conclusie is dat het geschil op grond van het Nederlandse faillissementsrecht dient te worden beoordeeld.

Afdrachtverplichting?

Het materiële recht

4.3.

Naar Nederlands recht omvat het faillissement het gehele vermogen van de schuldenaar ten tijde van de faillietverklaring, alsmede hetgeen hij gedurende het faillissement verwerft (artikel 20 Fw). Door de faillietverklaring verliest de schuldenaar van rechtswege de beschikking en het beheer over zijn tot het faillissement behorend vermogen (artikel 23 Fw). Voor verbintenissen van de schuldenaar, na de faillietverklaring ontstaan, is de boedel niet aansprakelijk dan voor zover deze ten gevolge daarvan is gebaat (artikel 24 Fw).

4.4.

Dat een door de curator aangesproken derde, zoals in dit geval N26, tot dat moment niet op de hoogte was van het faillissement is in dit verband niet van belang. De geschiedenis van de totstandkoming van de Faillissementswet biedt namelijk geen steun aan een uitzondering wegens onwetendheid. De wetgever is er juist vanuit gegaan dat derden door de openbare uitspraak en inschrijving in het daartoe bestemde register, met het faillissement bekend kunnen zijn en daarom ook jegens hen werking heeft met ingang van de dag van uitspraak. De wetgever heeft gekozen voor bescherming van de boedel en de faillissementscrediteuren die op verhaal via de boedel zijn aangewezen, ten nadele van bona fide derden die op of na de datum van het faillissement door rechtshandelingen aanspraken ten laste van de gefailleerde verkrijgen of zich van aanspraken ten gunste van de gefailleerde bevrijden. Strikte naleving van het fixatiebeginsel en de beperkte uitleg van uitzonderingen daarop leidt tot die bescherming, ook al gaat dit ten koste van derden (conclusie A-G bij HR 28 april 2006, ECLI:NL:HR:2006:AV0653 (Huijzer q.q./ Rabobank )). Dit is de achtergrond van inmiddels vaste jurisprudentie van de Hoge Raad waaruit volgt dat indien de gefailleerde op of na de dag van faillietverklaring een betalingsopdracht geeft - waartoe hij op grond van artikel 23 Fw niet bevoegd was - de curator in beginsel ook afdracht van het bedrag van de daaruit voortvloeiende betaling van de bankinstelling kan vorderen, ongeacht of die bankinstelling door publicatie van het faillissementsvonnis of op andere wijze bekend was of kon zijn met de faillietverklaring (HR 28 april 2006, ECLI:NL:HR:2006:AV0653 (Huijzer q.q./Rabobank) en HR 23 maart 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV0614 ( ING /Manning q.q.)).

4.5.

Ook uit de geschiedenis van de totstandkoming van de IVO volgt dat het een bewuste keuze van de Europese wetgever is geweest om onbekendheid met het faillissement van een in een andere lidstaat geopende faillissementsprocedure niet aan te merken als omstandigheid die aanleiding geeft om verdere beperkingen op het toepasselijke nationale recht aan te brengen dan die, welke in de artikelen van het IVO zijn terug te vinden. Het Europese Hof van Justitie is van oordeel dat onbekendheid van de bank met het faillissement van de rekeninghouder slechts ten gunste van de bank kan werken als sprake is van betalingen die strekken “ten voordele van” de gefailleerde als bedoeld in artikel 24 lid 1 IVO. Het Hof heeft daarbij tevens uitgelegd dat daarmee bedoeld wordt dat de betaling ten voordele van de curator moet zijn geschied (HvJEU 19 september 2013, ECLI:EU:C:2013:566 (Grontimmo)).

Vertrekpunt

4.6.

Niet in geschil en daarmee uitgangspunt tussen partijen is dat voor zover hier relevant gedurende het faillissement van de gefailleerde een bedrag van € 65.327,86 op de bankrekening is bijgeboekt, dat € 64.348,21 ter uitvoering van betaalopdrachten waartoe de gefailleerde niet bevoegd was de bankrekening heeft verlaten en dat dat een creditsaldo van € 979,65 op de bankrekening resteert. Als de onbevoegd verrichte overboekingen niet waren verricht, was het creditsaldo van de bankrekening € 65.327,86. Gelet hierop en op de hiervoor aangehaalde maatstaf is dan ook uitgangspunt dat N26 het totaalbedrag van € 65.327,86 aan de curator dient af te dragen.

Verweren tegen de afdrachtverplichting

4.7.

Tegen het laatstgenoemde uitgangspunt heeft N26 ingebracht dat onduidelijk is of de schuldeisers zijn benadeeld door crediteringen op de bankrekening en zij trekt in twijfel of de curator zijn taken behoorlijk heeft uitgevoerd door voldoende rekening te houden met de belangen van N26. In dit specifieke geval zetten voorts de redelijkheid en billijkheid de dwingendrechtelijke regels uit de faillissementswet die leiden tot de bedoelde afdrachtverplichting opzij, dan wel nopen zij de rechter tot een billijkheidscorrectie. N26 grondt die stellingen op (i) haar onbekendheid met het faillissement, (ii) het feit dat toepassing van Duits recht niet tot aansprakelijkheid zou leiden, (iii) de rol van banken bij het bereiken van een effectieve en geïntegreerde Europese betaalmarkt, (iv) het tijdperk van online bankieren, (v) het tijdverloop tussen de uitspraak van het faillissement en het openen van de bankrekening en (vi) het gebrek aan een directe link tussen de girale betalingen en het faillissement.

4.8.

De rechtbank overweegt daarover als volgt. Aan de twijfel die N26 heeft geuit over de wijze waarop de curator zijn taken heeft verricht verbindt N26 geen rechtsgevolgen. Reeds daarom gaat de rechtbank aan dat argument voorbij. De positie van een bankinstelling zoals N26 die zich als derde ziet geconfronteerd met een faillissement en de gevolgen daarvan, is bij de afwegingen die hebben geleid tot de onder 4.3 tot en met 4.5 bedoelde maatstaf reeds betrokken. Gelet op diezelfde maatstaf, treft ook hetgeen N26 verder over haar positie als betaaldienstverlener in een Europese markt in een tijdperk van online bankieren heeft aangevoerd geen doel.

4.9.

Met het argument dat de gezamenlijke schuldeisers van gefailleerde met crediteringen niet zijn benadeeld, formuleert N26 een eis die de Faillissementswet niet stelt aan het bestaan van een afdrachtverplichting op grond van artikelen 20 en 23 Fw. Ook als N26 bedoelt te stellen dat de schuldeisers door de afschrijvingen niet zijn benadeeld, hetgeen de curator betwist, gaat dit om dezelfde reden niet op.

4.10.

Verder heeft N26 niet gesteld dat de afboekingen tot voordeel van gefailleerde, althans de curator hebben geleid, zoals hiervoor onder 4.5 bedoeld. Dat brengt met zich, gelet op hetgeen onder 4.4 en 4.5 is overwogen, dat N26 zich ook niet kan beroepen op bescherming wegens onbekendheid met het faillissement. Het feit dat N26 niet op de hoogte was van het faillissement, is dus een omstandigheid die voor haar risico komt. Mede gegeven de belangenafweging die de wetgever op dit punt maakte, is dat ook geen onredelijke uitkomst. Daarbij komt dat het in de risicosfeer van N26 ligt dat zij een rekening heeft geopend op naam van een klant die zijn faillissement in Nederland niet heeft gemeld. Nu Duits recht niet van toepassing is, kan ook daaraan ook niet bij wijze van billijkheidscorrectie bescherming worden ontleend. Dat sinds de uitspraak van het faillissement en de transacties geruime tijd is verstreken en er mogelijk geen link bestaat tussen de ontvangsten en de situatie ten tijde van uitspraak van het faillissement, doet er niet aan af dat het gedurende het faillissement gerealiseerde creditsaldo tot de boedel behoort en dat de gefailleerde niet bevoegd was daarover te beschikken. Daar komt nog bij, dat de curator contact heeft opgenomen met N26 de dag nadat hij van het bestaan van de bankrekening op de hoogte kwam. Er zijn geen concrete feiten of omstandigheden gesteld die tot de slotsom kunnen leiden dat de curator van dat bestaan daarvan eerder op de hoogte kon en moest zijn.

De conclusie is dat N26 aan de eisen van redelijkheid en billijkheid geen uitzonderingspositie binnen het systeem van de Faillissementswet kan ontlenen die haar tegen de gevolgen van artikel 20 en 23 Fw beschermt.

4.11.

Evenmin kan de curator worden tegengeworpen dat hij de mogelijkheid heeft of had om de bewuste bedragen bij een derde te vorderen. Aan de curator komt namelijk beleidsvrijheid toe om te bepalen welke partij hij aanspreekt en er is geen rechtsregel die zich verzet tegen zijn keuze om eerst of uitsluitend N26 aan te spreken. Vanzelfsprekend geldt dit mits dezelfde bedragen niet tweemaal worden geïnd. De curator heeft echter expliciet verklaard dat van dubbel innen geen sprake is, terwijl N26 niet concreet heeft gemaakt dat dat wel het geval is. Aan dit verweer wordt dan ook voorbij gegaan.

Verweren tegen de hoogte van de vordering

Dubbeltellingen?

4.12.

Tegen de hoogte van het door de curator gevorderde bedrag voert N26 aan dat niet is gesteld of gebleken dat de curator niet reeds (een deel van) het gevorderde van andere banken heeft ontvangen. Ter illustratie geeft N26 aan dat op de bankrekening een bedrag van € 12.500,- is bijgeschreven afkomstig van een door gefailleerde bij Bunq aangehouden bankrekening. De curator heeft verklaard dat bedragen niet zowel van de ene als de andere bank worden gevorderd en dat daarom dit bedrag waarvoor verhaal is gezocht bij Bunq, dan ook buiten het gevorderde is gehouden. In het licht van deze gemotiveerde betwisting heeft N26 haar stelling dat het gevorderde wegens dubbeltellingen met € 12.500,- dient te worden verminderd, onvoldoende gemotiveerd gehandhaafd.

Overboekingen naar andere bankrekeningen van gefailleerde

4.13.

N26 voert aan dat overboekingen van totaal € 2.590,- naar andere bankrekeningen van gefailleerde zijn verricht. Benadeling van de gezamenlijke schuldeisers ontbreekt volgens N26 nu de bedragen het vermogen van gefailleerde met die overboekingen niet hebben verlaten. De rechtbank is van oordeel dat N26 hiermee ten onrechte aan het fixatiebeginsel en de in artikel 23 Fw bedoelde beschikkingsonbevoegdheid van gefailleerde voorbij gaat. N26 had en heeft een afdrachtverplichting jegens de boedel ter hoogte van het totale saldo van de bijboekingen op de bankrekening. Dat (een deel van) de bedragen met overboeking naar een andere bankrekening op zijn naam mogelijk in het vermogen van de gefailleerde zijn gebleven en de curator de bewuste bedragen ook van gefailleerde of de ontvangende bank had kunnen vorderen, doet daar niet aan af. Daarbij komt dat gesteld noch gebleken is dat de boedel bij die overboekingen was gebaat als bedoeld in artikel 24 Fw . Deze overboekingen kunnen dan ook niet aan de boedel worden tegengeworpen. De rechtbank passeert dit argument dan ook wegens gebrek aan feitelijke grondslag.

Levensonderhoud gefailleerde

4.14.

N26 voert voorts aan dat de vordering van de curator dient te worden verminderd met het zogenoemde vrij te laten bedrag waarop gefailleerde recht heeft ten behoeve van zijn levensonderhoud. Daargelaten de vraag of de rechter-commissaris een daartoe strekkende beschikking zou geven, leidt dit hooguit tot een eventuele aanspraak van gefailleerde op de boedel en gaat dit argument N26 in elk geval niet aan in haar verhouding tot de curator met betrekking tot de afdrachtverplichting.

Conclusie

4.15.

De slotsom is dat geen van de verweren tegen de afdrachtverplichting en tegen de hoogte ervan slagen. Het vertrekpunt van een volledige verplichting van N26 tot afdracht van het gevorderde saldo van de crediteringen aan de boedel blijft in stand. Dit betekent dat de door de curator gevorderde hoofdsom integraal wordt toegewezen.

Rente

4.16.

De wettelijke rente is toewijsbaar nu die vordering op de wet is gegrond en daartegen geen afzonderlijk verweer is gevoerd.

Certificaat

4.17.

De rechtbank zal het gevorderde certificaat als bedoeld in artikel 53 Brussel I bis-Vo afgeven.

Proceskosten

4.18.

N26 wordt als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten veroordeeld. De kosten aan de zijde van de curator worden begroot op:

explootkosten € 103,83

griffierecht € 952,00

salaris advocaat € 2.228,00 (2 punten × tarief IV van € 1.114,-)

Totaal € 3.283,83

4.19.

De nakosten worden toegewezen conform de daarvoor geldende tarieven.

4.20.

De gevorderde kosten voor betekening in het buitenland en de vertalingskosten worden afgewezen omdat deze niet met een bedrag en onderbouwing zijn gespecificeerd.

4.21.

De wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen met de bij deze rechtbank gebruikelijke termijn van twee weken.

5. De beslissing

De rechtbank

5.1.

veroordeelt N26 tot betaling van € 65.327,86, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 13 mei 2020 tot de dag van volledige betaling;

5.2.

veroordeelt N26 tot betaling van de proceskosten, aan de zijde van de curator tot op heden begroot op € 3.283,83, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de vijftiende dag na het vonnis tot de dag van volledige betaling;

5.3.

veroordeelt N26 in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 163,- aan salaris

advocaat, te vermeerderen met een bedrag van € 85,‑ aan salaris advocaat indien niet binnen

14 dagen na aanschrijving aan het vonnis is voldaan en er vervolgens betekening van de

uitspraak heeft plaatsgevonden, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in

artikel 6:119 BW over de nakosten met ingang van de vijftiende dag na het vonnis tot aan de

voldoening;

5.4.

verklaart het vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

5.5.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.J.P. van Essen en in het openbaar uitgesproken op 23 februari 2022.

3268/196


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature