< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak




U dient ingelogd te zijn om favorieten te kunnen toevoegen aan Mijn Jure
U kunt zich hier gratis registreren
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Zittingsplaats:
Instantie:
Vindplaatsen:

Inhoudsindicatie:

Bestuurdersaansprakelijkheid. Persoonlijk ernstig verwijt en interne taakverdeling

Uitspraak



vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team handel en haven

zaaknummer / rolnummer: C/10/606002 / HA ZA 20-999

Vonnis in verzet van 14 april 2021

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

VALUAS VC III B.V.,

gevestigd te Rotterdam,

eiseres,

gedaagde in het verzet,

advocaat mr. R. Haouli te Den Haag,

tegen

[persoon A] ,

wonende te [woonplaats A] ,

gedaagde,

eiser in het verzet,

advocaat mr. M. Bunders te Amsterdam.

Partijen zullen hierna Valuas en [persoon A] genoemd worden.

1. De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

de inleidende dagvaarding van 30 oktober 2019, met producties;

het onder zaaknummer / rolnummer 592909 / HA ZA 20-271 gewezen verstekvonnis van deze rechtbank van 24 juni 2020;

de verzetdagvaarding van 13 augustus 2020;

de brief van de rechtbank van 8 februari 2021, houdende een zittingsagenda;

de aanvullende stukken van Valuas;

de mondelinge behandeling van 9 maart 2021;

de spreekaantekeningen van mr. Haouli;

de spreekaantekeningen van mr. Bunders.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1.

[persoon A] is bestuurder van [bedrijf A] (hierna: [bedrijf A] ).

2.2.

Een van de andere (in zijn geval: indirect) bestuurders is [persoon B] .

2.3.

[bedrijf A] maakt deel uit van een groep vennootschappen, die zich onder meer bezig houdt met het produceren en leveren van festivaltenten.

2.4.

Valuas is een investeringsmaatschappij.

2.5.

Sinds augustus 2016 beschikte [bedrijf A] over een kredietfaciliteit van ING Bank. Vanaf april 2017 vond overleg plaats tussen [bedrijf A] en ING over een verlenging van deze faciliteit en over een mogelijke investering door ING in [bedrijf A] . In dat kader is door ING een due diligence onderzoek uitgevoerd.

2.6.

Ook tussen [bedrijf A] en Valuas vond overleg plaats over een mogelijke investering door Valuas.

2.7.

Op 8 november 2017 is tussen Valuas en [bedrijf A] een overeenkomst van geldlening tot stand gekomen, op grond waarvan Valuas aan [bedrijf A] een bedrag van € 1.500.000 heeft uitgeleend, terug te betalen op 6 december 2017. De overeenkomst bevat onder andere de volgende overwegingen:

“(B) Valuas is, tezamen met ING Bank N.V. (“ING”), in onderhandeling met [ [bedrijf A] ] om op korte termijn te gaan samenwerken op het gebied van de activiteiten met betrekking tot alles wat verband houdt met de activiteiten die thans door [ [bedrijf A] ] worden uitgeoefend, zijnde de mobiele accommodaties voor evenementen […]. Op dit moment bestaat het voornemen dat zowel [Valuas] en ING een participatie in [ [bedrijf A] ] nemen voor een bedrag van EUR 3.000.000 […]

(C) Vooruitlopend op de nadere uitwerking van de hierboven sub (B) genoemde samenwerking is [Valuas] bereid te investeren in de Onderneming en ter financiering van de bedrijfsactiviteiten van [ [bedrijf A] ] in het kader van de Onderneming is [Valuas] bereid om [ [bedrijf A] ] een converteerbare achtergestelde lening te verschaffen van EUR 1.500.000 […].”

Verder bevat de overeenkomst de volgende bepaling:

“3.3 Aanwending

3.3.1

De Geldnemer zal de opbrengst van de Lening in zijn geheel aanwenden voor diens algemene

bedrijfsdoeleinden In het kader van de Onderneming. De opbrengst van de Lening zal niet worden

aangewend voor aflossing van bestaande schulden van Geldnemer of voor betalingen onder

andere leningen van de Geldnemer.”

De overeenkomst is namens [bedrijf A] ondertekend door [persoon B] .

2.8.

Het geleende bedrag is op 9 november 2017 door [bedrijf A] ontvangen.

2.9.

In de weken nadien heeft [bedrijf A] diverse betalingen aan derden verricht. Daaronder bevindt zich een betaling van (afgerond) € 85.000 aan [bedrijf C] , een vennootschap waarvan [persoon A] enig aandeelhouder en bestuurder is.

2.10.

[bedrijf A] heeft de lening niet op 6 december 2017 afgelost. Evenmin heeft [bedrijf A] rentebetalingen gedaan.

2.11.

Op 12 december 2017 heeft ING de kredietfaciliteit opgezegd.

2.12.

Op 6 februari 2018 is een aanvulling op de geldleningsovereenkomst tot stand gekomen. Bij die gelegenheid is de termijn voor terugbetaling bepaald op 31 maart 2018. Ook deze aanvullende overeenkomst is namens [bedrijf A] ondertekend door [persoon B] .

2.13.

Op 1 mei 2018 is [bedrijf A] failliet verklaard.

3. Het geschil

3.1.

Valuas heeft in de verstekprocedure gevorderd dat, samengevat, de rechtbank bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis [persoon A] zal veroordelen tot betaling van € 1.808.301,37, vermeerderd met (boete)rente en proceskosten, waaronder de beslagkosten en de nakosten.

3.2.

[persoon A] vordert in het verzet dat het verstekvonnis wordt vernietigd en dat de vorderingen van Valuas alsnog worden afgewezen, met veroordeling van Valuas bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad in de (na)kosten, vermeerderd met de wettelijke rente.

4. De beoordeling

4.1.

Het verzet is tijdig en op de juiste wijze ingesteld, zodat [persoon A] in zijn verzet kan worden ontvangen. De rechtbank gaat daarbij uit van de onbetwiste stelling van [persoon A] dat hij in augustus 2020 via zijn advocaat op de hoogte is gesteld van het bestaan van het verstekvonnis.

4.2.

De vordering van Valuas is gebaseerd op bestuurdersaansprakelijkheid. Volgens Valuas heeft [persoon A] haar bewogen om de geldleningsovereenkomst aan te gaan op een moment dat hij wist of moest weten dat [bedrijf A] haar verplichtingen niet zou kunnen nakomen en geen verhaal zou bieden. Bovendien heeft hij, nadat [bedrijf A] het geleende bedrag inmiddels had ontvangen, bewerkstelligd dat [bedrijf A] haar terugbetalingsverplichting niet zou kunnen nakomen door betalingen aan derden te doen, in strijd met haar verplichtingen op grond van artikel 3.3 van de geldleningsovereenkomst. Van dit alles moet [persoon A] volgens Valuas persoonlijk een ernstig verwijt worden gemaakt. Tijdens de zitting heeft Valuas aan haar vordering mede ten grondslag gelegd dat het [persoon A] persoonlijk ernstig verweten moet worden dat hij onvoldoende inzicht in de financiën van [bedrijf A] had en dat hij niet heeft voorkomen dat Valuas met een onjuiste voorstelling van zaken de geldlening zou verstrekken.

4.3.

Dit betoog moet worden beoordeeld met inachtneming van het volgende toetsingskader. Indien een vennootschap tekortschiet in de nakoming van een verbintenis of een onrechtmatige daad pleegt, is uitgangspunt dat alleen de vennootschap aansprakelijk is voor de daaruit voortvloeiende schade. Onder bijzondere omstandigheden is echter, naast aansprakelijkheid van die vennootschap, ook ruimte voor aansprakelijkheid van een bestuurder van de vennootschap. Voor het aannemen van zodanige aansprakelijkheid is vereist dat die bestuurder persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt. Voor het aannemen van aansprakelijkheid van een bestuurder naast de vennootschap gelden dus hogere eisen dan in het algemeen het geval is. Een hoge drempel voor aansprakelijkheid van een bestuurder tegenover een derde wordt gerechtvaardigd door de omstandigheid dat ten opzichte van de wederpartij primair sprake is van handelingen van de vennootschap en door het maatschappelijk belang dat wordt voorkomen dat bestuurders hun handelen in onwenselijke mate door defensieve overwegingen laten bepalen. Het antwoord op de vraag of de bestuurder persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt, is afhankelijk van de aard en ernst van de normschending en de overige omstandigheden van het geval. Uit het persoonlijke karakter van het ernstige verwijt dat de bestuurder moet kunnen worden gemaakt, volgt dat voor het aannemen van aansprakelijkheid in beginsel voor iedere bestuurder afzonderlijk moet worden vastgesteld dat hij in zijn hoedanigheid onrechtmatig heeft gehandeld en dat dit handelen (waaronder is begrepen nalaten) aan hem kan worden toegerekend (onder andere HR 30 maart 2018, ECLI:NL:HR:2018:470).

4.4.

Valuas beroept zich in de eerste plaats op schending door [persoon A] van de zogenoemde Beklamel-norm. Die norm is aan de orde als de bestuurder namens de vennootschap een verbintenis is aangegaan en de vordering van de schuldeiser onbetaald blijft en onverhaalbaar blijkt, en de bestuurder bij het aangaan van die verbintenis wist of redelijkerwijze behoorde te begrijpen dat de vennootschap niet aan haar verplichtingen zou kunnen voldoen en geen verhaal zou bieden (onder andere HR 5 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2627).

4.5.

Om op deze grond aansprakelijkheid van de bestuurder te kunnen aannemen is dus in beginsel noodzakelijk dat de bestuurder namens de vennootschap de gewraakte verbintenis is aangegaan of ten minste bij het aangaan daarvan betrokken is geweest. In dit geval staat vast dat de overeenkomst van geldlening namens [bedrijf A] niet door [persoon A] maar door [persoon B] is ondertekend. Niettemin meent Valuas dat [persoon A] aansprakelijk is, omdat – blijkens de inleidende dagvaarding – hij Valuas tot het aangaan van de geldlening heeft “bewogen”, de totstandkoming van de geldlening “voornamelijk” het resultaat is van gesprekken tussen Valuas en [persoon A] , het [persoon A] is geweest die “misleidende” financiële informatie heeft verstrekt en het op verzoek van [persoon A] is geweest dat [persoon B] de overeenkomst heeft ondertekend.

4.6.

[persoon A] heeft dit alles betwist. Hij heeft aangevoerd dat hij zich binnen [bedrijf A] met de commerciële aspecten van de onderneming bezig hield en dat [persoon B] de financiële man binnen de vennootschap was. Hij wist wel dat met Valuas werd gesproken over een mogelijke investering in het aandelenkapitaal van [bedrijf A] , maar de gesprekken daarover zijn tussen Valuas en [persoon B] gevoerd. [persoon A] heeft geen financiële stukken aan Valuas ter beschikking gesteld. Bovendien heeft hij gesteld niet te hebben geweten dat de door Valuas bedoelde stukken een onjuist beeld gaven, omdat hij erop vertrouwde dat die stukken, onder verantwoordelijkheid van [persoon B] opgesteld door de CFO, correct waren. Verder heeft [persoon A] aangevoerd dat hij pas achteraf op de hoogte is geraakt van de totstandkoming van de geldleningsovereenkomst, namelijk toen hij in december 2017 een mail kreeg van Valuas omdat [bedrijf A] de lening niet had terugbetaald.

4.7.

Naar aanleiding van deze betwisting is van het bij inleidende dagvaarding gevoerde betoog onvoldoende overeind gebleven om op dit punt persoonlijke aansprakelijkheid van [persoon A] te kunnen aannemen. De stellingen dat [persoon A] Valuas zou hebben “bewogen” om de geldlening te verstrekken en dat [persoon B] de overeenkomst op verzoek van [persoon A] zou hebben ondertekend heeft Valuas op geen enkele wijze onderbouwd. Evenmin kan uit de ter voorbereiding op de zitting overgelegde stukken worden afgeleid dat het “voornamelijk” gesprekken met [persoon A] zijn geweest die tot de geldlening hebben geleid. Voor zover [persoon A] voorkomt in mails over de mogelijke investering door Valuas, geldt dat hij vrijwel steeds in de cc staat en wijst de tekst van de mails er eerder op dat het [persoon B] was die namens [bedrijf A] het overleg voerde. Verder heeft Valuas tijdens de zitting erkend dat de financiële stukken, die volgens haar een “misleidend” beeld van de financiën van [bedrijf A] gaven, niet door [persoon A] maar door [persoon B] zijn verstrekt. Van belang is ook dat de door Valuas overgelegde stukken steeds in de sleutel staan van de mogelijke investering door Valuas in het aandelenkapitaal van [bedrijf A] en geen betrekking hebben op de geldleningsovereenkomst. Dat is van belang, omdat het aangaan van die verbintenis door [bedrijf A] het schadeveroorzakende feit is. Voor de betrokkenheid van [persoon A] bij het aangaan van die verbintenis ontbreekt ieder aanknopingspunt. Tijdens de zitting heeft de vertegenwoordiger van Valuas juist verklaard dat het [persoon B] is geweest met wie hij overleg heeft gehad over de lening. Ten overvloede wijst de rechtbank er nog op dat de mail van 11 december 2017 waarmee Valuas [bedrijf A] in gebreke heeft gesteld ter zake van de niet-aflossing van de geldlening is gericht aan [persoon B] , niet aan [persoon A] . Ook dat biedt steun aan de lezing van [persoon A] dat het [persoon B] is geweest met wie Valuas over de geldlening contact heeft gehad.

4.8.

Al met al heeft Valuas onvoldoende concreet onderbouwd dat [persoon A] op de hoogte was van de totstandkoming van de geldleningsovereenkomst, laat staan dat hij daarin een initiërende rol heeft gespeeld. In zoverre kan hem van de totstandkoming van die overeenkomst geen persoonlijk ernstig verwijt worden gemaakt, daargelaten of hij op dat moment wist of moest weten dat [bedrijf A] er veel slechter voorstond dan aan Valuas was voorgespiegeld. Omdat Valuas op dit punt onvoldoende heeft gesteld, komt bewijslevering niet aan de orde.

4.9.

Valuas betoogt dat [persoon A] haar voorafgaande aan de totstandkoming van de geldleningsovereenkomst relevante informatie heeft onthouden. Zou hij die informatie wel hebben verstrekt, dan zou Valuas de geldlening niet hebben verstrekt, zo meent zij. Valuas wijst erop dat uit de jaarrekening over 2016 volgt dat [bedrijf A] een aanzienlijk negatief eigen vermogen had, zodat de vennootschap “technisch failliet” was. Ook stelt Valuas dat ING al in oktober 2017 aan [bedrijf A] had laten weten dat laatstgenoemde in verzuim was met de nakoming van haar verplichtingen, terwijl die informatie niet is gemeld aan Valuas. Ten slotte stelt Valuas zich op het standpunt dat [bedrijf A] in haar pogingen een voet aan de grond te krijgen in de festivalmarkt in Engeland een riskante strategie volgde door bewust gedurende een zekere tijd onder de kostprijs te leveren. Ook die informatie is niet gedeeld met Valuas. Valuas verbindt ook aan dit betoog de conclusie dat [persoon A] persoonlijk aansprakelijk is. De rechtbank leest dit betoog zo dat [persoon A] vanwege de genoemde omstandigheden aansprakelijk is, ook als aangenomen moet worden dat hij van de totstandkoming van de geldleningsovereenkomst niet op de hoogte was.

4.10.

[persoon A] heeft gesteld dat hij niet op de hoogte was van de slechte financiële cijfers, omdat hij tot einde 2017 is uitgegaan van de door [persoon B] en de onder diens leiding functionerende CFO gepresenteerde cijfers. Ook heeft hij gewezen op de taakverdeling tussen hem en [persoon B] . Valuas heeft deze taakverdeling weliswaar betwist, maar deze betwisting is niet concreet geworden, zeker niet in het licht van de in 4.7 besproken omstandigheden. Daarom zal de rechtbank uitgaan van de door [persoon A] gestelde taakverdeling.

Anders dan Valuas heeft betoogd, betekent het enkele feit dat het bestuur als geheel verantwoordelijk is voor het financiële reilen en zeilen van de vennootschap niet dat een taakverdeling binnen het bestuur irrelevant is. Het gaat hier om aansprakelijkheid van een bestuurder voor een tekortkoming van de vennootschap. Voor die aansprakelijkheid is een persoonlijk ernstig verwijt vereist. Het is niet zonder meer persoonlijk ernstig verwijtbaar indien een bestuurder tot op zekere hoogte vertrouwt op informatie die zijn medebestuurder verstrekt, zeker als die informatie betrekking heeft op het terrein dat bij uitstek tot de taak van die medebestuurder behoort. Dit zou anders kunnen zijn als [persoon A] signalen zou hebben gekregen dat de door [persoon B] verstrekte informatie onjuist was en hij niet voldoende met die signalen heeft gedaan. De door Valuas gestelde feiten bieden daarvoor echter geen aanknopingspunten. Aansprakelijkheid is op dit punt niet aan de orde.

4.11.

De rechtbank verwerpt ook het betoog van Valuas ter zake het verzuim van [bedrijf A] jegens ING. [persoon A] heeft tijdens de zitting verklaard dat ING tijdens het in 2.5 bedoelde due diligence onderzoek op vragen is gestuit die uiteindelijk, pas na de totstandkoming van de geldleningsovereenkomst, tot de opzegging van de kredietfaciliteit hebben geleid. In oktober 2017 was volgens [persoon A] nog geen sprake van verzuim. Tegenover dit verweer heeft Valuas onvoldoende ingebracht om te kunnen oordelen dat [persoon A] persoonlijk ernstig verwijtbaar heeft gehandeld door jegens Valuas geen melding te maken van de bij ING gerezen vragen. Valuas heeft geen concrete feiten gesteld waaruit zou kunnen worden afgeleid dat [persoon A] wist of redelijkerwijs rekening moest houden met de reële mogelijkheid dat ING de kredietfaciliteit zou opzeggen, laat staan dat aangenomen zou kunnen worden dat hij Valuas hierover had moeten informeren. Mogelijk zou hierover anders geoordeeld kunnen worden als [persoon A] wist dat Valuas op het punt stond een bedrag van € 1.500.000 aan [bedrijf A] uit te lenen, maar hiervoor is komen vast te staan dat [persoon A] daar niet vanaf wist.

4.12.

Ook wat betreft de gestelde riskante ondernemingsstrategie van [bedrijf A] heeft het betoog van Valuas te weinig om het lijf om te kunnen oordelen dat [persoon A] persoonlijk aansprakelijk is. Dat Valuas dit mogelijk had willen weten voordat zij tot de geldlening overging, mag zo zijn, maar daarmee is de stap naar persoonlijke aansprakelijkheid van [persoon A] als bestuurder nog niet gezet. Valuas heeft (ook) op dit punt onvoldoende gesteld. Voor de goede orde merkt de rechtbank op dat het hanteren van een riskante strategie op zichzelf beschouwd ook niet zonder meer leidt tot aansprakelijkheid van de bestuurder.

4.13.

Al met al is er dus geen grond om [persoon A] als bestuurder aansprakelijk te houden voor het aangaan van de verplichtingen uit hoofde van de geldleningsovereenkomst.

4.14.

Valuas heeft daarnaast betoogd dat [persoon A] persoonlijk aansprakelijk is, omdat hij heeft bewerkstelligd dat [bedrijf A] haar verplichtingen uit de geldleningsovereenkomst niet is nagekomen door het van Valuas ontvangen bedrag aan andere doelen te besteden dan volgens die overeenkomst toegestaan. Valuas heeft gesteld dat [bedrijf A] het geleende bedrag (grotendeels) heeft aangewend om bestaande schuldeisers te voldoen, terwijl dat in de overeenkomst uitdrukkelijk was verboden.

4.15.

Ook dit betoog loopt stuk op het ontbreken van persoonlijke betrokkenheid van [persoon A] . In de eerste plaats valt niet in te zien dat [persoon A] persoonlijk kan worden verweten het ontvangen bedrag in strijd met de geldleningsovereenkomst te hebben besteed als hij van het bestaan van die overeenkomst niet af wist. In de tweede plaats heeft [persoon A] onbetwist gesteld dat hij niet betrokken was bij het doen van betalingen en dat hij zelfs geen toegang had tot de bankrekeningen van [bedrijf A] . Van persoonlijk ernstig verwijtbaar handelen is dus geen sprake. Dit wordt niet anders door het feit dat hijzelf, althans zijn vennootschap [bedrijf C] , een van de begunstigden was van betalingen door [bedrijf A] in de dagen na de ontvangst van het geleende bedrag. [persoon A] heeft aangevoerd dat hij in 2017 veel internationale reizen heeft gemaakt en dat de kosten daarvan gewoonlijk tegen het einde van het jaar werden vergoed. De ontvangst van een bedrag in november was zo bezien dus niet vreemd, aldus [persoon A] . Valuas heeft dit betoog niet betwist, zodat de rechtbank van de juistheid daarvan uitgaat. In deze omstandigheden kan niet worden aangenomen dat de ontvangst van het bedrag [persoon A] op het spoor had moeten zetten van mogelijk onjuiste besteding van gelden door [bedrijf A] .

4.16.

De slotsom luidt dat van bestuurdersaansprakelijkheid van [persoon A] geen sprake is. Daarop stuit de vordering af. De overige geschilpunten (omvang van de schade, causaal verband, eigen schuld, rechtsverwerking) kunnen in het midden blijven.

4.17.

Het verstekvonnis zal op grond van het vorenstaande worden vernietigd. De vorderingen van Valuas zullen alsnog worden afgewezen.

4.18.

Valuas zal als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten van de verstek- en verzetprocedure worden verwezen. De kosten van het betekenen van de verzetdagvaarding zullen echter op grond van het bepaalde in artikel 141 Rv voor rekening van [persoon A] komen, omdat deze kosten een gevolg zijn van het feit dat [persoon A] in eerste instantie niet is verschenen. De kosten van betekening van het verstekvonnis zijn in deze procedure niet gebleken en blijven daarom buiten beschouwing. De door Valuas te vergoeden kosten aan de zijde van [persoon A] worden begroot op:

- griffierecht € 1.639,00

- salaris advocaat 7.998,00 (2 punten × tarief € 3.999,00)

Totaal € 9.637,00

4.19.

De gevorderde veroordeling in de nakosten is in het kader van deze procedure slechts toewijsbaar voor zover deze kosten op dit moment reeds kunnen worden begroot. De nakosten zullen dan ook worden toegewezen op de wijze zoals in de beslissing vermeld.

5. De beslissing

De rechtbank

5.1.

vernietigt het door deze rechtbank op 24 juni 2020 onder zaaknummer / rolnummer 592909 / HA ZA 20-271 gewezen verstekvonnis,

en opnieuw beslissend

5.2.

wijst de vorderingen af,

5.3.

veroordeelt Valuas in de proceskosten, aan de zijde van [persoon A] begroot op € 9.637,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over dit bedrag met ingang van de vijftiende dag na betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling,

5.4.

veroordeelt Valuas in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 163,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat Valuas niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 85,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak, en te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over de nakosten met ingang van veertien dagen na de betekening van dit vonnis tot aan de voldoening,

5.5.

verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. Th. Veling en in het openbaar uitgesproken op 14 april 2021.[1980/3085]


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature