< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak




U dient ingelogd te zijn om favorieten te kunnen toevoegen aan Mijn Jure
U kunt zich hier gratis registreren
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Zittingsplaats:
Instantie:

Inhoudsindicatie:

Koopovereenkomst auto. Wie is contractspartij? Annulering eerste koopovereenkomst. Vergoeding. Is een tweede, vervangende koopovereenkomst tot stand gekomen?

Uitspraak



RECHTBANK ROTTERDAM

zaaknummer: 8231451 CV EXPL 19-53909

uitspraak: 5 maart 2021

vonnis van de kantonrechter, zitting houdende te Rotterdam,

in de zaak van

[eiser], handelend onder de naam [handelsnaam],

wonende en zaakdoende te [woonplaats eiser],

eiser in conventie,

verweerder in reconventie,

gemachtigde: mr. R.L.M. Cox te Nijmegen (Stichting Rechtsbijstand Mobiliteitsbranche),

tegen

1. de vennootschap onder firma

[gedaagde 1] ,

gevestigd te [vestigingsplaats gedaagde 1],

2. [gedaagde 2],

wonende te [woonplaats gedaagde 2],

3. [gedaagde 3],

wonende te [woonplaats gedaagde 3],

gedaagden in conventie,

eisers in reconventie,

gemachtigde: mr. A. Mao te Schiedam.

Partijen worden hierna aangeduid als “[eiser]” respectievelijk “[gedaagden].” waar het gedaagden gezamenlijk betreft en “[gedaagde 1]”, “[gedaagde 2]” en [gedaagde 3]” waar het hen individueel betreft.

1. Het verdere verloop van de procedure

1.1.

Het verdere verloop van de procedure volgt uit de volgende processtukken:

 het tussenvonnis van 14 augustus 2020 en de daaraan ten grondslag liggende processtukken;

 de brief van 6 september 2020 namens [gedaagden]. met als bijlage een usb-stick met daarop “de ontbrekende producties 3, 4 en 5 bij conclusie van dupliek in conventie/repliek in reconventie”;

 de op de rolzitting van 9 september 2020 door [eiser] genomen “akte houdende reactie op bij dupliek in conventie gevoerd nieuwe verweer”;

 de op de rolzitting van 7 oktober 2020 door [eiser] genomen “akte houdende reactie op bij dupliek in conventie overgelegde producties (prod. 3, 4 en 5)”.

1.2.

De kantonrechter heeft de uitspraak van dit vonnis nader bepaald op heden.

2. De vaststaande feiten

Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend, dan wel niet of onvoldoende gemotiveerd weersproken, staat tussen partijen, voor zover van belang, het volgende vast.

2.1.

Een schriftelijke koopovereenkomst van 11 oktober 2019 met betrekking tot een Audi A7 5.0 TDI (hierna: de Audi) voor een koopprijs van € 79.000,00 luidt, voor zover verder relevant, als volgt.

Bij “Gegevens verkoper” is een stempel geplaatst van [eiser] te Bergeijk.

Onder het kopje “Gegevens consument”:

“Naam [gedaagde 1]

Adres [adres]

Tel privé Tel. werk Mobiel tel. [telefoonnummer]

Geboortedatum [geboortedatum] E-mail [e-mailadres] Rijbewijsnummer [rijbewijsnummer]”

“(…)

* € 1000,- aanbetaald. (…)

(…)

* Bij annulering is de klant alleen € 1000 kwijt en niet de 15% boete.

* Annulering dient uiterlijk 15-10-2019 schriftelijk te gebeuren.”

(…)

Op al onze leveranties zijn de algemene voorwaarden BOVAG van toepassing, zoals vermeld op de achterzijde. (…)

Handtekening verkoper Handtekening consument

w.g. w.g

(…)”

Deze koopovereenkomst is onder de “Handtekening consument” ondertekend door [gedaagde 2].

2.2.

Voor deze koopovereenkomst heeft [eiser] gebruik gemaakt van het BOVAG-formulier “Koopovereenkomst Particulier”. De op de achterzijde vermelde algemene voorwaarden betreffen de Algemene Voorwaarden BOVAG autobedrijven koop / reparatie & onderhoud - die gelden voor overeenkomsten over koop en over reparatie en onderhoud van auto’s, onderdelen en accessoires tussen leden van BOVAG Autobedrijven en consumenten.

2.3.

Artikel 8 lid 3 van de onder 2.2 bedoelde voorwaarden luidt:

“3. De consument moet alle schade vanwege het annuleren vergoeden. Deze schade is vastgesteld op 15% van de totale koopprijs van de auto, onderdeel of accessoire, tenzij partijen bij het sluiten van de overeenkomst iets anders hebben afgesproken.”

2.4.

Na ondertekening van de onder 2.1 bedoelde koopovereenkomst is de daarin genoemde € 1.000,- betaald.

2.5.

Op 24 oktober 2019 heeft [gedaagde 2] interesse getoond in een BMW 420d Grand Coupé (hierna: de BMW), die op dat moment bij [eiser] te koop stond voor een bedrag van € 21.950,00.

2.6.

Bij brief van 29 oktober 2019 heeft [eiser] aan [gedaagde 1] / [gedaagde 2], voor zover relevant, het volgende bericht:

“(…) Op 11 oktober 2019 heeft u met mij een koopovereenkomst gesloten voor de betaling door u en levering door mij van een auto merk: Audi A7 (…) tegen een overeengekomen prijs van € 79.000,--. Wij zijn in het koopcontract overeengekomen dat de auto wordt betaald en afgeleverd uiterlijk 31 oktober 2019.

Bij schriftelijke annulering door u vóór 15 oktober 2019 is overeengekomen dat u in plaats van 15% van de koopsom de door u betaalde € 1.000,-- kwijt zou zijn. U heeft niet tijdig aangegeven dat u afzag van de aankoop.

U gaf tijdens het gesprek donderdag 24 oktober jl. bij mij op kantoor aan, dat u de financiering van de Audi A7 niet rond kreeg. Ik heb u toen op de voorwaarden van de BOVAG koopovereenkomst gewezen en u medegedeeld dat u niet zomaar onder de koopovereenkomst uit kunt en dat indien u de koopovereenkomst niet nakomt hieraan voor u financiële consequenties verbonden zijn.

Om toch tot een voor beide partijen aanvaardbare oplossing te komen, gaf u aan wel interesse te hebben in een andere auto in een lagere prijsklasse welke ik in voorraad had, waarbij uw voorkeur uitging naar een BMW 420d Gran Coupé (…). Uiteindelijk heb ik hiermee ingestemd tegen een bijbetaling van nog €23.500,-- met uitsluiting van elke vorm van garantie.

U zou mij uiterlijk vorige week telefonisch berichten of u hiermee akkoord zou gaan.

Tot op heden heb ik niets meer van u vernomen.

Derhalve stel ik u alsnog in de gelegenheid om de verplichtingen voortvloeiende uit de koopovereenkomst na te komen.

Bij niet nakoming van deze verplichting stel ik u nu reeds bij voorbaat in gebreke. (…)”

2.7.

Bij brief van 13 november 2019 heeft de gemachtigde van [eiser] de gemachtigde van [gedaagden]. bericht dat, indien [gedaagden]. de Audi niet alsnog voor 20 november 2019 afnemen en betalen en niet uiterlijk op 20 november 2019 het aanbod om de BMW af te nemen in plaats van de Audi tegen betaling van een bedrag van € 23.500,- voor de BMW aanvaarden, de koopovereenkomst met betrekking tot de Audi op 20 november 2019 zal worden ontbonden en [gedaagden]. aan [eiser] een bedrag van € 11.850,00 zullen zijn verschuldigd.

3. Het geschil

in conventie

3.1.

[eiser] heeft gevorderd bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, [gedaagden]. hoofdelijk te veroordelen aan hem te betalen een bedrag van € 10.850,00 aan hoofdsom en een bedrag van € 883,50 aan buitengerechtelijke incassokosten, vermeerderd met de wettelijke rente in de zin van artikel 6:119 BW over € 10.850,00 van af 21 november 2019 dan wel vanaf de dag van dagvaarding tot de dag van algehele voldoening, met hoofdelijke veroordeling van [gedaagden]. in de proceskosten.

3.2.

[eiser] heeft ter onderbouwing van zijn vordering naast de hiervoor genoemde vaststaande feiten - zakelijk weergegeven en voor zover thans van belang - het volgende aangevoerd.

3.2.1.

[eiser] lijdt schade in de vorm van gederfde winst, doordat [gedaagden] de verplichtingen uit de koopovereenkomst niet zijn nagekomen. Op grond van artikel 6:277 in verbinding met artikel 6:96 lid 1 BW zijn [gedaagden] gehouden deze schade aan [eiser] te vergoeden. [eiser] sluit ter begroting van zijn schade aan bij het percentage van 15% van de overeengekomen koopsom, als bedoeld in artikel 8 lid 3 van de Algemene BOVAG-voorwaarden. Weliswaar is de contractspartij ‘[gedaagde 1].’ geen consument, maar genoemde gefixeerde schadevergoeding is ook in het geval van een zakelijke koop redelijk. Dit komt bij een koopprijs van € 79.000,00 neer op een bedrag aan schadevergoeding van € 11.850,00. Dat bedrag wordt verrekend met de aanbetaling van € 1.000,00. [eiser] vordert daarom dat [gedaagden]. hoofdelijk worden veroordeeld om aan hem een bedrag van € 10.850,00 te betalen.

3.2.2.

[eiser] vordert tevens de wettelijke rente over de hoofdsom vanaf de datum waarop [gedaagden]. in verzuim zijn komen te verkeren, te weten 21 november 2019.

3.2.3.

[eiser] maakt jegens [gedaagden]. aanspraak op redelijke kosten die hij heeft moeten maken ter verkrijging van voldoening van de vordering buiten rechte en die hij op grond van artikel 6:96 lid 2 BW en conform de staffel van buitengerechtelijke incassokosten in kantonzaken stelt op een bedrag van € 883,50.

3.3.

[gedaagden]. hebben geconcludeerd tot niet-ontvankelijk verklaring van [eiser] in zijn vordering, althans tot afwijzing daarvan. Daartoe hebben zij

-verkort en zakelijk weergegeven en voor zover relevant- het volgende aangevoerd.

De overeenkomst van 11 oktober 2019 met betrekking tot de Audi, die een particuliere koopovereenkomst met [gedaagde 2] betreft, is vervallen. Daarvoor in de plaats hebben [eiser] en [gedaagde 2] een koopovereenkomst gesloten met betrekking tot de BMW tegen bijbetaling van € 18.500,00. Bij gebreke van een grondslag moeten de vorderingen van [eiser] integraal worden afgewezen.

3.4.

Op hetgeen partijen in conventie verder nog hebben aangevoerd, wordt hierna, voor zover voor de uitkomst van de procedure van belang, teruggekomen.

in reconventie

3.5.

[eisers]. hebben gevorderd bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, [verweerder] te veroordelen aan hen te betalen een bedrag van € 3.925,00, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente in de zin van artikel 6:119a BW vanaf de dag van indiening van de conclusie van eis in reconventie tot aan de dag van algehele voldoening, met veroordeling van [verweerder] in de proceskosten.

3.6.

[eisers]. hebben aan hun vordering, naast hetgeen zij in conventie als verweer hebben aangevoerd -zakelijk weergegeven en voor zover thans van belang- het volgende ten grondslag gelegd.

3.6.1.

De aanbetaling van € 1.000,00 kan als onverschuldigd worden gekwalificeerd nu de overeenkomst van 11 oktober 2019 met betrekking tot de Audi is vervallen.

3.6.2.

[verweerder] is tekortgeschoten in de nakoming van de koopovereenkomst met betrekking tot de BMW door na te laten de BMW te leveren tegen het overeengekomen bedrag van € 19.500,00. Subsidiair, in het geval waarin [gedaagde 2] het aanbod van [verweerder] met betrekking tot de BMW nog diende te aanvaarden, is hij onvoldoende in de gelegenheid gesteld dit alsnog te doen en is [verweerder] in verzuim.

3.6.3.

[eisers]. lijden schade als gevolg van het niet nakomen door [verweerder] van zijn verplichtingen uit de koopovereenkomst. Op grond van artikel 6:277 in verbinding met artikel 6:96 lid 1 BW dient [verweerder] deze schade, die zij vaststellen op een gefixeerd bedrag van € 2.925,00, zijnde 15% van de overeengekomen koopprijs, te vergoeden. [eisers]. maken verder aanspraak op vergoeding van wettelijke handelsrente in de zin van artikel 6:119a BW over deze schadevergoeding.

3.7.

Het verweer van [verweerder] strekt tot afwijzing van de vordering van [eisers]. Daartoe heeft hij -verkort en zakelijk weergegeven- het volgende aangevoerd.

3.7.1.

Betwist wordt dat tussen partijen een koopovereenkomst met betrekking tot de BMW tot stand is gekomen ter vervanging van de koopovereenkomst met betrekking tot de Audi. [eisers]. hebben immers het aanbod om de BMW voor € 23.500,00 te kopen niet aanvaard. Van tekortschieten door [verweerder] jegens [eisers]. is dus geen sprake.

3.7.2.

Omdat de rechtsgrond voor de aanbetaling van € 1.000,00 (de koopovereenkomst van 11 oktober 2019) niet is vervallen, is van onverschuldigde betaling geen sprake.

3.7.3.

Voor zover [verweerder] aansprakelijk zou zijn jegens [eisers]. betwist hij dat [eisers]. schade hebben geleden en dat zij aanspraak kunnen maken op 15% van de gestelde koopprijs van de BMW. Enige onderbouwing ontbreekt.

3.8.

Op hetgeen partijen in reconventie verder nog hebben aangevoerd, wordt hierna, voor zover voor de uitkomst van de procedure van belang, teruggekomen.

4. De verdere beoordeling van het geschil

4.1.

De kantonrechter verwijst naar en blijft bij hetgeen is overwogen in genoemd tussenvonnis van 14 augustus 2020. In dat vonnis is de zaak naar de rolzitting van 9 september 2020 verwezen teneinde [eiser] in de gelegenheid te stellen zich schriftelijk uit te laten zoals in dat vonnis bedoeld en teneinde [gedaagde 1] in de gelegenheid te stellen de ontbrekende producties in de vorm van een usb-stick aan te leveren. Partijen hebben hieraan voldaan en hebben voort geprocedeerd.

4.2.

Gelet op de samenhang tussen de vorderingen in conventie en in reconventie zullen deze hierna verder gezamenlijk worden behandeld.

4.3.

De kantonrechter zal als eerste beoordelen wie heeft te gelden als contractspartij van [eiser] bij het sluiten van de koopovereenkomst met betrekking tot de Audi.

4.3.1.

De kantonrechter overweegt in dat kader het volgende. [gedaagde 1] staat vermeld op de koopovereenkomst, wat duidt op een zakelijke overeenkomst. Dat de vermelding van [gedaagde 1] onder het kopje “Gegevens consument” staat en dat voor de koopovereenkomst het formulier “Koopovereenkomst Particulier” is gebruikt, betekent niet zonder meer dat het om een consumentenkoop gaat en [gedaagde 1] dus niet als contractspartij kan worden aangemerkt. Ook de omstandigheid dat [gedaagde 2] de koopovereenkomst heeft ondertekend leidt niet zonder meer tot de conclusie dat hij de contractspartij is en de koop als privépersoon/consument heeft gesloten. Het ligt bij het sluiten van een consumentenkoop immers niet voor de hand dat daarbij de naam van een onderneming wordt opgegeven als contractsluitende partij. [gedaagden]. geeft voor deze vermelding ook geen enkele verklaring, hetgeen wel voor de hand had gelegen gegeven haar stellingname. Verder is [gedaagde 2] in zijn hoedanigheid van vennoot van [gedaagde 1] bevoegd om namens de vennootschap rechtshandelingen als een koopovereenkomst aan te gaan. Ten slotte staat als adres in de koopovereenkomst vermeld het adres van de vennootschap genoemd ([adres]) en niet het privéadres van [gedaagde 2] in [woonplaats gedaagde 2].

4.3.2.

Gelet op het voorgaande is de kantonrechter van oordeel dat voldoende is komen vast te staan dat de koopovereenkomst van 11 oktober 2019 met betrekking tot de Audi is gesloten tussen [eiser] en [gedaagde 1].

4.4.

Voorts zal de kantonrechter beoordelen of die koopovereenkomst nog altijd geldt (zoals [eiser] stelt) dan wel of deze is vervangen door de koopovereenkomst met betrekking tot de BMW (zoals [gedaagden]. stellen).

4.4.1.

In dat verband is van belang het antwoord op de vraag of een koopovereenkomst tot stand is gekomen met betrekking tot de BMW. Een overeenkomst komt tot stand door aanbod en aanvaarding (artikel 6:217 BW).

4.4.2.

De door [gedaagden]. gestelde tweede koopovereenkomst met betrekking tot de BMW ter vervanging van de koopovereenkomst met betrekking tot de Audi is in tegenstelling tot die laatstbedoelde niet schriftelijk vastgelegd. De stelling, dat [gedaagde 2] op 24 oktober 2019 heeft aangeboden de BMW af te nemen tegen een koopprijs van € 19.500,00 en dat [eiser] daarmee heeft ingestemd, waardoor tussen partijen die tweede (vervangende) koopovereenkomst tot stand is gekomen, is door [eiser] in de conclusie van repliek in conventie gemotiveerd betwist. Gelet op die gemotiveerde betwisting, lag het op de weg van [gedaagden]. om haar stelling nader te onderbouwen. Daarvoor is onvoldoende haar verwijzing in de conclusie van antwoord in conventie naar de door [gedaagden]. aangehaalde zinsnede uit de brief van [eiser] van 29 oktober 2019, te weten “Om toch tot een voor beide partijen aanvaardbare oplossing te komen”. Deze zinsnede moet immers worden bezien binnen de context van de gehele brief en uit deze brief kan niet worden afgeleid dat [eiser] het door [gedaagde 2] gedane aanbod van een koopprijs van € 19.500,00 voor de BMW heeft aanvaard. Andere feiten of omstandigheden op grond waarvan moet worden geoordeeld dat tussen partijen met betrekking tot de BMW een koopovereenkomst tot stand is gekomen, zijn gesteld noch gebleken.

4.4.3.

[gedaagden]. hebben geen specifiek, voldoende geconcretiseerd bewijsaanbod gedaan ten aanzien van de stelling dat [eiser] het aanbod, om de BMW af te nemen tegen een koopprijs van € 19.500,00, heeft aanvaard en hebben in de conclusie van dupliek in conventie ook hun algemene bewijsaanbod niet herhaald. De kantonrechter ziet geen aanleiding om dit bewijs ambtshalve op te dragen. Dit betekent dat in rechte niet is komen vast te staan dat sprake is van een koopovereenkomst met betrekking tot de BMW, die in de plaats is getreden van de koopovereenkomst met betrekking tot de Audi.

4.5.

Uit het voorgaande volgt dat de koopovereenkomst van 11 oktober 2019 met betrekking tot de Audi nog altijd bestaat en dat contractspartijen [eiser] en [gedaagde 1] dus in beginsel moeten voldoen aan de verplichtingen die over en weer uit die koopovereenkomst voortvloeien.

4.5.1.

Voor [gedaagde 1] geldt dus de verplichting om de koopprijs te voldoen, tenzij de koopovereenkomst uiterlijk op (en niet zoals [eiser] stelt: vóór) 15 oktober 2019 schriftelijk zou worden geannuleerd.

4.5.2.

Met de stelling van [gedaagden]. in de conclusie van dupliek in conventie, dat bij het sluiten van de koopovereenkomst een voorbehoud met betrekking tot de financiering is gemaakt, dat ten onrechte niet in de koopovereenkomst terecht is gekomen, betogen zij kennelijk dat zij niet gehouden zijn tot nakoming van de betalingsverplichting omdat sprake is van een ontbindende voorwaarde. [eiser] heeft deze stelling gemotiveerd betwist, zodat het in beginsel op de weg van [gedaagden]. ligt om bewijs te leveren. [gedaagden]. hebben echter geen specifiek, voldoende geconcretiseerd bewijsaanbod gedaan ten aanzien van de stelling dat partijen de koopovereenkomst hebben gesloten onder voorbehoud van (lease)financiering en hebben ook hun algemene bewijsaanbod niet herhaald. De kantonrechter ziet geen aanleiding om hen ambtshalve bewijs op dit punt op te dragen. Dit betekent dat in rechte niet is komen vast te staan dat de ontbindende voorwaarde van (lease)financiering is overeengekomen.

Dit betekent tevens dat in rechte vaststaat dat met betrekking tot de Audi sprake is van een onvoorwaardelijke koopovereenkomst. Tussen partijen is niet in geschil dat deze koopovereenkomst niet uiterlijk op 15 oktober 2019 is geannuleerd. De conclusie is dan ook

dat [gedaagden]. niet hebben voldaan aan hun uit de koopovereenkomst voortvloeiende verplichtingen.

4.6.

[eiser] vordert naar analogie van artikel 8 lid 3 van de Algemene BOVAG-voorwaarden een schadevergoeding ter grootte van 15 % van de overeengekomen koopprijs omdat [gedaagden]. de Audi niet hebben afgenomen tegen de overeengekomen koopprijs. [gedaagden]. stellen dat [eiser] geen aanspraak kan maken op die schadevergoeding, primair omdat [gedaagde 2] de koopovereenkomst heeft gesloten als consument en, voor zover ervan moet worden uitgegaan dat wel sprake is van een zakelijke overeenkomst, subsidiair omdat de aan [gedaagde 2] ter hand gestelde algemene voorwaarden niet van toepassing zijn op een dergelijke zakelijke overeenkomst.

4.6.1.

Onder verwijzing naar hetgeen hiervoor is overwogen met betrekking tot de contractspartij van [eiser] bij het aangaan van de koopovereenkomst met betrekking tot de Audi verwerpt de kantonrechter het primaire verweer van [gedaagde 1].

4.6.2.

Met betrekking tot het subsidiaire standpunt van [gedaagden]., dat [eiser] geen aanspraak kan maken op de schadevergoeding ter hoogte van 15% van de koopprijs omdat de aan [gedaagde 2] ter hand gestelde algemene voorwaarden niet van toepassing zijn op een zakelijke overeenkomst, miskent [gedaagden]. dat [eiser] zich (uiteindelijk primair) niet op het standpunt stelt dat die algemene voorwaarden van toepassing zijn, maar daarbij slechts heeft aangesloten voor wat betreft de hoogte van de door hem gevorderde schadevergoeding en de koopovereenkomst zelf als grondslag voor die schadevergoedingsverplichting aanwijst. Dat het percentage van 15% genoemd in de koopovereenkomst (hiervoor onder 2.1) gerelateerd is aan de koopsom van de Audi, is tussen partijen verder niet in geschil.

4.7.

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat [gedaagden]. gehouden zijn de schade ad € 11.850,00 aan [eiser] te vergoeden. Daarop strekt in mindering de aanbetaling ter hoogte van € 1.000,00. De kantonrechter zal [gedaagden]. daarom hoofdelijk - in die zin dat wanneer de een betaalt, de ander tot de hoogte van die betaling zal zijn bevrijd - veroordelen tot betaling van € 10.850,00 aan [eiser].

4.8.

De wettelijke rente in de zin van artikel 6:119 BW waartegen geen afzonderlijk verweer is gevoerd zal als op de wet gegrond worden toegewezen, zoals in het dictum vermeld.

4.9.

[eiser] heeft onbetwist gesteld dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. De vergoeding waarop ingevolge het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten aanspraak kan worden gemaakt zal worden berekend aan de hand van de toewijsbare hoofdsom. De vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten zal worden toegewezen tot een bedrag van € 883,50. De kantonrechter zal [gedaagden]. hoofdelijk - in die zin dat wanneer de een betaalt, de ander tot de hoogte van die betaling zal zijn bevrijd - veroordelen tot betaling van dat bedrag aan [eiser].

4.10.

Met betrekking tot de reconventionele vordering van [gedaagden]. overweegt de kantonrechter als volgt. Nu hiervoor is geoordeeld dat de koopovereenkomst met betrekking tot de Audi niet is vervallen, is geen sprake van een aanbetaling van € 1.000,00 waarvoor geen grond aanwezig was. Van onverschuldigde betaling is dan ook geen sprake. Dit deel van de vordering van [gedaagden]. is dus niet toewijsbaar. Ook de gevorderde schadevergoeding wegens de gestelde tekortkoming in de nakoming en de nevenvordering zijn niet toewijsbaar nu hiervoor is overwogen dat een koopovereenkomst met betrekking tot de BMW niet tot stand is gekomen.

4.11.

Hetgeen partijen verder nog hebben aangevoerd behoeft geen bespreking en beslissing meer, nu dat niet tot een ander oordeel leidt.

4.12.

[gedaagden]. worden, als de zowel in conventie als in reconventie in het ongelijk gestelde partij, hoofdelijk - in die zin dat wanneer de een betaalt, de ander tot de hoogte van die betaling zal zijn bevrijd - veroordeeld in de proceskosten. Die kosten worden tot aan deze uitspraak aan de zijde van [eiser] in conventie vastgesteld op € 317,40 aan verschotten (€ 86,40 aan dagvaardingskosten en € 231,00 aan griffierecht) en € 932,50 aan salaris voor de gemachtigde (2,5 punten à € 373,00 per punt). In reconventie worden de proceskosten tot aan deze uitspraak aan de zijde van [eiser] vastgesteld op € 622,50 (2,5 punten à € 249,00 per punt).

5. De beslissing

De kantonrechter:

in conventie

veroordeelt [gedaagden]. hoofdelijk - in die zin dat wanneer de een betaalt, de ander tot de hoogte van die betaling zal zijn bevrijd - om aan [eiser] tegen kwijting te betalen € 11.733,50, vermeerderd met de wettelijke rente in de zin van artikel 6:119 BW over € 10.850,00 van af 21 november 2019 tot aan de dag van algehele voldoening;

veroordeelt [gedaagden]. hoofdelijk - in die zin dat wanneer de een betaalt, de ander tot de hoogte van die betaling zal zijn bevrijd - in de proceskosten, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [eiser] vastgesteld op € 317,40 aan verschotten en € 932,50 aan salaris voor de gemachtigde;

in reconventie

wijst de vorderingen af;

veroordeelt [eisers]. hoofdelijk - in die zin dat wanneer de een betaalt, de ander tot de hoogte van die betaling zal zijn bevrijd - in de proceskosten, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [verweerder] vastgesteld op € 622,50 aan salaris voor de gemachtigde;

in conventie en reconventie

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. K.J. Bezuijen en uitgesproken ter openbare terechtzitting.

44478/362


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature