< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Zittingsplaats:
Instantie:

Inhoudsindicatie:

Aanneming van werk. Ged mocht betaling van deel van de factuur opschorten ivm niet correcte nakoming, maar betalingsverplichting is niet vervallen. Conventie: toewijzing restant factuur, afwijzing WR en BIK. Reconventie: toewijzing sv ivm herstelkosten.

Uitspraak



RECHTBANK ROTTERDAM

zaaknummer: 8862084 CV EXPL 20-40362

uitspraak: 12 maart 2021

vonnis van de kantonrechter, zitting houdende te Rotterdam,

in de zaak van

[eiser 1] , handelend onder de naam [handelsnaam],

wonende te [woonplaats eiser],

eiser bij exploot van dagvaarding van 27 oktober 2020,

verweerder in reconventie,

gemachtigde: [gemachtigde] te Schiphol,

tegen

[gedaagde] ,

wonende te [woonplaats gedaagde],

gedaagde,

eiser in reconventie,

gemachtigde: mr. K. Jevtović te Den Haag.

Partijen worden hierna aangeduid als “[eiser 1]” respectievelijk “[gedaagde]”.

1. Het verloop van de procedure

1.1.

Het verloop van de procedure volgt uit de volgende processtukken:

 de dagvaarding, met producties;

 de conclusie van antwoord in conventie tevens conclusie van eis in reconventie, met producties;

 het tussenvonnis van 23 december 2020, waarbij een mondelinge behandeling is bepaald;

 de conclusie van antwoord in reconventie;

 het proces-verbaal van de op 12 februari 2021 gehouden mondelinge behandeling;

 de akte van uitlating van de zijde van [eiser 1], met productie.

1.2.

De kantonrechter heeft de uitspraak van dit vonnis bepaald op heden.

2. De vaststaande feiten

Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend, dan wel niet of onvoldoende gemotiveerd weersproken, staat tussen partijen, voor zover van belang, het volgende vast.

2.1.

[eiser 1] drijft onder de naam [handelsnaam] een klusbedrijf.

2.2.

Partijen hebben mondeling een overeenkomst tot aanneming van werk (hierna: de overeenkomst) gesloten op basis van een op 6 januari 2020 door [eiser 1] aan [gedaagde] uitgebrachte offerte voor een bedrag van € 15.040,30 inclusief BTW.

2.3.

Op 29 februari 2020 heeft [eiser 1] [gedaagde] een factuur gestuurd voor een bedrag van € 19.287,40 inclusief BTW, bestaande uit het offertebedrag van € 15.040,30 en een bedrag van € 3.510,00 exclusief BTW aan meerwerk.

2.4.

[gedaagde] heeft een bedrag van € 13.189,10 aan [eiser 1] betaald.

2.5.

Bij brieven van 9, 13 en 18 maart 2020 heeft de gemachtigde van [eiser 1] [gedaagde] aangemaand het restantbedrag van € 6.089,30 binnen de in die brieven genoemde termijnen te betalen, bij gebreke waarvan een bedrag van € 679,47 aan incassokosten in rekening zal worden gebracht.

2.6.

Op verzoek van [gedaagde] heeft [naam], werkzaam als Integraal Woning Inspecteur voor BIJN.nl te Ulvenhout, een bouwkundig rapport opgesteld waarin onder meer het volgende staat vermeld:

“(…) F. CONCLUSIE

Er zijn meer dan 26 opleverpunten over het uitgevoerde werk van het klussenbedrijf. Verwacht mag worden dat als een klussenbedrijf diensten uitvoert zonder opleverpunten. En als er dan toch opleverpunten zijn deze vakkundig oplost. Volgens opgave bewoner heeft het klussenbedrijf de mogelijkheid gekregen om onvolkomenheden te repareren/te herstellen. Aan de bevindingenlijst in dit rapport blijkt dat herstelwerk niet uitgevoerd is.

Aldus gedaan en opgemaakt te goeder trouw, naar beste kennis en wetenschap te Ulvenhout op 23-06-2020 en vervolgens (digitaal) ondertekend door: [naam]”

2.7.

Op 21 december 2020 heeft [naam bedrijf] te [plaatsnaam] een offerte uitgebracht aan [gedaagde], waarin onder meer het volgende staat vermeld:

“(…) Aanneemsom:

Subtotaal: € 8.365,00

21% Btw. over € 8.365,00 € 1.756,65 +

Totaal: € 10.121,65

(…) In de bijlage treft u een uitgebreid overzicht van de te verrichten werkzaamheden. (…)

Bijlage bij offerte

■ opknapwerk

Volgens bijlage van de opnamen die door BIJN.nl gemaakt is.

Antal uren die nodig zijn 135 uur a 59,00 euro = 7.965,00 euro

Materialen zal rond de € 400,00 zijn dat is dan verf en dergelijke

Totaal: € 8.365,00 (…)”

3. Het geschil in conventie

De vordering in conventie

3.1.

[eiser 1] heeft gevorderd bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, [gedaagde] te veroordelen aan hem te betalen:

a. een bedrag ad € 6.089,30 in hoofdsom, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 29 maart 2020 tot de dag der algehele voldoening, althans de wettelijke (handels-)rente vanaf de dag der dagvaarding tot de dag der algehele voldoening;

b. ter zake buitengerechtelijke incassokosten ex artikel 6:96 BW aan [eiser 1] te voldoen een bedrag ad € 679,47, althans subsidiair een door de kantonrechter in goede justitie te bepalen bedrag;

c. de kosten van deze procedure inclusief het salaris voor de gemachtigde;

d. de nakosten ter hoogte van de helft van het toepasselijk liquidatietarief, maar niet meer dan de helft van het geliquideerde toegewezen salaris, dan wel een bedrag als de kantonrechter in goede justitie zal vermenen te behoren, indien en voor zover [gedaagde] niet binnen de wettelijke vereiste termijn van 2 dagen, althans binnen een door de kantonrechter redelijk geachte termijn na betekening aan het te dezen wijzen vonnis heeft voldaan.

3.2.

Aan die vordering heeft [eiser 1] - zakelijk weergegeven en voor zover thans van belang - het volgende ten grondslag gelegd. [gedaagde] heeft maar een deel van de factuur voldaan. Het restant bedraagt € 6.089,30 (te weten € 19.287,40 minus € 13.189,10). [eiser 1] heeft zich genoodzaakt gezien de vordering uit handen te geven aan zijn gemachtigde. Ondanks meerdere aanmaningen heeft er nog altijd geen betaling door [gedaagde] plaatsgevonden. [gedaagde] schiet daarmee toerekenbaar tekort in zijn betalingsverplichting. [eiser 1] vordert daarom tevens vergoeding van de buitengerechtelijke incassokosten ad € 679,47 alsmede de wettelijke rente in de zin van artikel 6:119 BW, van af 29 maart 2020.

Het verweer in conventie

3.3.

[gedaagde] heeft tegen de vordering - zakelijk weergegeven en voor zover thans van

belang - het volgende aangevoerd. De afspraak was dat [eiser 1] zou beginnen op 6 januari 2020 en op 14 februari 2020 klaar zou zijn met de werkzaamheden. [gedaagde] had bij aanvang van de opdracht aangegeven dat het werk uiterlijk op 14 februari 2020 klaar moest zijn, omdat [gedaagde] niet meer in zijn oude woning kon verblijven vanwege het einde van het huurcontract. [gedaagde] wenst het overgebleven bedrag niet te betalen omdat [eiser 1] zijn werk niet naar behoren heeft uitgevoerd en zich niet aan de afspraken heeft gehouden. [eiser 1] heeft ook werkzaamheden verricht waar [gedaagde] niet om heeft gevraagd. Het op verzoek van [gedaagde] opgestelde bouwkundig rapport van BIJN.nl laat zien dat [eiser 1] de werkzaamheden onder de maat heeft uitgevoerd en dat herstelkosten van € 5.000,00 tot € 7.000,00 gepast zijn. Bovendien heeft [gedaagde] een offerte ad € 8.365,00 exclusief BTW laten opstellen door [naam bedrijf]. De gebrekkige oplevering is voor [gedaagde] reden (geweest) om een beroep te doen op zijn opschortingsbevoegdheid in de zin van artikel 6:52 BW , omdat de gebrekkige oplevering tevens een niet-nakoming van [eiser 1] inhoudt. In verband met de aan hem toekomende opschortingsbevoegdheid vraagt [gedaagde] de kantonrechter de vordering van [eiser 1] in conventie af te wijzen.

4. Het geschil in reconventie

De vordering in reconventie

4.1.

[eiser 2] heeft gevorderd bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

I. de aannemingsovereenkomst tussen partijen van 6 januari 2020 te ontbinden, doch slechts indien de kantonrechter van oordeel is dat [eiser 2] geen opschortingsrecht in verband met een recht tot nakoming toekomt, dan wel het verweer in conventie wordt gepasseerd;

II. voor recht te verklaren dat verbintenis van [eiser 2] tot betaling van de tegenprestatie voor de (deugdelijke) oplevering van het werk zoals overeengekomen ten maximale een waarde van € 13.189,10 vertegenwoordigt, doch slechts indien de kantonrechter van oordeel is dat [eiser 2] wel een opschortingsrecht in verband met een recht tot nakoming toekomt, dan wel het verweer in conventie wordt gehonoreerd;

III. voor recht te verklaren dat [verweerder] tekortgeschoten is in de nakoming van zijn verplichting voortvloeiende uit de aannemingsovereenkomst om de woning deugdelijk op te leveren in de zin dat de muren, plinten, tegels, wc deugdelijk waren geplaatst;

IV. [verweerder] in ieder geval te veroordelen tot betaling van vervangende schadevergoeding ten waarde van € 8.365,00 ofwel € 7.000,00 bestaande uit de thans opeisbare schade die [eiser 2] ten gevolge van de toerekenbare tekortkoming van [verweerder] heeft geleden en [verweerder] tevens te veroordelen tot betaling van de overige schade, voortvloeiende uit de toerekenbare tekortkoming in de nakoming, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;

V. Met veroordeling van [verweerder] in de kosten van deze procedure, vermeerderd met de wettelijke rente en de nakosten, een en ander voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad.

4.2.

Aan die vordering heeft [eiser 2] - zakelijk weergegeven en voor zover thans van belang - het volgende ten grondslag gelegd. Voor zover de kantonrechter het opschortingsverweer in conventie passeert, heeft [eiser 2] recht op en belang bij de ontbinding van de overeenkomst. [verweerder] is van rechtswege in verzuim komen te verkeren vanwege de afgesproken fatale termijn. Bij toewijzing van deze voorwaardelijke vordering tot ontbinding vordert [eiser 2] tevens de terugbetaling van het reeds door hem aan [verweerder] betaalde bedrag. Mocht de kantonrechter het opschortingsverweer honoreren, dan verzoekt [eiser 2] de kantonrechter om voor recht te verklaren dat [eiser 2] aan [verweerder] slechts een redelijke prijs tot een hoogte van € 13.189,10 verschuldigd is voor de door [verweerder] verrichte werkzaamheden. Ten gevolge van de gebrekkige oplevering heeft [eiser 2] ook aanvullende gevolgschade geleden die hij wenst te verhalen op [verweerder]. Omdat een nieuwe aannemer de werkzaamheden alsnog moet uitvoeren vordert [eiser 2] een vervangende schadevergoeding ter hoogte van € 8.365,00, conform de offerte van [naam bedrijf], dan wel € 7.000,00, conform het bouwkundig rapport van BIJN.nl.

Het verweer in reconventie

4.3.

[verweerder] heeft tegen de vordering - zakelijk weergegeven en voor zover thans van

belang - het volgende aangevoerd. Het had op de weg gelegen van [eiser 2] om [verweerder] de mogelijkheid te geven om de gebreken te herstellen. De eis in reconventie dient niet-ontvankelijk te worden verklaard, dan wel te worden afgewezen met veroordeling van [eiser 2] in de proceskosten.

5. De beoordeling

in conventie en reconventie

5.1.

Gelet op de samenhang tussen de vorderingen in conventie en in reconventie zal de kantonrechter deze vorderingen (deels) gezamenlijk bespreken.

5.2.

Tussen partijen staat vast dat de oorspronkelijke aanneemsom € 15.040,30 inclusief BTW bedroeg en dat [gedaagde] daarvan € 1.851,20 – te weten € 15.040,30 minus

€ 13.189,10 – onbetaald heeft gelaten. [gedaagde] stelt dat hij de betaling van dit bedrag bevoegd heeft opgeschort, welk verweer hierna zal worden besproken.

5.3.

Blijkens productie 3 bij de dagvaarding heeft [eiser 1] de volgende meerwerkposten van in totaal € 3.510,00 (exclusief BTW) bij [gedaagde] in rekening gebracht:

radiator ombouw ad € 300,00

materiaal voor wc’s ad € 330,00

trap schilderen met leuningen ad € 450,00

kamer bureau ad € 150,00

wc plafond en kleine veranderingen ad € 150,00

afvoerpijp keuken ad € 200,00

80 m2 schilder werkzaamheden ad € 450,00

slopen en stucen garderobe ad € 200,00

voortuin ad € 300,00

elektra ad € 700,00

tuinhek ad € 280,00

5.3.1.

Met betrekking tot de posten 2 en 5 heeft [gedaagde] zich tijdens de mondelinge behandeling op het standpunt gesteld dat deze al bij de aanneemsom waren inbegrepen. Omdat [eiser 1] tijdens de mondelinge behandeling niet is verschenen, heeft de kantonrechter hem in de gelegenheid gesteld om schriftelijk op het proces-verbaal van de mondelinge behandeling te reageren. In de door hem genomen akte heeft [eiser 1] dit standpunt van [gedaagde] echter niet weersproken, zodat de kantonrechter in rechte zal uitgaan van de juistheid van dit standpunt.

5.3.2.

Met betrekking tot de posten 3 en 4 heeft [gedaagde] zich tijdens de mondelinge behandeling op het standpunt gesteld dat hij geen opdracht heeft gegeven voor deze werkzaamheden. Met betrekking tot post 9 heeft [gedaagde] aangevoerd dat deze werkzaamheden niet zijn uitgevoerd. Ook dit standpunt heeft [eiser 1] niet weersproken in de door hem genomen akte, zodat de kantonrechter in rechte ook zal uitgaan van de juistheid van dit standpunt.

5.3.3.

Met betrekking tot de posten 1, 6, 7, 8, 10 en 11 – voor een totaalbedrag van € 2.577,30 inclusief BTW (€ 2.130,00 exclusief BTW) – heeft [gedaagde] erkend dat [eiser 1] deze werkzaamheden heeft uitgevoerd. Op de stelling van [gedaagde], dat [eiser 1] deze werkzaamheden gebrekkig en niet tijdig heeft uitgevoerd, zal de kantonrechter later terugkomen.

in conventie

5.4.

Nu [gedaagde] de verschuldigdheid van de bedragen € 1.851,20 en € 2.577,30 – behoudens een beroep op gebrekkige en niet tijdige nakoming – op zich niet heeft betwist, is [gedaagde] deze bedragen aan [eiser 1] verschuldigd. [gedaagde] stelt echter dat [eiser 1] de werkzaamheden niet tijdig en gebrekkig heeft uitgevoerd. In plaats van correcte nakoming door [eiser 1] vordert [gedaagde] van [eiser 1] een vervangende schadevergoeding, te weten de kosten van het herstel. [gedaagde] beroept zich in dit verband op zijn opschortingsbevoegdheid (artikel 6:52 lid 1 BW) zolang [eiser 1] de geleden schade niet aan hem vergoedt. Daarom moet eerst beoordeeld worden of [gedaagde] zich gerechtvaardigd op zijn opschortingsrecht beroept.

5.4.1.

Tijdens de mondelinge behandeling heeft [gedaagde] uitgebreid toegelicht wat hij met [eiser 1] heeft afgesproken over de termijn waarbinnen [eiser 1] de werkzaamheden diende af te ronden. [eiser 1] zou op 1 februari 2020 klaar zijn met de grote klussen. Hij zou dan nog twee weken hebben (tot 14 februari 2020) voor de kleine dingen, maar hij heeft eerst de kleine dingen gedaan en de grote dingen laten liggen. Pas op 2 maart 2020 heeft [gedaagde] gezegd dat [eiser 1] moest stoppen, dus [eiser 1] heeft feitelijk nog twee weken extra gekregen. Het was [eiser 1] duidelijk dat 14 februari 2020 een harde opleverdatum was, aldus [gedaagde].

5.4.2.

Nu [eiser 1] het voorgaande niet heeft weersproken in de door hem genomen akte, gaat de kantonrechter in rechte uit van de juistheid van deze stellingen van [gedaagde]. Dit betekent dat sprake was van een zogeheten fatale termijn en dat van [gedaagde] niet hoefde te worden gevergd dat hij [eiser 1] een hersteltermijn als bedoeld in artikel 7:759 lid 1 BW diende te bieden.

5.4.3.

De door [gedaagde] op de mondelinge behandeling gestelde en door hem met het bouwkundig rapport onderbouwde gebreken heeft [eiser 1] niet betwist. Voor zover [eiser 1] dit alsnog heeft willen doen met de door hem bij akte overgelegde WhatsApp-gesprekken, is de kantonrechter van oordeel dat deze te laat in de procedure zijn overgelegd, zodat zij hieraan voorbij zal gaan.

5.4.4.

Het voorgaande leidt de kantonrechter tot de conclusie dat de gebreken in de uitvoering van de werkzaamheden door [eiser 1] vaststaan. Nu [gedaagde] [eiser 1] geen hersteltermijn hoefde te bieden, betekent dit dat [gedaagde] de betaling van de bedragen van € 1.851,20 (aan restant van oorspronkelijke aanneemsom) en € 2.577,30 (aan saldo van het overeengekomen meerwerk) gerechtvaardigd heeft opgeschort.

5.5.

Het opschortingsrecht dient primair als een pressiemiddel om nakoming door de wederpartij af te dwingen. Een geslaagd beroep op de opschortingsbevoegdheid betekent echter niet dat daarmee de betalingsverplichting komt te vervallen. [eiser 1] heeft deze werkzaamheden immers verricht. De vordering van [eiser 1] op [gedaagde] bedraagt gelet op het voorgaande in totaal € 4.428,50 (te weten € 1.851,20 plus € 2.577,30). De kantonrechter zal dit bedrag toewijzen.

5.6.

Nu [gedaagde] op geen enkel moment in verzuim is geweest, aangezien hij zich terecht op opschorting heeft beroepen, is hij geen wettelijke rente in de zin van artikel 6:119 BW verschuldigd. De in conventie onder a. gevorderde wettelijke rente zal daarom worden afgewezen.

5.7.

[eiser 1] vordert verder vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. Omdat [gedaagde] op geen enkel moment in verzuim heeft verkeerd, is echter reeds hierom niet aan de in artikel 6:96 lid 6 BW gestelde vereisten voldaan. De in conventie onder b. gevorderde buitengerechtelijke incassokosten zullen dan ook worden afgewezen.

5.8.

[gedaagde] wordt als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij veroordeeld in de proceskosten in conventie, die tot aan deze uitspraak aan de zijde van [eiser 1] worden vastgesteld op € 322,85 aan verschotten (€ 86,85 aan dagvaardingskosten en € 236,00 aan griffierecht) en € 249,00 aan salaris voor de gemachtigde (1 punt à € 249,00).

5.9.

De apart gevorderde nakosten worden toegewezen als hierna vermeld, nu de proceskostenveroordeling hiervoor reeds een executoriale titel geeft en de kantonrechter van oordeel is dat de nakosten zich reeds vooraf laten begroten.

in reconventie

5.10.

De onder I voorwaardelijk gevorderde ontbinding van de overeenkomst is niet toewijsbaar, omdat deze vordering enkel is gedaan voor het geval [eiser 2] zijn betalingsverplichting niet gerechtvaardigd zou hebben opgeschort. Die situatie doet zich, gelet op het oordeel in conventie, echter niet voor.

5.11.

De onder II gevorderde verklaring voor recht, dat de betalingsverplichting van [eiser 2] maximaal een waarde van € 13.189,10 vertegenwoordigt, zal worden afgewezen omdat uit het oordeel in conventie volgt dat [eiser 2] méér is verschuldigd dan hetgeen hij reeds heeft betaald.

5.12.

Uit het oordeel in conventie volgt dat de onder III gevorderde verklaring voor recht, dat [verweerder] tekortgeschoten is in de nakoming van zijn verplichting voortvloeiende uit de aannemingsovereenkomst om de woning deugdelijk op te leveren, voor toewijzing gereed ligt.

5.13.

[eiser 2] maakt aanspraak op vervangende schadevergoeding ter hoogte van € 8.365,00 in plaats van (correcte) nakoming door [verweerder]. [eiser 2] verwijst hiervoor naar de door [naam bedrijf] uitgebrachte offerte (productie 10) voor het verrichten van de benodigde herstelwerkzaamheden. Nu [verweerder] dit standpunt van [eiser 2] noch de hoogte van de gestelde schade heeft betwist, is de kantonrechter van oordeel dat dit onder IV gevorderde bedrag aan vervangende schadevergoeding toewijsbaar is.

5.14.

Voor het veroordelen van [verweerder] tot betaling van de overige schade, voortvloeiende uit de toerekenbare tekortkoming in de nakoming, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, ziet de kantonrechter geen aanleiding nu [eiser 2] daarvoor geen enkele onderbouwing heeft aangedragen.

5.15.

[verweerder] wordt als de in het ongelijk gestelde partij veroordeeld in de proceskosten in reconventie, die tot aan deze uitspraak aan de zijde van [eiser 2] worden vastgesteld op € 622,00 aan salaris voor de gemachtigde (2 punten à € 311,00 per punt).

5.16.

De apart gevorderde nakosten worden toegewezen als hierna vermeld, nu de proceskostenveroordeling hiervoor reeds een executoriale titel geeft en de kantonrechter van oordeel is dat de nakosten zich reeds vooraf laten begroten.

6. De beslissing

De kantonrechter:

in conventie

veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser 1] tegen kwijting te betalen € 4.428,50;

veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [eiser 1] vastgesteld op:

- € 322,85 aan verschotten, en

- € 249,00 aan salaris voor de gemachtigde;

en indien [gedaagde] niet binnen 30 dagen na de datum van dit vonnis vrijwillig aan het vonnis heeft voldaan, begroot op € 124,50 aan nasalaris. Indien daarna betekening van het vonnis heeft plaatsgevonden, dient het bedrag aan nasalaris nog te worden verhoogd met de kosten van betekening;

in reconventie

veroordeelt [verweerder] om aan [eiser 2] tegen kwijting te betalen € 8.365,00;

veroordeelt [verweerder] in de proceskosten, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [eiser 2] vastgesteld op:

- € 622,00 aan salaris voor de gemachtigde;

en indien [verweerder] niet binnen 30 dagen na de datum van dit vonnis vrijwillig aan het vonnis heeft voldaan, begroot op € 155,50 aan nasalaris. Indien daarna betekening van het vonnis heeft plaatsgevonden, dient het bedrag aan nasalaris nog te worden verhoogd met de kosten van betekening. Ook is [verweerder] de wettelijke rente in de zin van artikel 6:119 BW over al deze bedragen verschuldigd vanaf de veertiende dag na betekening van dit vonnis tot de dag van algehele voldoening;

in conventie en in reconventie

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad en wijst af het méér of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. F. Aukema-Hartog en uitgesproken ter openbare terechtzitting.

44478


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature