< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak




U dient ingelogd te zijn om favorieten te kunnen toevoegen aan Mijn Jure
U kunt zich hier gratis registreren
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Zittingsplaats:
Instantie:
Vindplaats:

Inhoudsindicatie:

Concurrentie-, nevenwerkzaamheden- en geheimhoudingsbeding

Uitspraak



RECHTBANK ROTTERDAM

zaaknummer: 8327337 \ CV EXPL 20-5382

uitspraak: 12 maart 2021

vonnis van de kantonrechter, zitting houdende te Rotterdam,

in de zaak van

[bedrijf A]

,

gevestigd te [vestigingsplaats A] ,

eiseres in conventie,

verweerster in reconventie,

gemachtigde: mr. U. Karatas te Rotterdam,

tegen

[persoon B] ,

wonende te [woonplaats B] ,

gedaagde in conventie,

eiser in reconventie,

gemachtigde: mr. S. Ramautar te 's-Gravenhage.

Partijen worden hierna verder aangeduid als “ [bedrijf A] ” en “ [persoon B] ”.

1. Het (verdere) verloop van de procedure

1.1.

Het (verdere) verloop van de procedure volgt uit de volgende processtukken:

het tussenvonnis van 28 augustus 2020;

de akte uitlaten bewijslevering van [bedrijf A] , met één productie;

het proces-verbaal van het op 3 december 2020 gehouden getuigenverhoor;

de conclusie na enquête van [bedrijf A] , met één productie;

de conclusie na enquête van [persoon B] .

1.2.

De kantonrechter heeft de uitspraak van dit vonnis nader bepaald op heden.

2. De verdere beoordeling van de vorderingen

2.1.

Gelet op de feitelijke samenhang tussen het in conventie en in reconventie gevorderde zullen de vorderingen over en weer hierna, gezamenlijk beoordeeld worden.

2.2.

De kantonrechter verwijst naar en blijft bij hetgeen zij heeft overwogen in het tussenvonnis van 28 augustus 2020. In dit vonnis is [bedrijf A] toegelaten tot het bewijs (van feiten en omstandigheden waaruit blijkt) dat [persoon B] de arbeidsovereenkomst van

1 december 2018 heeft ondertekend.

2.3.

Ter voldoening aan de bewijsopdracht heeft [bedrijf A] in enquête als getuigen doen horen [naam manager 1] (manager), [naam boekhouder] (boekhouder), [naam manager 2] (manager) en [persoon B] . [persoon B] heeft afgezien van contra-enquête. Thans dient beoordeeld te worden of [bedrijf A] in het haar opgedragen bewijs is geslaagd.

2.4.

Ten aanzien van de ondertekening van de arbeidsovereenkomst heeft [naam manager 1] voor zover van belang het volgende verklaard:

“(…) Het contract van [persoon B] heb ik met hem besproken. Ik had zelf het contract al getekend. [persoon B] gaf aan dat hij het contract nog met [persoon C] wilde bespreken, omdat het een contract voor onbepaalde tijd moest zijn. Ik heb niet gecontroleerd wat hierover in het contract stond bepaald. Ik heb ook nadien het contract niet meer teruggezien. Ik ging er vanuit dat [persoon B] dit met [persoon C] heeft afgehandeld. (…)

Voor zover ik weet, heb ik nadien niet nog een keer met [persoon B] rond de tafel gezeten om een ander contract te tekenen. (…)”

[naam boekhouder] heeft op dit punt als volgt verklaard:

“(…) Ik stel de arbeidsovereenkomsten op en stuur die digitaal naar de manager. Die laat het door de werknemers ondertekenen en zet daar zelf ook zijn of haar handtekening onder. Vervolgens slaat de manager het ondertekende contract op. Ik zie de ondertekende contracten eigenlijk nooit terug. (…)

In februari 2019 heeft [persoon B] mij een e-mail gestuurd, waarin hij om een ondertekende

versie van het contract en een werkgeversverklaring vroeg. Ik ging er daarom vanuit dat hij

het contract had ondertekend. (…)

[persoon B] had toen hij in het filiaal Zuidplein werkte een contract voor bepaalde tijd. Dat moest worden overgezet naar het filiaal Alexandrium toen hij daar ging werken. Op verzoek van de werkgever heb ik toen een contract voor onbepaalde tijd voor [persoon B] opgesteld. Er is niet voor [persoon B] bij de vestiging Alexandrium eerst een contract voor bepaalde tijd opgesteld. Voor zover ik mij herinner, is er maar één contract aan [persoon B] aangeboden voor het filiaal Alexandrium. (…)”

Door [naam manager 2] is in dit verband als volgt verklaard:

“(…) Ik weet dat [persoon B] bij het filiaal Alexandrium een contract heeft getekend. Dat weet ik vanuit mijn gesprekken met [persoon B] en los daarvan ga ik er vanuit dat hij daar een contract heeft ondertekend. (…)

Ik heb tegen hem gezegd dat er in ons contract ook regels staan waar je je aan moet houden als je voor jezelf wilt beginnen, zoals een concurrentiebeding. [persoon B] zei toen lachend “laat ze maar komen”. Hij zei dat hij er vanaf wist. (…)

Ik heb hem nooit specifiek horen zeggen dat hij het contract heeft getekend, maar ik herinner mij wel dat hij mij vertelde dat hij een contract voor onbepaalde tijd heeft gekregen. [persoon B] was er blij mee, want het was een stap vooruit. (…)”

Door [persoon B] is ten slotte – voor zover van belang – het volgende verklaard:

“(…) U vraagt mij of ik toen ik in het Alexandrium ging werken met mevrouw [naam manager 1] rond de tafel ben gaan zitten om een nieuw arbeidscontract te bespreken. Ik heb niet met [naam manager 1] rond de tafel gezeten. (…)

Ik heb niet om een contract voor onbepaalde tijd gevraagd en daar is ook niet over gesproken. (…)

U houdt mij voor dat ik op 10 januari 2019 een WhatsApp-bericht aan [persoon C] heb gezonden

kort na mijn start bij het filiaal Alexandrium, waarin ik hem als reminder erop attendeer dat

ik een contract voor onbepaalde tijd zou moeten krijgen. U vraagt mij wat mijn reactie

daarop is. Ik kan het mij niet herinneren en ik denk ook niet dat ik een dergelijk WhatsAppbericht heb gestuurd. Als mij dit bericht concreet wordt voorgehouden, kan ik daarop reageren. U laat mij het WhatsApp-bericht zien en de tolk vertaalt de eerste regel van het bericht als volgt: “Voor mij een vast contract”. Ik kan mij niet herinneren dat ik daarom vroeg, maar er staat dat ik dat wel heb gedaan. Ik heb nooit een contract voor het filiaal Alexandrium gekregen. (…)

Ik heb om een werkgeversverklaring gevraagd om een financiering aan te vragen, maar ik weet niet of er bepaalde of onbepaalde tijd op die werkgeversverklaring staat. (…)

Volgens mij stond op de werkgeversverklaring de vestiging Alexandrium vermeld. Op de werkgeversverklaring stond ook vermeld dat ik een dienstverband voor onbepaalde tijd had. (…)

U houdt mij voor dat in de processtukken staat dat ik de arbeidsovereenkomst voor het

filiaal Alexandrium per e-mail heb ontvangen en dat ik die bewust niet zou hebben getekend

vanwege beperkende bedingen die daarin stonden. U vraagt mij waarom in het processtuk

iets anders staat dan wat ik nu verklaar. Ik weet niet waar dit in de processtukken staat en ik

kan mij ook niet herinneren dat ik dit zo tegen mijn advocaat heb gezegd. (…)”

2.5.

De kantonrechter constateert dat de verklaringen van [naam manager 1] , [naam boekhouder] en [naam manager 2] naadloos op elkaar aansluiten. Uit die verklaringen volgt immers dat [naam boekhouder] op verzoek van [bedrijf A] een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd voor het filiaal Alexandrium heeft opgesteld, ten aanzien waarvan [naam manager 1] heeft verklaard deze overeenkomst met [persoon B] te hebben besproken. [naam manager 1] heeft voorts verklaard dat [persoon B] vervolgens te kennen heeft gegeven nog met [persoon C] over de overeenkomst te willen praten, waarna [naam manager 1] er van uit is gegaan dat [persoon B] alles met [persoon C] heeft afgehandeld. Dat [persoon B] zich vervolgens ook tot [persoon C] heeft gewend, vindt steun in het WhatsApp-bericht van [persoon B] aan [persoon C] van 10 januari 2019, waarin [persoon B] vraagt om een ‘vast contract’. [naam manager 2] heeft ten slotte verklaard dat [persoon B] hem uiteindelijk verheugd te kennen heeft gegeven dat hij een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd heeft gekregen.

2.6.

Dat er door [bedrijf A] een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd met [persoon B] is gesloten is tevens af te leiden uit het feit dat [persoon B] zelf heeft verklaard dat hij een werkgeversverklaring van [bedrijf A] heeft ontvangen waarin vermeld stond dat [persoon B] voor het filiaal Alexandrium een dienstverband voor onbepaalde tijd had.

2.7.

In strijd met de verklaringen van de overige drie getuigen heeft [persoon B] als enige verklaard dat hij niet om een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd heeft gevraagd en dat hier ook niet over is gesproken. Met [bedrijf A] constateert de kantonrechter dat hetgeen [persoon B] op dat punt heeft verklaard strijdig is met de in eerdere processtukken ingenomen stellingen. In zijn conclusie van antwoord in conventie en conclusie van dupliek in conventie heeft [persoon B] immers erkend de arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd wel te hebben ontvangen en heeft hij gesteld deze overeenkomst - met het concurrentiebeding - bewust niet te hebben ondertekend. Daarnaast is de verklaring van [persoon B] strijdig met het feit dat hij op 10 januari 2019 via WhatsApp aan [persoon C] om een vast contract heeft gevraagd.

2.8.

Ten slotte strookt de verklaring van [persoon B] ook niet met de inhoud van het door hem op 30 september 2019 gevoerde WhatsApp-gesprek met [persoon C] . Blijkens de opgemaakte vertaling van dit gesprek heeft [persoon B] aan [persoon C] verzocht: ‘stuur mij het contract dat ik heb ondertekend, dan kan ik kijken waar ik dan wel kan gaan werken’. Gelet op het feit dat de vertaling is opgemaakt door een beëdigde gerechtstolk in de Turkse taal heeft de kantonrechter geen reden te twijfelen aan de juistheid van deze vertaling en/of de interpretatie van de tekst door de tolk. De enkele stelling van [persoon B] dat - naar zijn mening - de tekst op een andere wijze geïnterpreteerd had moeten worden is onvoldoende de vertaling door de beëdigde tolk in twijfel te trekken, zodat het verweer van [persoon B] op dat punt zal worden verworpen. De afgelegde verklaring van [persoon B] , inhoudende dat hij nimmer een arbeidsovereenkomst voor het filiaal Alexandrium heeft ontvangen en getekend is tegenstrijdig met het feit dat [persoon B] in het WhatsApp-gesprek expliciet spreekt over ‘het contract dat ik heb ondertekend’.

De hiervoor genoemde tegenstrijdigheden en inconsistenties in de verklaring van [persoon B] leiden ertoe dat aan zijn verklaring minder gewicht wordt toegekend en maken bovendien de stellige betwisting van de ondertekening van de arbeidsovereenkomst bepaald niet geloofwaardiger, te meer daar in de tussen partijen gevoerde gesprekken en correspondentie nimmer eerder door [persoon B] is gesteld dat hij de arbeidsovereenkomst niet zou hebben ondertekend.

2.9.

Naar aanleiding van de elkaar ondersteunende verklaringen van [naam manager 1] , [naam boekhouder] en [naam manager 2] in combinatie met de genoemde WhatsApp-gesprekken - waarin [persoon B] op 10 januari 2019 aan [persoon C] heeft verzocht om een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd en vervolgens op 30 september 2019 verzoekt de door [persoon B] ondertekende arbeidsovereenkomst toe te sturen - en de in dit verband door [persoon B] afgelegde tegenstrijdige verklaringen, is naar het oordeel in voldoende mate komen vast te staan dat partijen een arbeidsovereenkomst (voor onbepaalde tijd) hebben gesloten en dat deze door [persoon B] is ondertekend. Dat betekent dat [bedrijf A] in haar bewijsopdracht is geslaagd.

2.10.

Vervolgens dient beoordeeld te worden of er sprake is van een schending van de in de arbeidsovereenkomst opgenomen bedingen, te weten het nevenwerkzaamhedenbeding (i), het geheimhoudingsbeding (ii) en het concurrentiebeding (iii). Hieronder zal nader op de afzonderlijke bedingen worden ingegaan.

(i) Nevenwerkzaamhedenbeding

2.11.

De kantonrechter stelt voorop dat bij de beoordeling van de vraag of artikel 15.1 van de arbeidsovereenkomst is overtreden allereerst dient te worden vastgesteld wat de strekking ervan is geweest. Daarbij mag er in ieder geval van worden uitgegaan dat [persoon B] gehouden was overleg te plegen over eventuele nevenwerkzaamheden van welke aard dan ook, omdat deze het gevaar in zich kunnen dragen te veel tijd in beslag te nemen dan wel dat zij anderszins schadelijk zouden kunnen zijn voor de bedrijfsvoering van [bedrijf A] . Het beding heeft vanuit het oogpunt van [bedrijf A] dan ook voornamelijk het doel te voorkomen dat [bedrijf A] schade lijdt.

2.12.

Ter onderbouwing van haar stelling dat [persoon B] het nevenwerkzaamhedenbeding heeft overtreden, beroept [bedrijf A] zich – onder meer – op het gesprek, dat op 8 september 2019 tussen [persoon C] en [persoon B] heeft plaatsgevonden en waarvan [bedrijf A] een audio-opname met bijbehorende transcriptie in het geding heeft gebracht. [persoon B] stelt dat [bedrijf A] dit gesprek heimelijk en onrechtmatig heeft opgenomen en dat [persoon B] tijdens dit gesprek emotioneel en angstig was. [persoon B] stelt dat het gesprek dan ook niet als bewijs kan dienen voor de stelling van [bedrijf A] . Daarover wordt als volgt overwogen.

2.13.

Art. 152 Rv bepaalt dat bewijs door alle middelen kan worden geleverd en dat de waardering van het bewijs aan het oordeel van de rechter is overgelaten, tenzij de wet anders bepaalt. In een civiele procedure geldt niet als algemene regel dat de rechter op onrechtmatig verkregen bewijs geen acht mag slaan. In beginsel wegen het algemene maatschappelijke belang dat de waarheid in rechte aan het licht komt, alsmede het belang dat partijen erbij hebben hun stellingen in rechte aannemelijk te kunnen maken, welke belangen mede aan art. 152 Rv ten grondslag liggen, zwaarder dan het belang van uitsluiting van bewijs. Slechts indien sprake is van relevante bijkomende omstandigheden, kan terzijdelegging van dat bewijs gerechtvaardigd zijn. Van dergelijke bijkomende omstandigheden is echter niet gebleken. Dat [persoon B] uit angst of in emotionele toestand (onjuiste) uitlatingen heeft gedaan, volgt geenszins uit het gesprek. Vast staat dat [persoon C] en [persoon B] ruim twee uur met elkaar gesproken hebben, waarbij zowel uit het audiobestand als uit de naar aanleiding daarvan door een beëdigde vertaler opgemaakte transcriptie niet blijkt van een dreigende houding van [persoon C] jegens [persoon B] . Dat [persoon C] tijdens het gesprek een aantal malen zijn onvrede laat blijken met de gang van zaken maakt nog niet dat er sprake is van een dreigende houding. Sterker nog, [persoon B] maakt in het gesprek een allesbehalve angstige indruk. Uit het feit dat [persoon B] tijdens het gesprek [persoon C] om een sigaret vraagt, zelf drank uit de koelkast van [bedrijf A] haalt en meermaals vriendelijkheden uitwisselt met [persoon C] - waarbij [persoon C] [persoon B] zelf nog feliciteert met de geboorte van zijn kind - blijkt veeleer van een situatie waarin sprake is van een gesprek tussen twee gelijkwaardige gesprekspartners. [persoon B] heeft bovendien, behoudens zijn mededeling aan [persoon C] dat hij € 30.000,- zou hebben geïnvesteerd, niet gesteld welke van zijn tijdens het gesprek gedane uitlatingen niet juist zouden zijn geweest dan wel zouden zijn voortgekomen uit een emotionele (angstige) toestand. [persoon B] heeft derhalve onvoldoende gesteld om aan te kunnen nemen dat hij in emotionele toestand bepaalde (onjuiste) uitlatingen zou hebben gedaan. Dat betekent dat ook voorbij zal worden gegaan aan het verzoek van [persoon B] ten aanzien van dit punt getuigen te laten horen. Dit leidt ertoe dat het gesprek op 8 september 2019 door [bedrijf A] kan worden aangewend voor het bewijs van haar stellingen.

2.14.

Niet in geschil is dat [persoon B] op 7 augustus 2019 in het filiaal Alexandrium heeft gesproken met [persoon D] , destijds bestuurder van Angelo’s Pizza. [persoon B] heeft gesteld dat dit gesprek plaatsvond in het kader van een sollicitatie bij [persoon D] . Voor deze stelling is echter geen steun te vinden in de stukken. Tijdens het gesprek op 9 september 2019 heeft [persoon C] [persoon B] geconfronteerd met het feit dat [persoon B] samen met [persoon D] het filiaal Alexandrium heeft bezocht en dat door werknemers van [bedrijf A] is waargenomen dat [persoon B] en [persoon D] de machines en installaties hebben bekeken en metingen hebben verricht. [persoon B] heeft dit niet betwist, doch bevestigt in het gesprek juist meermaals dat [persoon B] gelijk heeft. Ook in onderhavige procedure heeft [persoon B] niet betwist dat hij met [persoon D] het filiaal Alexandrium is doorgelopen, de machines heeft bekeken en metingen heeft verricht. Voorts is onweersproken gesteld en met producties onderbouwd dat [persoon B] op Instagram de komst van een nieuw restaurant in Turkish streetfood, genaamd [naam restaurant] , heeft aangekondigd en dat dat [persoon B] op Facebook een bericht heeft geplaatst waarin hij aangeeft: “Wij zijn op zoek naar enthousiaste medewerkers. Kom jij ons team versterken?”. Daarbij komt nog dat [persoon B] in het gesprek met [persoon C] ook heeft erkend dat de naam ‘ [naam restaurant] ’ (‘buurman’) van hem afkomstig is.

2.15.

De hiervoor genoemde feiten en omstandigheden wijzen niet op een sollicitatie van [persoon B] bij [persoon D] , maar wijzen veeleer op de situatie waarin [persoon B] een (groot) aandeel heeft gehad in de totstandkoming van het nieuwe restaurant. Indien er slechts sprake zou zijn geweest van een sollicitatie valt niet te verklaren waarom [persoon B] samen met [persoon D] de machines van [bedrijf A] bestudeert en metingen verrichten en ook niet waarom [persoon B] de komst van het nieuwe restaurant aankondigt en actief personeel werft. De stelling van [persoon B] dat er slechts sprake is geweest van een aantal oriënterende gesprekken met [persoon D] wordt verworpen. Gelet op het feit dat, kort na de ontslagname door [persoon B] bij [bedrijf A] , het restaurant [naam restaurant] is geopend, is naar het oordeel van de kantonrechter in voldoende mate komen vast te staan dat het door [persoon B] met [persoon D] gevoerde gesprek op 7 augustus 2019, het bestuderen van machines en apparatuur van [bedrijf A] en het daarbij verrichten van metingen als voorbereidende handelingen zijn te beschouwen voor het opstarten van een sterk met [bedrijf A] overeenkomend restaurant in de nabijheid van filiaal Zuidplein, hetgeen een schending van het nevenwerkzaamhedenbeding door [persoon B] oplevert.

2.16.

Dat [naam restaurant] gedurende het dienstverband van [persoon B] bij [bedrijf A] nog niet daadwerkelijk reeds geopend was, doet aan het bovenstaande niet af. Het gaat bij het nevenwerkzaamhedenbeding ook om directe of indirecte betrokkenheid of financiële interesse bij werkzaamheden of zaken gelijk aan of vergelijkbaar met die van [bedrijf A] . Nu [naam restaurant] reeds in de eerste week van september 2019 de deuren heeft geopend, staat wel vast dat de voorbereidingen voor het openen van het restaurant ten tijde van het gesprek tussen [persoon B] en [persoon D] op 7 augustus 2019 al in een vergevorderd stadium moeten zijn geweest. Het gaat er bij het verbod niet om of het restaurant reeds geopend was. Reeds het bezighouden met, of betrokken zijn bij de voorbereiding daarvan, was verboden.

2.17.

Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat [persoon B] het nevenwerkzaamhedenbeding heeft geschonden. De daarop gerichte gevorderde verklaring voor recht zal dan ook worden toegewezen. Hoewel uit het gesprek tussen [persoon C] en [persoon B] valt af te leiden dat [persoon B] en [persoon D] al ‘2 of 3 maanden’ met elkaar in gesprek waren, is onvoldoende concreet gemaakt wanneer die andere gesprekken hebben plaatsgevonden en in hoeverre daarmee het beding reeds vóór 7 augustus 2019 is geschonden. Dat betekent dat de gevorderde boete zal worden toegewezen over de periode van 7 augustus 2019 tot en met het einde van het dienstverband van [persoon B] bij [bedrijf A] , te weten 26 augustus 2019. [bedrijf A] maakt, conform artikel 15.2 van de arbeidsovereenkomst, aanspraak op een boete van € 2.250 per overtreding en € 225 voor elke dag dat de overtreding voortduurt. Dat leidt ertoe dat [persoon B] tot betaling van een bedrag van € 6.525,- (€ 2.250,- + (19 x € 225,-)) zal worden veroordeeld.

(ii) Geheimhoudingsbeding

2.18.

Voor de beantwoording van de vraag of het geheimhoudingsbeding van artikel 13.1 van de arbeidsovereenkomst is geschonden, is het nodig om vast te stellen wat partijen met het beding hebben beoogd. Daarbij kan niet worden volstaan met alleen een taalkundige uitleg. Het komt aan op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden daaraan redelijkerwijs mochten toekennen en wat zij van elkaar mochten verwachten. Hoewel de tekst van het geheimhoudingsbeding aanknopingspunten biedt voor het standpunt dat al hetgeen de werknemer in de uitoefening van zijn werkzaamheden ter kennis komt onder het toepassingsbereik valt, is de kantonrechter van oordeel dat zonder nadere toelichting, die ontbreekt, niet valt in te zien dat [bedrijf A] zich verdergaand heeft willen beschermen dan tegen het prijsgeven van vertrouwelijke informatie. In dat kader heeft [bedrijf A] onweersproken gesteld dat zij, ter onderscheiding van andere Turkse lunchrooms/

fastfoodrestaurants, een speciaal concept heeft ontwikkeld, waarbij zij zich gespecialiseerd heeft in het bereiden en serveren van kumpir en gözleme met een ruim assortiment aan toppings.

2.19.

Als onvoldoende weersproken is komen vast te staan dat [persoon B] op 7 augustus 2019 [persoon D] het filiaal van [bedrijf A] te Alexandrium heeft getoond, met hem de machines en apparatuur heeft bestudeerd en daarbij metingen heeft verricht. In tegenstelling tot hetgeen [persoon B] stelt is hierbij geen sprake van het louter verstrekken van informatie die ook voor willekeurige passanten zichtbaar is. [persoon B] heeft [persoon D] letterlijk een kijkje in de keuken gegeven en heeft daarmee informatie gedeeld over de specifieke werkwijze van [bedrijf A] . Dat [persoon B] vertrouwelijke informatie over de werkwijze van [bedrijf A] met [persoon D] heeft gedeeld, is door [persoon B] tijdens zijn gesprek met [persoon C] op 8 september 2019 meermaals erkend:

[persoon C] : (…) Je hebt gewoon een filiaal geopend. Een [bedrijf A] filiaal. Het is gekopieerd en geplakt. Net als dat ik na Zuidplein in Alexandrium heb gedaan. Dat franchise document heb ik met [persoon E] en [persoon F] opgesteld. Dat had ik ook met jou kunnen doen. Jij hebt mijn winkelgeheim naar buiten gebracht. Ja toch ?

[persoon B] : klopt.

(…)

[persoon C] : Maar op dit moment geheimhoudingsbeding, het kopiëren van mijn concept, dat is een inbreuk op mijn recht, mijn winkel en de rechten van mijn werknemers, partners en familie. Wie is [persoon G] ?

[persoon B] : [persoon B] , kijk, laat ik het je zo zeggen…je hebt gelijk met alles. Ik heb je niets te zeggen. Je hebt echt gelijk. Dat zeg ik niet zomaar, je hebt gelijk.

2.20.

Naar het oordeel van de kantonrechter is hiermee voldoende vast komen te staan dat [persoon B] vertrouwelijke informatie met [persoon D] heeft gedeeld over de specifieke werkwijze van [bedrijf A] . Daarmee is er sprake van een schending van het geheimhoudingsbeding door [persoon B] . De hierop gerichte gevorderde verklaring voor recht zal worden toegewezen.

2.21.

De kantonrechter volgt [bedrijf A] niet in haar stelling dat er sprake is van afzonderlijke schendingen van het geheimhoudingsbeding ten aanzien van het kumpir-concept en het gözleme-concept. [bedrijf A] heeft geen feiten of omstandigheden aangevoerd waaruit volgt dat deze specifieke informatie op een ander moment en/of onder andere omstandigheden dan tijdens het bezoek van [persoon D] aan het filiaal Alexandrium op 7 augustus 2019 met [persoon D] is gedeeld, zodat van afzonderlijke schendingen op dit punt niet gebleken is. Voorts is onvoldoende gesteld om aan te kunnen dat [persoon B] de vertrouwelijke informatie eveneens met de nieuwe bestuurder van Angelo’s Pizza, de heer [persoon H] , heeft gedeeld. De enkele stelling van [bedrijf A] dat [persoon B] , gezien de toenmalige samenwerking, ook met [persoon H] wel informatie zal hebben gedeeld, is onvoldoende concreet om daaruit een daadwerkelijke schending van het geheimhoudingsbeding te kunnen afleiden.

2.22.

Het bovenstaande leidt tot de conclusie dat er van slechts één concrete schending van het geheimhoudingsbeding is gebleken, zodat [bedrijf A] ook slechts éénmaal aanspraak kan maken op het in artikel 13.3 van de arbeidsovereenkomst opgenomen boetebedrag van

€ 2.250,-. [persoon B] zal tot betaling van dit bedrag worden veroordeeld.

2.23.

[bedrijf A] heeft voorts gevorderd [persoon B] te gebieden tot nakoming van dan wel zich te houden aan het geheimhoudingsbeding op straffe van een dwangsom van € 2.000,- voor iedere dag dat de overtreding voortduurt. Hiervoor heeft te gelden dat [persoon B] reeds op grond van artikel 13 van de arbeidsovereenkomst gehouden is het geheimhoudingsbeding na te komen en zich aan het beding te houden. [bedrijf A] heeft niet nader toegelicht of onderbouwd waarom zij daarnaast ook nog een gelijkluidend gebod vordert. Ook de noodzaak van de door [bedrijf A] daaraan gekoppelde dwangsom is niet nader uiteengezet, hetgeen wel van [bedrijf A] verwacht had mogen worden, nu artikel 13 van de arbeidsovereenkomst reeds voorziet in het opleggen van een boete wegens de overtreding van het beding. Dit deel van de vordering van [bedrijf A] zal dan ook, wegens onvoldoende belang, worden afgewezen.

(iii) Concurrentiebeding

2.24.

[persoon B] heeft in reconventie vernietiging van het concurrentiebeding in artikel 17 van de arbeidsovereenkomst gevorderd omdat dat beding niet aan de daaraan te stellen eisen voldoet, nu er geen enkele beperking in het artikel is opgenomen.

2.25.

Vooropgesteld wordt dat de rechter een beding tussen de werkgever en de werknemer waarbij de werknemer wordt beperkt in zijn bevoegdheid om na het einde van de overeenkomst op zekere wijze werkzaam te zijn, geheel of gedeeltelijk kan vernietigen op grond dat, in verhouding tot het te beschermen belang van de werkgever, de werknemer door dat beding onbillijk wordt benadeeld. Op grond van die bepaling dient een afweging te worden gemaakt tussen het recht van [persoon B] op vrije arbeidskeuze enerzijds en het belang van [bedrijf A] bij handhaving van het overeengekomen concurrentiebeding anderzijds. Daarbij heeft als uitgangspunt te gelden dat het belang van de werkgever hierin gelegen dient te zijn dat de werknemer door zijn arbeidskeuze na beëindiging van het dienstverband niet een situatie bewerkstelligt waarbij sprake is van oneerlijke concurrentie. Die situatie zal zich met name voordoen indien de werknemer door de kennis van de werkwijze, de klanten en de overige bedrijfsgeheimen van de werkgever zichzelf (of zijn nieuwe werkgever) een positie verschaft waarbij sprake is van ongerechtvaardigd voordeel in het concurrerend handelen.

2.26.

Volgens vaste rechtspraak ligt daarbij niet zozeer de nadruk op de door de werknemer tijdens het dienstverband door eigen toedoen verworven kennis en vaardigheden, maar veeleer op de inbreng van de werkgever om de werknemer in staat te stellen de overeengekomen werkzaamheden zo optimaal mogelijk te laten verrichten. Het rechtens te respecteren belang van een werkgever - in casu [bedrijf A] - is daarom niet het tegengaan van concurrentie in het algemeen, maar het voorkomen dat een ex-werknemer met gebruikmaking van de kennis van de onderneming, die hij zonder de werkzaamheden voor die onderneming niet zou hebben, zijn (ex-)werkgever rechtstreeks concurrentie zou kunnen aandoen en daarmee zichzelf of een derde (de nieuwe werkgever) een ongerechtvaardigde voorsprong in concurrerend handelen zou kunnen bezorgen.

2.27.

Ten aanzien van de werkzaamheden waar het concurrentiebeding op ziet, is in het beding slechts opgenomen dat het gaat om ‘de in dit artikel verboden activiteiten ’ zonder dat daarbij is vermeld welke activiteiten of werkzaamheden verboden zijn. In dit verband heeft te gelden dat niet kan worden volstaan met een zuiver taalkundige uitleg van het beding -met daarin een zeer ruime formulering -, doch dat het beding uitgelegd moet worden aan de hand van de Haviltex-maatstaf, waarbij het aankomt op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan deze bepaling mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten (ECLI:NL:HR:1981:AG4158). In dat verband is de kantonrechter - in lijn met het hiervoor bij r.o. 2.26 overwogene - van oordeel dat het voor beide partijen duidelijk moet zijn geweest dat het beding slechts ziet op werkzaamheden, die concurrerend zijn aan de door [bedrijf A] uitgevoerde werkzaamheden. Het is onaannemelijk dat met het opnemen van dit beding in de arbeidsovereenkomst beoogd is [persoon B] te weerhouden überhaupt ergens anders werkzaam te zijn buiten de branche waarin [bedrijf A] haar activiteiten ontplooit. [bedrijf A] heeft immers geen enkel belang bij het inperken van het recht op vrije arbeidskeuze van [persoon B] voor zover dat ziet op andersoortige werkzaamheden dan die in het kader van de exploitatie van een Turks restaurant.

2.28.

Tegenover het belang van [bedrijf A] staat het belang van [persoon B] , dat bestaat uit het recht op vrije arbeidskeuze. Daarmee verdraagt zich niet dat het in de arbeidsovereenkomst opgenomen concurrentiebeding geen temporele of geografische beperking kent, nu het [persoon B] daarmee feitelijk onmogelijk wordt gemaakt voor een onbepaalde periode waar dan ook werkzaam te zijn in de horeca-branche. Naar het oordeel van de kantonrechter wordt [persoon B] door het ontbreken van temporele en geografische beperkingen in het beding onredelijk benadeeld in verhouding tot het te beschermen belang van [bedrijf A] .

2.29.

De kantonrechter ziet hierin aanleiding het concurrentiebeding gedeeltelijk te vernietigen, hetgeen er op neer komt dat het beding zal worden gematigd, in die zin dat de reikwijdte van het concurrentiebeding zal worden beperkt. Dat betekent dat de temporele reikwijdte zal worden beperkt tot de (gebruikelijke) duur van één jaar. Voorts zal de geografische reikwijdte worden beperkt tot de regio waarin [bedrijf A] voornamelijk actief is, te weten de regio Rotterdam.

2.30.

Vervolgens moet beoordeeld worden of [persoon B] het concurrentiebeding heeft overtreden. Als onbetwist is komen vast te staan dat [persoon B] reeds binnen enkele weken na het einde van zijn dienstverband is gestart met zijn werkzaamheden bij [naam restaurant] . Uit de overgelegde foto’s en menukaarten alsmede uit de inhoud van het op 8 september 2019 tussen [persoon C] en [persoon B] gevoerde gesprek is voldoende vast komen te staan dat [naam restaurant] zich op dezelfde markt heeft gericht als [bedrijf A] en zowel qua uitstraling als qua aanbod sterke gelijkenissen vertoont met de restaurants van [bedrijf A] . Onweersproken is gesteld dat [naam restaurant] zich op enkele tientallen meters afstand van het [bedrijf A] -filiaal te Zuidplein heeft gevestigd, waarbij er sprake is van een gunstigere ligging van [naam restaurant] op de looproute. Door reeds binnen enkele weken na beëindiging van zijn dienstverband bij [bedrijf A] met zijn werkzaamheden bij [naam restaurant] te starten, heeft [persoon B] naar het oordeel van de kantonrechter het concurrentiebeding overtreden. De daarop gerichte gevorderde verklaring voor recht zal dan ook worden toegewezen. Hoewel het concurrentiebeding in de arbeidsovereenkomst buitengewoon ruim was geformuleerd, moet het [persoon B] desondanks duidelijk zijn geweest dat hij zich had dienen te onthouden van het zeer kort na ontslagname bij [bedrijf A] verrichten van op dezelfde markt gerichte concurrerende werkzaamheden, nota bene op een steenworp afstand van een [bedrijf A] -filiaal.

2.31.

Uit het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 12 december 2019 inzake de procedure in het kader van de gefixeerde schadevergoeding (zaaknummer: 8128376 VZ VERZ 19-19378) volgt dat [persoon B] heeft verklaard ‘op 4 of 5 september 2019’ bij [naam restaurant] te zijn gaan werken, zodat er van uit zal worden gegaan dat [persoon B] in elk geval vanaf 5 september 2019 werkzaam was bij [naam restaurant] . Daarnaast is niet in geschil dat [persoon B] in de periode 16 september 2019 tot 1 december 2019 geen werkzaamheden bij [naam restaurant] heeft verricht. Hoewel de relevante feiten en omstandigheden (waaronder het bezoek van [persoon B] en [persoon D] aan het [bedrijf A] -filiaal Alexandrium op 7 augustus 2019, de door [persoon B] op Facebook geplaatste aankondiging van de opening van [naam restaurant] en het werven van nieuw personeel door [persoon B] ) er op wijzen dat [persoon B] een (groot) aandeel heeft gehad in de totstandkoming van het nieuwe restaurant, is daarmee nog niet vast komen te staan dat [persoon B] ook een financieel belang had in de onderneming in de periode dat hij daar niet (feitelijk) werkzaam was, temeer daar [persoon B] tijdens zijn gesprek met [persoon C] op 8 september 2019 ook heeft gesteld slechts in loondienst te zijn bij [naam restaurant] . Dat sluit ook aan op hetgeen hij op de mondelinge mondelinge behandeling van 12 december 2019 inzake de procedure in het kader van de gefixeerde schadevergoeding heeft verklaard, namelijk dat hij in de periode van 4 oktober 2019 tot 30 november 2019 werkzaam is geweest bij een andere onderneming, [naam onderneming] . Wel staat vast dat [persoon B] vanaf 1 december 2019 weer werkzaam was bij [naam restaurant] , en dat hij zijn werkzaamheden aldaar in elk geval tot 20 april 2020 heeft voortgezet.

2.32.

[bedrijf A] maakt, op grond van de in het concurrentiebeding opgenomen boetebepaling, aanspraak op een boete van € 2.250 per overtreding en € 225 voor elke dag dat de overtreding voortduurt. Gelet op het hiervoor overwogene wordt de boete ten eerste berekend over de periode 5 september 2019 tot en met 15 september 2019, hetgeen betekent dat [persoon B] een boete verschuldigd is van € 4.725,- (€ 2.250,- + 11 x € 225,-). Daarnaast is [persoon B] eveneens een boete verschuldigd vanaf de dag dat hij wederom bij [naam restaurant] werkzaam in dienst is getreden, te weten 1 december 2019. [bedrijf A] vordert deze boete tot en met 20 februari 2020, zodat het boetebedrag over laatstgenoemde periode € 20.700,- (€ 2.250,- +

82 x € 225,-) bedraagt. Een en ander leidt tot de conclusie dat [persoon B] zal worden veroordeeld tot betaling van een boetebedrag van in totaal € 25.425,-.

2.33.

[persoon B] heeft gevorderd de boetes te matigen. In artikel 6:94 BW is de maatstaf voor matiging opgenomen. Hierbij geldt dat het bedingen van een boete als fixatie van schadevergoeding op zich geoorloofd is en dat het enkele uiteenlopen van schade en boete onvoldoende grond is voor matiging. De rechter dient zijn bevoegdheid tot matiging terughoudend te hanteren. Alleen “indien de billijkheid dit klaarblijkelijk eist” is matiging toegestaan, hetgeen betekent dat matiging alleen aan de orde kan zijn indien integrale toewijzing van de vordering in de gegeven omstandigheden tot een buitensporig en daarom onaanvaardbaar resultaat leidt. Nog afgezien van het feit dat het evident is dat het openen van een sterk gelijkend restaurant in de directe nabijheid van het [bedrijf A] -filiaal te Zuidplein - waarbij bovendien onweersproken is gesteld dat [naam restaurant] een gunstigere ligging op de looproute heeft dan [bedrijf A] - voor [bedrijf A] vrijwel zeker schade zal opleveren, heeft [persoon B] voor het overige geen steekhoudende argumenten aangevoerd op basis waarvan moet worden aangenomen dat toepassing van de boetebedingen tot een onaanvaardbaar resultaat leidt. Voor matiging van de boete is dan ook geen plaats.

2.34.

Gelet op het feit dat de temporele reikwijdte van het concurrentiebeding wordt beperkt tot één jaar na beëindiging van het dienstverband van [persoon B] bij [bedrijf A] en deze periode van één jaar inmiddels ruimschoots is verstreken, heeft [bedrijf A] thans geen belang meer bij de gevorderde veroordeling van [persoon B] zijn werkzaamheden bij [naam restaurant] te staken en zich te onthouden van enige andere met het concurrentiebeding strijdige werkzaamheden. Dat deel van de vordering wordt om die reden afgewezen.

2.35.

Als de in conventie in overwegende mate in het ongelijk gestelde partij, zal [persoon B] in conventie in de proceskosten worden veroordeeld. De door [bedrijf A] apart gevorderde nakosten zullen worden toegewezen als hierna vermeld, nu de proceskostenveroordeling hiervoor reeds een executoriale titel geeft en de kantonrechter van oordeel is dat de nakosten zich reeds vooraf laten begroten.

2.36.

Nu beide partijen in reconventie deels in het gelijk zijn gesteld, ziet de kantonrechter aanleiding de proceskosten in reconventie te compenseren, in die zin dat elke partij de eigen kosten draagt.

3. De beslissing

De kantonrechter:

in conventie

verklaart voor recht dat [persoon B] het nevenwerkzaamhedenbeding in de arbeidsovereenkomst heeft geschonden;

veroordeelt [persoon B] om aan [bedrijf A] tegen kwijting te betalen een boetebedrag van € 6.525,- wegens het overtreden van het nevenwerkzaamhedenbeding;

verklaart voor recht dat [persoon B] het geheimhoudingsbeding in de arbeidsovereenkomst heeft geschonden;

veroordeelt [persoon B] om aan [bedrijf A] tegen kwijting te betalen een boetebedrag van € 2.250,- wegens het overtreden van het geheimhoudingsbeding;

verklaart voor recht dat [persoon B] het concurrentiebeding in de arbeidsovereenkomst heeft geschonden;

veroordeelt [persoon B] om aan [bedrijf A] tegen kwijting te betalen een boetebedrag van

€ 25.425,- wegens het overtreden van het concurrentiebeding;

veroordeelt [persoon B] in de proceskosten, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [bedrijf A] vastgesteld op:

 € 1.098,96 € 1.098,96 aan verschotten (waarvan € 996,00 aan griffierecht en € 102,96 aan dagvaardingskosten);

 € 1.098,96 € 1.244,- aan salaris voor de gemachtigde;

 voornoemde bedragen vermeerderd met de wettelijke rente in de zin van artikel 6:119 BW ingaande veertien dagen na de datum van dit vonnis tot de dag van algehele voldoening;

en indien [persoon B] niet binnen veertien dagen na de datum van dit vonnis vrijwillig aan dit vonnis heeft voldaan, begroot op € 124,00 aan nasalaris. Indien daarna betekening van het vonnis heeft plaatsgevonden, dient het bedrag aan nasalaris nog te worden verhoogd met de kosten van betekening. Ook is [persoon B] de wettelijke rente in de zin van artikel 6:119 BW over al deze bedragen verschuldigd vanaf de veertiende dag na betekening van dit vonnis tot de dag der algehele voldoening;

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad en wijst af het méér of anders gevorderde.

in reconventie

matigt het tussen partijen in artikel 17 van de arbeidsovereenkomst opgenomen concurrentiebeding in die zin dat het beding als volgt luidt:

‘Het is werknemer verboden binnen een tijdvak van één jaar na beëindiging van het dienstverband in Nederland in de regio Rotterdam:

als zelfstandig ondernemer op te treden in de uitoefening van een bedrijf gelijk, gelijksoortig of aanverwant aan dat van werkgever;

als werknemer in dienst van een bedrijf gelijk, gelijksoortig of aanverwant aan dat van werkgever werkzaam te zijn;

anderszins, direct of indirect, om niet of tegen betaling, werkzaam te zijn bij een bedrijf gelijk, gelijksoortig of aanverwant aan dat van werkgever; dan wel

op enigerlei andere wijze betrokken te zijn of belang te hebben bij een bedrijf gelijk, gelijksoortig of aanverwant aan dat van werkgever.

Bij overtreding van één of meer van de in dit artikel vervatte verboden verbeurt de werknemer aan de werkgever (zulks in afwijking van het bepaalde in artikel 7:650 lid 3 van het Burgerlijk Wetboek) een dadelijk en ineens zonder sommatie of ingebrekestelling opeisbare boete van € 2.250 (zegge: tweeduizend tweehonderdvijftig euro) per overtreding en € 225 (zegge: tweehonderd vijfentwintig euro) voor elke dag dat de overtreding voortduurt, zonder dat de werkgever gehouden zal zijn schade te bewijzen en onverminderd het recht van de werkgever om schadevergoeding te vorderen, indien en voor zover de schade het bedrag van de boeten overtreft.’

compenseert de proceskosten aldus, dat elke partij de eigen kosten draagt;

wijst af het méér of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. E.I. Mentink en uitgesproken ter openbare terechtzitting.

44487


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde advocaten

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature