< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak




U dient ingelogd te zijn om favorieten te kunnen toevoegen aan Mijn Jure
U kunt zich hier gratis registreren
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Zittingsplaats:
Instantie:
Vindplaatsen:

Inhoudsindicatie:

Toelichting en uitleg artikel 8 lid 1 Waadi .

Uitspraak



RECHTBANK ROTTERDAM

zaaknummer: 8902930 CV EXPL 20-43399

uitspraak: 25 juni 2021

vonnis van de kantonrechter, zitting houdende te Rotterdam,

in de zaak van:

[eiser] ,

wonende te [woonplaats eiser] ,

eiser,

gemachtigde: mr. I.J.N. Fitters-Roeland,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

Dosign Staffing B.V.,

gevestigd te Rotterdam,

gedaagde,

gemachtigde: mr. P.P. Bergers.

Partijen worden hierna aangeduid als ‘ [eiser] ’ en ‘Dosign’.

1. Het verloop van de procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

de dagvaarding van 26 november 2020 met bijlagen;

de conclusie van antwoord met bijlagen;

het tussenvonnis van 1 februari 2021 waarin een mondelinge behandeling is bepaald;

de nadere bijlagen van [eiser] ;

de aantekening dat de mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 12 mei 2021.

Het vonnis is nader bepaald op heden.

2. De vaststaande feiten

2.1

[eiser] is op 5 oktober 2015 in dienst getreden bij Dosign in de functie van junior process engineer. Voor de uitvoering van zijn werkzaamheden werd [eiser] te werk gesteld bij [naam bedrijf 1] (hierna te noemen: [naam bedrijf 1] ).

2.2

Per 1 mei 2017 is [eiser] rechtstreeks in dienst getreden bij [naam bedrijf 1] in de functie van junior process engineer. De arbeidsovereenkomst met Dosign is per deze datum geëindigd.

3. Het geschil

3.1

[eiser] vordert dat Dosign bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, wordt veroordeeld tot betaling van:

€ 21.573,34 zijnde achterstallig loon, onder verstrekking van een deugdelijk bruto/netto-specificatie;

€ 508,49 netto ter zake van achterstallige reiskostenvergoeding;

de maximale wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW over het sub a gevorderde;

e wettelijke rente vanaf de dag van opeisbaarheid tot aan de dag van algehele voldoening over het sub a tot en met c gevorderde;

de buitengerechtelijke incassokosten van € 968,-;

de kosten van deze procedure.

3.2

[eiser] stelt zich op het standpunt dat de arbeidsovereenkomst tussen partijen, die van 5 oktober 2015 tot 1 mei 2017 van kracht was, gekwalificeerd moet worden als een uitzendovereenkomst in de zin van artikel 7:690 BW. Artikel 8 lid 1 Waadi (Wet Allocatie Arbeidskrachten door Intermediairs) is van toepassing op deze arbeidsrelatie. Als gevolg hiervan heeft [eiser] over de periode van 5 oktober 2015 tot 1 mei 2017 recht op dezelfde arbeidsvoorwaarden zoals die golden voor werknemers werkzaam in gelijke of gelijkwaardige functies rechtstreeks in dienst van [naam bedrijf 1] . In totaal heeft [eiser] nog recht op een bedrag van € 21.573,34 bruto aan achterstallig loon en € 508,49 netto aan reiskostenvergoeding. Omdat het verschuldigde loon niet (tijdig) is voldaan heeft [eiser] hierover recht op de maximale wettelijke verhoging op grond van artikel 7:625 BW . Daarnaast heeft [eiser] recht op de wettelijke rente over het achterstallig loon, de reiskostenvergoeding en de wettelijke verhoging vanaf de dag van opeisbaarheid tot aan de dag van algehele voldoening. Tot slot maakt [eiser] aanspraak op een vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten.

3.3

Dosign voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vordering. Dosign betwist dat artikel 8 lid 1 Waadi van toepassing is, nu er geen sprake is van gelijke of gelijkwaardige functies. Voor zover artikel 8 lid 1 Waadi van toepassing is stelt Dosign zich op het standpunt dat dit artikel ziet op de zogenaamde inlenersbeloning die bestaat uit de volgende componenten: het bruto loon conform de schaal waarin de werknemer is ingedeeld, ATV / ADV, toeslagen voor overwerk en onregelmatige uren, initiële loonsverhogingen zoals bij de inlener bepaald, onkostenvergoedingen en periodieken.

4. De beoordeling

4.1

Tussen partijen is niet in geschil dat er sprake is van een uitzendovereenkomst. Partijen verschillen van mening over de vraag of artikel 8 lid 1 Waadi hierop van toepassing is en zo ja hoe dit artikel moet worden uitgelegd.

4.2

Artikel 8 van de Waadi luidde destijds:

“1. De ter beschikking gestelde arbeidskracht heeft recht op ten minste dezelfde arbeidsvoorwaarden als die welke gelden voor werknemers werkzaam in gelijke of gelijkwaardige functies in dienst van de onderneming waar de terbeschikkingstelling plaatsvindt:

a. met betrekking tot het loon en overige vergoedingen;

b. op grond van een collectieve arbeidsovereenkomst of andere niet wettelijke bepalingen van algemene strekking die van kracht zijn binnen de onderneming waar de terbeschikkingstelling plaatsvindt, met betrekking tot de arbeidstijden, daaronder begrepen overwerk, rusttijden, arbeid in nachtdienst, pauzes, de duur van vakantie en het werken op feestdagen.

(…)

3. Bij collectieve arbeidsovereenkomst kan worden afgeweken van het eerste (…) lid, mits:

a. indien de periode gedurende welke wordt afgeweken in duur is beperkt, die overeenkomst voorziet in een regeling op grond waarvan misbruik door elkaar opvolgende perioden van terbeschikkingstelling wordt voorkomen; en

b. indien het een collectieve overeenkomst betreft die van toepassing is op de onderneming waar de terbeschikkingstelling plaatsvindt, die overeenkomst bepalingen bevat op grond waarvan een werkgever zich ervan moet verzekeren dat de aan zijn onderneming ter beschikking gestelde arbeidskrachten de arbeid verrichten tegen de arbeidsvoorwaarden, genoemd in het eerste lid, die voor deze arbeidskrachten bij die overeenkomst zijn voorgeschreven.”

4.3

Dosign betwist niet dat er sprake is van het ter beschikking stellen van arbeidskrachten in de zin van artikel 8 van de Waadi . Dosign stelt dat artikel 8 Waadi niet van toepassing zou zijn, omdat er geen sprake is van gelijke of gelijkwaardige functies.

Gelijke of gelijkwaardige functies

4.4

Het begrip ‘gelijke of gelijkwaardige functies’ moet ruim worden uitgelegd, gelet op het doel en strekking van de Waadi en de toepasselijke Uitzendrichtlijn (Richtlijn 2008/104/EG). Dat brengt onder meer mee dat niet bepalend is of vast komt te staan dat [naam bedrijf 1] feitelijk ook zelf werknemers in dienst heeft (gehad) in een gelijke of gelijkwaardige functie, maar of de functie die [eiser] heeft vervuld, past bij de functies en de functiebeschrijvingen genoemd binnen [naam bedrijf 1] (zie ook: Gerechtshof Den Haag, 7 juni 2016, ECLI:NL:GHDHA:2016:1855).

4.5

[eiser] is als junior process engineer begonnen bij Dosign en heeft in die functie werkzaamheden verricht voor [naam bedrijf 1] . Dit staat ook zo vermeld in zijn arbeidsovereenkomst. Vervolgens is hij als junior process engineer in dienst getreden bij [naam bedrijf 1] . Hieruit volgt dat [naam bedrijf 1] binnen haar functiehuis bekend was met de functie van junior process engineer. Dat [eiser] binnen Dosign nog onervaren was of begonnen is als een zogenaamde high potential is inherent aan een junior of startersfunctie. Op basis daarvan kan in ieder geval niet gezegd worden dat er geen sprake zou zijn van gelijke of gelijkwaardige functies. De kantonrechter gaat daarom aan het verweer van Dosign voorbij. Dit betekent dat wordt vastgesteld dat er sprake is van een gelijke of gelijkwaardige functie als bedoeld in het eerste lid van artikel 8 Waadi .

Uitleg artikel 8 lid 1 Waadi

4.6

In artikel 8 lid 1 Waadi is de gelijke behandelingsnorm neergelegd voor ter beschikking gestelde arbeidskrachten met betrekking tot de daarin genoemde arbeidsvoorwaarden. Van artikel 8 lid 1 Waadi kan bij cao worden afgeweken. Op de tussen partijen overeengekomen uitzendovereenkomst is geen cao van toepassing. Verder is gesteld noch gebleken dat in de cao die bij de inlener ( [naam bedrijf 1] ) van toepassing is een bepaling is opgenomen als bedoeld in (het destijds toepasselijke) artikel 8 lid 3 sub b Waadi. Dit betekent dat de hoofdregel van artikel 8 lid 1 Waadi geldt.

4.7

Volgens de hoofdregel heeft een ter beschikking gestelde arbeidskracht recht op tenminste dezelfde arbeidsvoorwaarden als de werknemer die werkzaam is in een gelijke of gelijkwaardige functie in dienst van de onderneming waar de ter beschikking plaatsvindt. Het feit dat [eiser] via een andere vennootschap ([naam bedrijf 2]) aan [naam bedrijf 1] werd uitgeleend, betekent niet dat gekeken dient te worden naar de arbeidsvoorwaarden van deze doorlener. Omdat de ter beschikkingstelling plaatsvond bij [naam bedrijf 1] , moet gekeken worden naar de arbeidsvoorwaarden van werknemers in een gelijke of gelijkwaardige functie in dienst van [naam bedrijf 1] .

4.8

Volgens Dosign vallen onder artikel 8 lid 1 Waadi slechts de volgende componenten: “het bruto loon conform de schaal waarin de werknemer is ingedeeld, ATV / ADV, toeslagen voor overwerk en onregelmatige uren, initiële loonsverhogingen zoals bij inlener bepaald, onkostenvergoedingen en periodieken.” Dit zijn echter de componenten van de inlenersbeloning zoals vermeld in de cao voor uitzendkrachten. Artikel 8 lid 1 Waadi en de inlenersbeloning zijn, anders dan Dosign meent, niet hetzelfde (zie ook Gerechtshof Amsterdam 14 juli 2020 ECLI:NL:GHAMS:2020:2010).

4.9

Volgens (het destijds) toepasselijke artikel 8 lid 1 Waadi gaat het om loon en overige vergoedingen en arbeidsvoorwaarden op grond van een collectieve arbeidsovereenkomst of andere niet wettelijke bepalingen die van kracht zijn binnen de onderneming waar de terbeschikkingstelling plaatsvindt, met betrekking tot de arbeidstijden, daaronder begrepen overwerk, rusttijden, arbeid in nachtdienst, pauzes, de duur van vakantie en het werken op feestdagen. Volgens de wetgever wordt met loon in dit artikel gedoeld op “loonbetaling in dezelfde schaal als die van toepassing is op gelijke of gelijkwaardige functies in de inlenende onderneming. Loon is niets anders dan de tegenprestatie voor de bedongen arbeid en omvat mede het loon over bijvoorbeeld overuren, voor het werken op feestdagen en het loon over vakantiedagen. Met overige vergoedingen wordt bedoeld: de vergoedingen voor reisuren, reiskosten, pensionkosten, koffiegeld en andere noodzakelijk te achten kostenvergoedingen, voor zover werknemers in dienst van de inlenende onderneming in soortgelijke omstandigheden eveneens daarop aanspraak kunnen doen gelden.”

Loonsverhoging

4.10

[eiser] stelt dat werknemers van [naam bedrijf 1] in een gelijke functie op grond van de toepasselijke cao recht hadden op een loonsverhoging van 1,75% en 2,0% per respectievelijk 5 oktober 2015 en 1 juli 2016. Dit wordt door Dosign niet betwist. Loonsverhogingen vallen onder artikel 8 lid 1 Waadi . Het door [eiser] in dit kader gevorderde bedrag van € 1.760,26 bruto wordt door Dosign niet betwist en gelet op het voorgaande toegewezen.

Eenmalige uitkering

4.11

[eiser] stelt dat werknemers van [naam bedrijf 1] in een gelijke functie op grond van de toepasselijke cao per 1 januari 2016 en 1 januari 2017 recht hadden op een éénmalige uitkering ter hoogte van 0,35% van het vaste jaarsalaris. Dit is door Dosign niet betwist. Deze eenmalige uitkering valt onder loon als bedoeld in artikel 8 lid 1 Waadi . Het door [eiser] in dit kader gevorderde bedrag van € 277,54 wordt door Dosign niet betwist. Gelet op het voorgaande wordt het gevorderde bedrag van € 277,54 bruto toegewezen.

RAB

4.12

[eiser] stelt dat werknemers van [naam bedrijf 1] in een gelijke functie op grond van de toepasselijke cao recht hadden op een resultaat afhankelijke beloning. Dit wordt door Dosign niet betwist. Deze resultaat afhankelijke beloning valt onder loon als bedoeld in artikel 8 lid 1 Waadi . Het in dit kader door [eiser] gevorderde bedrag van € 3.221,47 bruto wordt door Dosign niet betwist en gelet op het voorgaande toegewezen.

Reiskostenvergoeding

4.13

[eiser] stelt dat werknemers van [naam bedrijf 1] in een gelijke functie op grond van de toepasselijke cao recht hadden op een reiskostenkostenvergoeding. Dit wordt door Dosign niet betwist. Deze reiskostenvergoeding valt onder artikel 8 lid 1 Waadi . Het in dit kader door [eiser] gevorderde bedrag van € 508,49 netto wordt door Dosign niet betwist en gelet op het voorgaande toegewezen.

Vakantieaanspraken

4.14

[eiser] stelt dat werknemers van [naam bedrijf 1] in een gelijke functie op grond van de toepasselijke cao recht hadden op 200 vakantie-uren per jaar, 168 uur per jaar aan extra verlof en doorbetaling van loon op de in de [naam bedrijf 1] -cao genoemde feestdagen. Dit wordt door Dosign niet betwist. Deze componenten vallen onder artikel 8 lid 1 Waadi . Het in dit kader door [eiser] gevorderde bedrag van € 12.852,80 bruto wordt door Dosign niet betwist en gelet op het voorgaande toegewezen.

PDD prestatieverhoging

4.15

[eiser] stelt dat werknemers van [naam bedrijf 1] in een gelijke functie op grond van de toepasselijke cao recht hadden op een PDD prestatieverhoging (een persoonlijke verhoging aan de hand van persoonlijke prestaties). Dit wordt door Dosign niet betwist. Deze verhoging is te zien als loon en valt onder artikel 8 lid 1 Waadi . Volgens [eiser] heeft hij in dit kader nog recht op een bedrag van € 145,29 bruto. De hoogte van dit bedrag wordt door Dosign niet betwist. Gelet op het voorgaande wordt het gevorderde bedrag van € 145,29 bruto toegewezen.

Akzo Bonus

4.16

[eiser] stelt dat werknemers van [naam bedrijf 1] in een gelijke functie recht hadden op een EBITDA-bonus welke is gekoppeld aan het bedrijfsresultaat van [naam bedrijf 1] . Dit wordt door Dosign niet betwist. Deze bonus is te zien als loon en valt onder artikel 8 lid 1 Waadi . Volgens [eiser] heeft hij in dit kader recht op een bedrag van € 3.315,98 bruto. De hoogte van dit bedrag wordt door Dosign niet betwist. Gelet op het voorgaande wordt het gevorderde bedrag van € 3.315,98 bruto toegewezen.

Totaal achterstallig salaris/ specificatie

4.17

Het voorgaande brengt mee dat Dosign aan [eiser] verschuldigd is € 21.573,34 aan achterstallig salaris. Dosign heeft geen verweer gevoerd tegen de vordering van [eiser] tot afgifte aan [eiser] van een deugdelijke bruto/netto specificatie over de gevorderde bedragen, zodat deze vordering voor toewijzing gereed ligt.

Wettelijke verhoging

4.18

De wettelijke verhoging is volgens artikel 7:625 BW verschuldigd indien de niet tijdige voldoening van het loon aan de werkgever is toe te rekenen. Dat is hier het geval. Dosign wordt geacht de Waadi op een juiste manier toe te passen. Niet is echter gebleken dat Dosign moedwillig of bewust onder haar betalingsverplichtingen heeft willen uitkomen. De kantonrechter ziet aanleiding om de verhoging te matigen tot 20%.

Wettelijke rente

4.19

Omdat Dosign de door [eiser] gevorderde bedragen niet tijdig heeft betaald is zij de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW verschuldigd. De wettelijke rente wordt verschuldigd door het enkele betalingsverzuim en zal worden toegewezen over € 21.573,34 bruto en over € 508,49 netto vanaf het moment van opeisbaarheid van de bedragen.

4.20

Voor de verschuldigdheid van wettelijke rente over de wettelijke verhoging is nodig dat de werkgever in verzuim is geraakt na in gebreke te zijn gesteld. Niet door [eiser] is gesteld of gebleken dat Dosign in gebreke is gesteld ten aanzien van de verbeurde wettelijke verhoging. Daarom geldt ten aanzien van deze post de datum van dagvaarding als de datum waarop het verzuim is ingetreden. De wettelijke rente over de wettelijke verhoging zal worden toegewezen vanaf de dag van dagvaarding

Buitengerechtelijke incassokosten

4.21

[eiser] heeft voldoende gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. Het gevorderde bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten wordt toegewezen.

Proceskosten

4.22

Dosign zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. Uitvoerbaarheid bij voorraad4.23 Dit vonnis wordt “uitvoerbaar bij voorraad” verklaard. Dit betekent dat Dosign aan de veroordelingen moet voldoen ook als zij in hoger beroep gaat.

5. De beslissing

De kantonrechter:

veroordeelt Dosign aan [eiser] te betalen een bedrag van € 21.573,34 bruto en aan [eiser] een deugdelijk bruto/netto specificatie van dit bedrag te verstrekken;

veroordeelt Dosign aan [eiser] te betalen een bedrag van € 508,49 netto;

veroordeelt Dosign tot betaling aan [eiser] van de wettelijke verhoging van 20% op grond van artikel 7:625 BW over € 21.573,34 bruto;

veroordeelt Dosign tot betaling aan [eiser] van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de onder I t /m II genoemde bedragen vanaf de dag van opeisbaarheid tot aan de dag van algehele voldoening;

veroordeelt Dosign tot betaling aan [eiser] van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over het onder III bedoelde bedrag vanaf de dag van dagvaarding tot aan de dag van algehele voldoening;

veroordeelt Dosign tot betaling aan [eiser] van € 968,-;

veroordeelt Dosign in de proceskosten, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [eiser] vastgesteld op € 499,- aan griffierecht, € 106,47 aan dagvaardingskosten en € 1.245,- (€ 498,- x 2,5 punten) aan salaris voor de gemachtigde;

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad en wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. M. Fiege en uitgesproken ter openbare terechtzitting.

47636

Kamerstuk 2010-2011, 32895, nr. 3.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature