< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak




U dient ingelogd te zijn om favorieten te kunnen toevoegen aan Mijn Jure
U kunt zich hier gratis registreren
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Zittingsplaats:
Instantie:

Inhoudsindicatie:

Bezwaarschrift tegen omzetting werkstraf in vervangende jeugddetentie gegrond. Behandeling met gesloten deuren. Het feit dat aan de veroordeelde een onvoorwaardelijke PIJ-maatregel is opgelegd, brengt niet met zich mee dat een eerder aan de veroordeelde opgelegde werkstraf niet uitvoerbaar is. Ingevolge artikel 6:3:1, tweede lid, Sv wordt de termijn waarbinnen de werkstraf moet worden verricht, verlengd met de tijd dat de veroordeelde rechtens zijn vrijheid is ontnomen.

Uitspraak



Rechtbank Rotterdam

Team Jeugd

Parketnummer: 10/681045-18

Beslissing van de meervoudige kamer voor strafzaken van de rechtbank Rotterdam in de zaak van:

[naam veroordeelde]

geboren te [geboorteplaats veroordeelde] op [geboortedatum veroordeelde] 2002,

ingeschreven in de basisregistratie personen (en verblijvende) op het adres

van Rijks Justitiële Jeugdinrichting (RJJI) De Hartelborgt,

Borgtweg 1, 3202 LJ te Spijkenisse,

hierna: de veroordeelde.

Procedure

Bij akte van 16 november 2020 heeft de veroordeelde een bezwaarschrift ingediend. Dit bezwaarschrift richt zich tegen de kennisgeving op basis van artikel 6:3:10 Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) van de officier van justitie van 10 augustus 2020. In deze kennisgeving staat dat de werkstraf van 200 uur wordt omgezet in een jeugddetentie van 100 dagen.

De rechtbank heeft via de officier van justitie van de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad) een eindrapportage taakstraf van 19 december 2020 ontvangen. De Raad schrijft dat de taakstraf niet uitvoerbaar is (geweest) vanwege een onvoorwaardelijke maatregel plaatsing in een inrichting voor jeugdigen (hierna: PIJ-maatregel) die aan de veroordeelde is opgelegd. De Raad ziet geen meerwaarde in het opschorten van de werkstraf van 200 uur om de veroordeelde daar te zijner tijd nog mee te confronteren en hem daarvoor te motiveren. De Raad adviseert om het bezwaarschrift gegrond te verklaren en het aantal uren op nul te stellen.

Het bezwaarschrift is behandeld op de zitting van 28 januari 2021. Na het uitroepen van de zaak zijn ter zitting aanwezig: de officier van justitie mr. A.P.G. de Beer, de veroordeelde en zijn raadsman mr. R.L.I. Jansen.

Ter zitting heeft de rechtbank onder verwijzing naar het bepaalde in 6:6:3, zesde lid, Sv gesteld dat de zitting in beginsel openbaar is omdat de veroordeelde 18 jaar of ouder is op de dag dat de zaak dient. De rechtbank heeft besproken dat hierover discussie is. In de literatuur wordt gesteld dat het een lacune in de wet lijkt te zijn omdat voorheen alle (raadkamer)zittingen omtrent jeugdigen besloten waren. Een openbare zitting lijkt in strijd met het uitgangspunt van het jeugdstrafrecht om re-integratie van de veroordeelde in de maatschappij te bevorderen, onder andere vanwege de mogelijke stigmatisering. Daar komt bij dat in de artikelen 488 juncto 495b Sv als uitgangspunt in het jeugdrecht is vastgelegd dat zittingen betreffende personen die ten tijde van het begaan van het feit de leeftijd van achttien jaren nog niet hebben bereikt, achter gesloten deuren plaatsvinden.

De rechtbank heeft met inachtneming van het bepaalde in artikel 269 Sv de officier van justitie, de veroordeelde en zijn raadsman gehoord over het behandelen van de zaak met gesloten deuren in het belang van de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van de jeugdige veroordeelde. Met instemming van de officier van justitie, de raadsman en de veroordeelde heeft de rechtbank het bezwaarschrift vervolgens behandeld met gesloten deuren.

Het bezwaar van de veroordeelde

De raadsman heeft namens de veroordeelde gevraagd om het bezwaarschrift gegrond te verklaren en het aantal te verrichten uren taakstraf op nihil te stellen.

Nadat hij op 20 december 2018 voor een poging tot een overval op een restaurant in Nieuw-Lekkerland was veroordeeld tot onder meer een werkstraf voor 200 uur, is hij kort daarna op 10 januari 2019 is aangehouden op verdenking van betrokkenheid bij een overval op een filiaal van Kruidvat op 4 januari 2019 te Leersum. Bij vonnis van 10 mei 2019 is hij voor die nieuwe verdenking veroordeeld tot een onvoorwaardelijke jeugddetentie voor de duur van 6 maanden met aftrek van voorarrest en een onvoorwaardelijke PIJ-maatregel. De veroordeelde is tegen dit vonnis tevergeefs in hoger beroep gegaan. Op 3 maart 2020 is het vonnis van de rechtbank door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden bevestigd.

De veroordeelde zit nu zijn onvoorwaardelijke PIJ-maatregel uit. Verzocht wordt om het aantal te verrichten uren taakstraf en de dagen vervangende jeugddetentie op nihil te stellen, omdat de PIJ-maatregel in beginsel geldt voor de duur van drie jaren (art. 77s, lid 7 Wetboek van Strafrecht) – eventuele verlengingen ex art. 6:6:31 Sv nog niet meegenomen – waardoor de veroordeelde zijn werkstraf van 200 uren niet eerder dan in 2023 zal kunnen uitvoeren. Datzelfde geldt voor het eventueel uitzitten van de vervangende jeugddetentie. Tenuitvoerlegging van de taakstraf (of de vervangende jeugddetentie) heeft geen doel meer.

Ter zitting heeft de veroordeelde nadrukkelijk gezegd dat hij - indien het aantal uren werkstraf niet op nihil wordt gesteld - er de voorkeur aan geeft om de vervangende jeugddetentie uit te zitten in plaats van de werkstraf te doen.

Het standpunt van de officier van justitie

In de kennisgeving van 10 augustus 2020 schrijft de officier van justitie dat de nieuwe veroordeling tot gevolg heeft dat de veroordeelde vermoedelijk ergens in 2023 in de gelegenheid zal zijn om de werkstraf uit te voeren. Die situatie is te wijten aan het gedrag van de veroordeelde. De 200 uren werkstraf zijn daarom ingevolge artikel 6.3.10 van het Wetboek van Strafvordering omgezet in vervangende jeugddetentie voor de duur van 100 dagen. De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat het bezwaar ongegrond is.

Ter zitting heeft de officier van justitie te kennen gegeven dat in geval van ongegrondverklaring van het bezwaarschrift de veroordeelde eerst de vervangende jeugddetentie zal moeten uitzitten, waardoor zijn PIJ-maatregel voor de duur van 100 dagen zal worden onderbroken. Als het bezwaarschrift gegrond wordt verklaard, zijn er twee mogelijkheden: ofwel de veroordeelde moet op enig moment de 200 uren werkstraf doen ofwel rekening houdend met gewijzigde omstandigheden kan het aantal uren werkstraf op nul worden gesteld.

De beoordeling

Ontvankelijkheid

Tegen de kennisgeving kan een veroordeelde op grond van artikel 6:6:23, eerste lid, Sv binnen 14 dagen na betekening daarvan een bezwaarschrift indienen.

Bij akte van 16 november 2020 heeft de veroordeelde een bezwaarschrift ingediend tegen de uitgebrachte kennisgeving tenuitvoerlegging vervangende jeugddetentie van de officier van justitie van 10 augustus 2020. Dit is ruim drie maanden na de datum van de kennisgeving van de officier van justitie. De raadsman heeft hieromtrent ter zitting gezegd dat hij de zaak heeft overgenomen van een collega en dat hij binnen 14 dagen nadat hij met de kennisgeving bekend was geworden, bezwaar heeft ingediend.

Ter zitting heeft de officier van justitie gezegd dat de kennisgeving mogelijk pas enige tijd na het opstellen daarvan is uitgereikt. Hierdoor is het onduidelijk wanneer de termijn is gaan lopen. De officier van justitie vindt dat de veroordeelde kan worden ontvangen in zijn bezwaar.

De rechtbank overweegt als volgt.

Omdat zich in het dossier geen akte van uitreiking van de kennisgeving bevindt, kan de rechtbank niet vaststellen wanneer de kennisgeving tenuitvoerlegging is betekend. De onduidelijkheid omtrent het moment van de betekening en de aanvang van de termijn kan de veroordeelde niet worden tegengeworpen. De rechtbank verklaart de veroordeelde ontvankelijk in het bezwaar.

De verdere beoordeling

Aan de veroordeelde is bij vonnis van deze rechtbank van 20 december 2018 onder meer een taakstraf bestaande uit een werkstraf voor de duur van 200 uur opgelegd, met bevel dat, voor het geval de veroordeelde de werkstraf niet naar behoren verricht, vervangende jeugddetentie zal worden toegepast voor de duur van 100 dagen.

Vast staat dat de veroordeelde de opgelegde werkstraf tot nu toe niet heeft verricht.

Ingevolge artikel 6:3:1, tweede lid, Sv wordt de termijn waarbinnen de werkstraf moet worden verricht, verlengd met de tijd dat de veroordeelde rechtens zijn vrijheid is ontnomen. Het voorgaande brengt mee dat de veroordeelde de werkstraf na ommekomst van de detentie uit andere hoofde alsnog kan verrichten. Daarom kan niet kan worden aangenomen dat de hem opgelegde werkstraf door deze detentie niet uitvoerbaar is. Gelet hierop zal de rechtbank het bezwaarschrift gegrond verklaren.

De rechter kan op grond van artikel 6:6:23, tweede lid, Sv de beslissing van het openbaar ministerie wijzigen. Indien de rechter het bezwaarschrift gegrond verklaart, geeft de rechter in zijn beslissing het aantal uren taakstraf aan dat nog moet worden verricht en binnen welke termijn de taakstraf moet worden voltooid.

De rechtbank ziet in dit specifieke geval geen aanleiding voor een wijziging. Het is aan de veroordeelde te wijten dat hij nog geen gelegenheid heeft gehad om de werkstraf te verrichten of daar een aanvang mee te maken. Immers, zeer kort na zijn veroordeling voor een poging overval in Nieuw-Lekkerland op 20 december 2018 tot de onderhavige werkstraf, heeft hij een overval in Leersum gepleegd. Voor de overval in Leersum is aan de veroordeelde een onvoorwaardelijke PIJ-maatregel opgelegd en verblijft hij sinds 10 januari 2019 in voorlopige hechtenis en detentie.

Ten aanzien van de verklaring van de jeugdige veroordeelde ter zitting dat hij de voorkeur geeft aan het uitzitten van de vervangende jeugddetentie boven het alsnog verrichten van de werkstraf, overweegt de rechtbank dat een omzetting in een vervangende jeugddetentie zou betekenen dat de behandeling van de veroordeelde in het kader van de PIJ-maatregel wordt onderbroken door het uitzitten van de vervangende jeugddetentie. Dit wordt niet in het belang van de jeugdige veroordeelde geacht en ook niet in het belang van de maatschappij met het oog op het voorkomen van recidive in de toekomst. Detentie dient in het jeugdrecht bovendien een ultimum remedium te zijn.

De jeugdige veroordeelde staat aan het begin van zijn behandeling in het kader van de PIJ-maatregel. Hij wil momenteel liever de vervangende jeugddetentie uitzitten dan de werkstraf doen. Mogelijk kijkt hij daar echter anders tegen aan, wanneer hij in het kader van de voorwaardelijke beëindiging van de PIJ-maatregel op vrije voeten komt en alsnog in de gelegenheid wordt gesteld om de werkstraf te verrichten in plaats van de jeugddetentie uit te zitten.

De rechtbank ziet geen reden om er op voorhand vanuit te gaan dat het verrichten van een werkstraf aan het einde van de PIJ-maatregel geen meerwaarde meer heeft. De rechtbank overweegt dat het verrichten van de werkstraf mogelijk ook onderdeel zou kunnen uitmaken van het traject tot re-integratie van de veroordeelde in de maatschappij.

De rechtbank komt tot de slotsom dat de veroordeelde aan het einde van zijn PIJ-maatregel alsnog in de gelegenheid moet worden gesteld om de werkstraf te verrichten.

De rechtbank zal het bezwaarschrift van de veroordeelde gegrond verklaren en het bevel tot tenuitvoerlegging vervallen verklaren.

Beslissing

De rechtbank:

verklaart het bezwaar gegrond;

verstaat dat de veroordeelde nog 200 (tweehonderd) uren van de taakstraf bestaande uit een werkstraf dient te verrichten, bij gebreke waarvan een vervangende jeugddetentie geldt van 100 (honderd) dagen;

stelt de termijn waarbinnen de taakstraf, bestaande uit een werkstraf moet worden voltooid op 18 (achttien) maanden;

verklaart het bevel tenuitvoerlegging vervangende jeugddetentie van de officier

van justitie van 10 augustus 2020 vervallen.

Deze beslissing is genomen door

mr. M.P. van der Stroom, voorzitter, tevens kinderrechter,

en mrs. A.J. van Dijk en K.J. van den Herik, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. K.J. Berke griffier,

en is in het openbaar uitgesproken op 11 februari 2021.

De oudste en de jongste rechter zijn buiten staat deze beslissing mede te ondertekenen.

Kroniek jeugdstraf(proces)recht: the good, the bad & the ugly, mr. drs. M. Jeltes, Nederlands Tijdschrift voor Strafrecht (aflevering 5, 2020).


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde wetgeving

Gerelateerde advocaten

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature