< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Zittingsplaats:
Instantie:
Vindplaats:

Inhoudsindicatie:

Eiseres vordert nakoming van de tussen partijen gesloten vaststellingsovereenkomst. Gedaagde stelt dat zij mag terugkomen op de inhoud van de vaststellingsovereenkomst vanwege de in de vaststellingsovereenkomst opgenomen zinsnede ‘of course all above is without prejudice’ waaraan zij de consequentie verbindt dat de schikking ‘onder voorbehoud van alle rechten’ is. De rechtbank legt de overeenkomst uit. Geen onvoorwaardelijk opschortingsrecht. Ook het verweer van gedaagde dat partijen na sluiting van de vaststellingsovereenkomst een nieuwe, aanvullende afspraak hebben gemaakt die ertoe strekte dat gedaagde in afwachting van verzochte documentatie haar betalingen mocht opschorten, faalt. (Geen beroep gedaan op) artikel 7:904 lid 1 BW .

Uitspraak



vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team handel en haven

zaaknummer / rolnummer: C/10/582946 / HA ZA 19-908

Vonnis van 22 december 2021

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

QFR EUROPE B.V.,

thans h.o.d.n. SEA AND SHORE TRADE SERVICES B.V.,

gevestigd te Rotterdam,

eiseres in conventie,

verweerster in reconventie,

advocaat mr. M. Verhagen te Rotterdam,

tegen

de vennootschap naar het recht van de plaats van haar vestiging

AGNAIL LTD,

gevestigd te Portlaoise, Ierland,

gedaagde in conventie,

eiseres in reconventie,

advocaat mr. F. Bajrami te Breda.

Partijen zullen hierna QFR en Agnail genoemd worden.

1. De procedure

1.1.

Bij beschikking van 16 augustus 2019 heeft de rechtbank Den Haag de zaak in de stand waarin zij zich bevond (na heroverweging van een Europees betalingsbevel) verwezen naar de rolzitting (dagvaardingsprocedure) van de rechtbank Rotterdam.

1.2.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

de conclusie van eis van 27 november 2019, met producties 1 tot en met 6;

de conclusie van antwoord in conventie, tevens eis in reconventie, met producties 1 tot en met 16;

de conclusie van repliek in conventie en van antwoord in reconventie, met producties 7 tot en met 12;

de conclusie van dupliek in conventie en van repliek in reconventie, met productie 17;

de conclusie van dupliek in reconventie, met producties 13 en 14.

1.3.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1.

Tussen partijen bestond in 2016 een geschil over de verschuldigdheid van de door QFR aan Agnail gezonden facturen met kenmerk [kenmerknummer 1] , [kenmerknummer 2] en [kenmerknummer 3] .

Dit geschil had de volgende achtergrond. Agnail had voor QFR een aantal ladingen gemengd papier ingekocht bij afvalverwerkingsbedrijven. QFR heeft dit papier doorverkocht en geleverd aan kopers in Zuid-Korea. De kopers hebben bij QFR geklaagd over de kwaliteit van het papier en een claim ingediend bij QFR, waarop QFR met de kopers een schikking heeft getroffen. QFR heeft vervolgens regres genomen op Agnail en in dat kader bovengenoemde facturen aan Agnail gezonden.

2.2.

Partijen hebben op 23 september 2016 een vaststellingsovereenkomst gesloten ter beëindiging van dit geschil. Deze vaststellingsovereenkomst is neergelegd in een door QFR aan Agnail gestuurd concept/voorstel van 13 september 2016, waarin door partijen geparafeerde wijzigingen in de tekst zijn aangebracht, waarna dit stuk op 23 september 2016 door partijen voor akkoord is ondertekend.

2.3.

In de vaststellingsovereenkomst is, voor zover van belang, het volgende opgenomen:

“(…)

Rotterdam, September 13th, 2016

Dear Sirs,

We refer to the agreement we have reached in relation to the outstanding undisputed debts you have towards our company. In total you owe our company an amount of Euro 160,745.54, as per our undisputed* *[woord doorgehaald, Rb.] invoices [kenmerknummer 1] , [kenmerknummer 2] and [kenmerknummer 3] .

As per your request in order to bring your financial position up to par again and under the following conditions we can agree to a payment schedule for the outstanding amounts. The terms of such schedule are:

Payment of invoice [kenmerknummer 1] for an amount of Euro 28,500.00 will be made immediately upon signing of this agreement;

Invoice [kenmerknummer 2] for a total amount of Euro 66,809.09 will be settled in three equal instalments of Euro 22,269.70. The first instalment will be received in our bank account on 28th of October 2016. The second instalment will be received in our bank account on 25th November 2016. The third and final instalment will be received in our bank account on 29th December 2016;

[volledige passage doorgehaald, Rb.]

In case you have met the obligations under 1 and 2 of this schedule we will waive our claim for the invoice [kenmerknummer 3] , and you will have thus fully and finally settled your obligations towards us;

In case you will miss one of the instalments the schedule will be withdrawn, and the remaining balance, increased with any interest and cost that may have accrued will be payable at once. In that situation of course also invoice [kenmerknummer 3] will remain due.

This agreement is subject to Dutch law, and any dispute arising out of or in connection with this agreement will be brougth before the Rotterdam court.

[eerste zin doorgehaald, Rb.]

Payments must be received by us in our bank account, details of which are:

(…)

Please confirm this agreement by returning one of the two copies signed for approval.

Of course all above is without prejudice.

(…).”.

2.4.

Agnail heeft de factuur met nummer [kenmerknummer 1] ten bedrage van € 28.500,- overeenkomstig de vaststellingsovereenkomst voldaan.

2.5.

Agnail heeft ook de eerste betalingstermijn van € 22.269,70 van de factuur met nummer [kenmerknummer 2] overeenkomstig de vaststellingsovereenkomst voldaan.

2.6.

Bij e-mailbericht van 4 mei 2017 deelt Agnail aan QFR onder meer het volgende mee:

“Dear [persoon A] ,

Our documentation requirements with regards to the recovery of the Waterlands plastics are threefold:

1. Confirmation of Recovery from the recovery facility (AEB or Other) for the tonnage and stating the material was received and recovered in accordance with the environmental legislation.

2. Confirmation from ILT that they are satisfied with the clearance and recovery of the Waterlands plastic has been completed to their satisfaction and that no further action is required. Also confirmation that there will be no proceedings in connection with this plastics.

3. Confirmation from QFR that Agnail is no outstanding liability in connection to the plastic supplied to QFR.

(…)”.

2.7.

Bij e-mailbericht van 28 september 2017 (10.10 uur) deelt de heer [persoon A] namens QFR aan Agnail het volgende mee:

“Dear [persoon B] ,

This week we have received the approval of ILNT and the first containers are processed by Icova bv. This is a Shanks company. We have a very good relationship with this company and we hope to finish this project quite soon. They are making teblets of our plastic used as low carbon emission energy source.

So to finance this process costing us 150 euro per ton please send half of this payment due to us. So when we start the other half of the total lot you can send this part.

I will send you the documentation needed and the contact person at ilnt (national health/safety and environment) department for verification today.

Hope to receive the money to get the next containers provessed. Please confirm

Greetings

[persoon C]

(…)”.

2.8.

Bij e-mailbericht van 28 september 2017 (11.49 uur) antwoordt de heer

[persoon B] van Agnail als volgt:

“Dear [persoon C] ,

The documents you forwarded comprise of a generic company brochure for Icova, and tickets for 2 loads totalling approximately 20 tonnes delivered by a Rotterdam based Company to the reprocessor. I cannot see anything that link this to the Waterlands material.

Please provide the documentation I have requested. No more and no less.

Regards

[persoon B]

(…)”.

2.9.

Bij e-mailbericht van 28 september 2017 (13:59 uur) schrijft de heer [persoon B] van Agnail aan QFR het volgende:

“Dear [persoon C] ,

I have sent a clear list of the information we require. I have confirmed a number of times that payment will be made upon completion. We will make no payment until the removal is completed and the full documentation is received.

Greetings

[persoon B] ”.

2.10.

Bij e-mailbericht van 28 september 2017 (14:09 uur) antwoordt de heer [persoon A] van QFR als volgt:

“Dear [persoon B] ,

You will receive this documentation no problem and we expect you to confirm payment of the agreed openstanding amount in the signed contract upon arrival of these documents.

Please confirm.

C. [persoon A]

(…)”.

2.11.

Agnail heeft geen verdere betalingen verricht.

2.12.

Bij brief van 13 april 2018 heeft QFR Agnail in gebreke gesteld en gesommeerd om binnen zeven dagen het openstaande bedrag inclusief de wettelijke rente vanaf de vervaldatum en de door QFR gemaakte kosten (begroot op een bedrag van € 10.998,48) aan QFR te voldoen.

2.13.

Agnail heeft niet aan het verzoek tot betalen voldaan.

2.14.

Op 6 juni 2018 heeft QFR de rechtbank Den Haag verzocht om een Europees Betalingsbevel te verstrekken voor een bedrag van € 126.985,65.

Dit bedrag is opgebouwd uit een hoofdsom van € 109.975,84, een bedrag van € 15.135,06 aan wettelijke rente en een bedrag van € 1.874,75 aan buitengerechtelijke kosten.

2.15.

Op 15 augustus 2018 heeft de rechtbank Den Haag een Europees betalingsbevel uitgevaardigd. Dit bevel is op 18 oktober 2018 aan Agnail betekend.

2.16.

Agnail is niet tot betaling overgegaan.

2.17.

Op 19 december 2018 heeft de rechtbank Den Haag de uitvoerbaarverklaring van het Europees betalingsbevel afgegeven.

2.18.

Agnail is ook na ontvangst van het uitvoerbaar verklaarde Europees betalingsbevel bij e-mail van 16 januari 2019 niet overgegaan tot betaling. Agnail heeft bij de rechtbank Den Haag inhoudelijk verweer gevoerd.

2.19.

Bij beschikking van 16 augustus 2019 heeft de rechtbank Den Haag onder meer geoordeeld dat de betekeningsvoorschriften niet correct zijn uitgevoerd waardoor de uitvoerbaarverklaring ongeldig is. De rechtbank Den Haag heeft de zaak daarbij verwezen naar de rechtbank Rotterdam, aangezien Agnail ook inhoudelijk verweer heeft gevoerd tegen de vordering van QFR.

3. Het geschil

in conventie 3.1.

QFR vordert dat de rechtbank, bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis, Agnail veroordeelt om aan QFR te betalen:

- een bedrag van € 109.975,84, vermeerderd met de wettelijke handelsrente vanaf de vervaldatum 25 november 2016, althans vanaf een in goede justitie te bepalen datum, tot aan de dag van de volledige betaling;

- een bedrag van € 1.874,75 aan buitengerechtelijke kosten, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf de datum van dagvaarding, danwel vanaf de datum van het vonnis tot aan de dag van de volledige betaling;

- de kosten van de procedure, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 14 dagen na dagtekening van het vonnis tot aan de dag van de volledige betaling;

- de nakosten van de procedure, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf veertien dagen na dagtekening vonnis, danwel vanaf veertien dagen na aanzegging van deze kosten, tot aan de dag van de volledige betaling.

3.2.

Agnail voert gemotiveerd verweer en concludeert tot afwijzing van de vordering van QFR, met veroordeling van QFR, bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, in de kosten en nakosten van de procedure.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

in reconventie

3.4.

Agnail vordert - verkort weergegeven - veroordeling van QFR, bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, tot betaling van de bedragen € 22.269,70, € 45.000,-, € 18.000,- en € 25.000,-, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente danwel de wettelijke rente over deze bedragen vanaf de dag van het instellen van de reconventionele vordering tot aan de dag van de betaling, met veroordeling van QFR in de kosten en nakosten van de procedure.

3.5.

QFR voert gemotiveerd verweer en concludeert tot afwijzing van de vordering van Agnail, met veroordeling van Agnail in de kosten van de procedure.

3.6.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

in conventie en in reconventie

rechtsmacht en toepasselijk recht

4.1.

Nu partijen in verschillende landen zijn gevestigd, dient de rechtbank eerst haar bevoegdheid en het toepasselijk recht te bepalen. Deze rechtbank is - in ieder geval op grond van artikel 26 Brussel I bis-Vo - internationaal bevoegd om van de vorderingen over en weer kennis te nemen. Dit is ook niet in geschil.

4.2.

QFR stelt dat partijen in de vaststellingsovereenkomst een rechtskeuze als bedoeld in artikel 3 Rome I-Vo voor Nederlands recht zijn overeengekomen. Agnail heeft dit niet weersproken en baseert zijn stellingen eveneens op Nederlands recht, zodat de rechtbank uit zal gaan van de toepasselijkheid van Nederlands recht.

in conventie

4.3.

QFR vordert nakoming door Agnail van haar betalingsverplichtingen onder de vaststellingsovereenkomst. QFR legt aan haar vordering ten grondslag dat Agnail toerekenbaar tekortgeschoten is in de nakoming van de overeenkomst door de openstaande termijnbetalingen niet te voldoen en ten onrechte haar verbintenissen onder de overeenkomst op te schorten.

4.4.

Agnail voert gemotiveerd verweer. Agnail stelt dat zij, toen zij op de hoogte kwam van het voornemen van de eigenaren van QFR om QFR te verkopen, QFR informeerde dat zij de laatste twee betalingen van de vaststellingsovereenkomst - die in feite zagen op betaling van factuur 15700125 - niet zou uitvoeren totdat de zogenaamde ‘Waterland-kwestie’ zou zijn opgelost.

Agnail stelt in dit verband dat tussen partijen naast het geschil over de facturen een andere kwestie speelde die betrekking had op elf door Agnail aan QFR geleverde containers plastic waarbij Agnail - in verband met een dispuut over de vergunning van de opslaglocatie - het risico liep om als leverancier van het plastic verantwoordelijk te worden gehouden totdat het materiaal was verwerkt in het productieproces danwel was vernietigd of terugvervoerd naar het land van herkomst. Agnail stelt dat zij verzocht heeft om documentatie waardoor zij zou worden gevrijwaard voor eventuele aansprakelijkstelling voor de kosten en dat zij - toen deze documentatie niet werd verschaft - besloten heeft haar financiële risico’s af te dekken door verdere betalingen aan te houden totdat QFR de Waterland-kwestie had opgelost en de verzochte documentatie had aangeleverd bij Agnail.

4.5.

Agnail heeft in dit verband beroep gedaan op de in de vaststellingsovereenkomst opgenomen zinsnede ‘of course all above is without prejudice’ waaraan zij de consequentie verbindt dat de schikking ‘onder voorbehoud van alle rechten’ is en zij daarom mag terugkomen op de inhoud van de vaststellingsovereenkomst.

4.6.

QFR heeft dit betwist en aangevoerd dat uitsluitend het schikkingsaanbod onder voorbehoud van alle rechten is gedaan en dat - toen partijen overeenstemming hadden bereikt - de vaststellingsovereenkomst is gesloten met als doel de beëindiging van het geschil en finale kwijting bij nakoming. Dat deze zinsnede in de tekst staat, zou volgens QFR zijn oorzaak vinden in de omstandigheid dat partijen geen nieuw document hebben opgemaakt, maar slechts de wederzijdse opmerkingen in het bestaande document - het voorstel met de zinsnede - hebben verwerkt waardoor de passage ten onrechte is blijven staan.

QFR wijst in dit verband ook op het e-mailbericht van Agnail van 20 september 2016 waarin zij zelf ook aangeeft dat het voorbehoud ziet op de onderhandelingsfase nu zij schrijft “We request removal of reference to ‘undisputed’ invoices. We do not dispute Invoice [kenmerknummer 1] . It is our position that we dispute Invoices [kenmerknummer 2] and [kenmerknummer 3] .

While we are negotiating a repayment agreement it is without prejudice to this position.”.

4.7.

Voor de beantwoording van de vraag of partijen zijn overeengekomen dat de vaststellingsovereenkomst ‘onder voorbehoud van alle rechten’ is, dient de overeenkomst te worden uitgelegd. Die uitleg kan niet alleen worden gegeven op grond van een zuiver taalkundige uitleg van de bepalingen van de schriftelijke overeenkomst, maar daarbij komt het tevens aan op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan elkaars verklaringen en gedragingen en aan de bepalingen van die stukken mochten toekennen en op hetgeen zij redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten.

Daarbij zijn telkens van beslissende betekenis alle omstandigheden van het concrete geval, gewaardeerd naar hetgeen de maatstaven van redelijkheid en billijkheid meebrengen, alsmede dat in praktisch opzicht vaak van groot belang is de taalkundige betekenis van de bewoordingen van die stukken, gelezen in de context ervan als geheel, die deze in (de desbetreffende kring van) het maatschappelijk verkeer normaal gesproken hebben. Verder zijn bij de uitleg van belang de aard van de overeenkomst, de omvang en gedetailleerdheid van de contractsbevestiging, de wijze van totstandkoming ervan - waarbij van belang is of partijen werden bijgestaan door (juridisch) deskundige raadslieden - en de overige bepalingen ervan.

4.8.

Dat partijen de bedoeling hebben gehad om bij het sluiten van de vaststellings-overeenkomst de mogelijkheid open te houden om op de gemaakte afspraken terug te komen, komt de rechtbank niet logisch of aannemelijk voor. Deze uitleg - die neerkomt op uitholling van de volledige vaststellingsovereenkomst - staat immers op gespannen voet met de aard van een vaststellingsovereenkomst die ten doel heeft het oplossen/beëindigen van een geschil tussen partijen.

Mede in aanmerking genomen dat Agnail niet heeft weersproken dat de door haar gewenste aanpassingen van het voorstel niet zijn neergelegd in een nieuw opgemaakt schriftelijk stuk, maar ervoor gekozen is om de gewenste wijzigingen aan te brengen in het bestaande schriftelijke voorstel, komt de rechtbank de door QFR gegeven verklaring voor de passage zeer aannemelijk voor. Dat oordeel wordt ook ondersteund door het feit dat het voorbehoud niet onder de (genummerde) terms is opgenomen maar - los daarvan - op het eind van de brief.

Dat de betaling door Agnail onder de vaststellingsovereenkomst afhankelijk zou zijn van de Waterland-kwestie, zoals Agnail betoogt, blijkt ook nergens uit. In de vaststellings-overeenkomst wordt niet verwezen naar of gerefereerd aan de Waterlandkwestie, terwijl er door Agnail ook geen feiten of omstandigheden zijn gesteld danwel stukken zijn overgelegd waaruit kan worden afgeleid dat partijen beoogden om de vaststellingsovereenkomst afhankelijk te stellen van de Waterland-kwestie.

Tot slot lijkt ook Agnail in haar e-mail van 20 september 2016 het voorbehoud te betrekken op de onderhandelingsfase. Agnail heeft ook niet toegelicht hoe het voorbehoud moet worden bezien in het kader van de gesloten vaststellingsovereenkomst tussen partijen. Wat is nog de betekenis van een schikking als het vrijblijvend is?

Het verweer faalt dan ook.

4.9.

Agnail heeft in dit verband nog aangevoerd dat tussen partijen een nieuwe, althans aanvullende afspraak tot stand is gekomen, omdat QFR in de e-mailwisseling van 28 september 2017 ermee zou hebben ingestemd dat Agnail de twee resterende termijnen pas zou voldoen nadat QFR de verzochte stukken aan Agnail zou hebben verstrekt.

4.10.

QFR ontkent dat haar mededeling in de e-mail - dat zij de gevraagde documenten zal toesturen maar verwacht dat Agnail dan direct zal overgaan tot betaling - de door Agnail daaraan gegeven strekking heeft en stelt dat zij slechts uit coulance Agnail tegemoet wilde komen zonder dat daaraan de consequentie werd verbonden dat Agnail haar verplichtingen onder de vaststellingsovereenkomst mocht opschorten. Dit blijkt volgens QFR ook uit het feit dat QFR steeds betalingsverzoeken aan Agnail is blijven sturen.

4.11.

Dat QFR met haar toezegging de documenten te verstrekken de bedoeling had om aan Agnail een officieel en onherroepelijk opschortingsrecht te verstrekken, blijkt onvoldoende uit de e-mailwisseling. Wel wijzen de tekst van het e-mailbericht van 28 september 2017 (14:09 uur) van [persoon A] en de omstandigheid dat QFR in de periode tussen september 2017 en maart 2018 niet op betaling heeft aangedrongen op instemming met een tijdelijk uitstel in afwachting van de documentatie/beslissing van IL&T.

De heer [persoon A] van QFR schrijft immers:

“Dear [persoon B] ,

You will receive this documentation no problem and we expect you to confirm payment of the agreed openstanding amount in the signed contract upon arrival of these documents. Please confirm.”

Vaststaat dat QFR begin maart 2018 de brief van IL&T van 1 maart 2018 waarin staat dat QFR er met een waarschuwing vanaf komt en waaruit blijkt dat de van Agnail afkomstige lading afvalstoffen volledig is verwerkt, aan Agnail heeft doorgestuurd. Ook heeft QFR de door de afvalverwerkers Icova B.V. en Vliet Afvalverzamelaars B.V. afgegeven begeleidingsbrieven en weegbonnen waaruit blijkt dat de lading als bedrijfsafval is verwerkt aan Agnail verstrekt. Vervolgens bericht QFR in maart 2018 geen vertragingen meer te accepteren en geeft zij aan dat niet nog meer stukken worden verstrekt.

Ook hieruit blijkt dat partijen het eens zijn geweest over - althans dat QFR instemde met - een uitstel in afwachting van de beslissing van IL&T, maar dat er geen wilsovereenstemming was over een langer uitstel, hetgeen ook overeenstemt met de tekst van het bovengenoemde e-mailbericht.

4.12.

Los daarvan heeft Agnail na ontvangst van de brief van IL&T van 1 maart 2018 - waarin, kort gezegd, wordt aangegeven dat QFR er met een waarschuwing vanaf komt - haar verweer onvoldoende gemotiveerd gehandhaafd. Agnail heeft de inhoud van de brief onvoldoende gemotiveerd betwist en feiten of omstandigheden waarom Agnail daarna toch nog moest vrezen dat zij aansprakelijk zou worden gehouden, zijn gesteld noch gebleken. De stukken waarnaar Agnail verwijst (onder 12 bij conclusie van dupliek in conventie, tevens repliek in reconventie) in het kader van haar angst voor de Ierse autoriteiten dateren van 2016.

Mede in aanmerking genomen dat Agnail zelf stelt dat zij als leverancier aansprakelijk kan worden gehouden ‘totdat het materiaal is verwerkt in het productieproces of is vernietigd bij een vuilverbrander (of is terugvervoerd naar Ierland)’, had het op de weg van Agnail gelegen om gemotiveerd en gedocumenteerd aan te geven waarom de mededeling van IL&T dat het betreffende materiaal inmiddels was verwerkt, ontoereikend was.

Dat - zoals Agnail stelt - de toegezonden stukken niet toereikend zijn, omdat de mededeling van QFR ‘dat een aparte bevestiging van QFR dat zij Agnail niet aansprakelijk zal stellen en geen schadevergoeding zal vorderen, niet nodig is’, Agnail niet vrijwaart van vorderingen tegen derden, kan Agnail QFR niet tegenwerpen. QFR heeft immers niet de mogelijkheid om Agnail te verzekeren dat zij niet door derden zal worden aangesproken. Dit ligt immers niet in haar macht.

Ook in het verweer van Agnail dat de meetbonnen geen betrekking zouden hebben op de betreffende lading vanwege een afwijkend gewicht, gaat de rechtbank niet mee.

Niet alleen heeft Agnail - nadat QFR een onderbouwde verklaring had gegeven voor het verschil in gewicht van de weegbonnen - de stukken onvoldoende gemotiveerd weersproken, maar bovendien staat vast dat de lading al lang is vernietigd zodat elk belang hierbij ontbreekt.

Daar komt bij dat gelet op het tijdsverloop van inmiddels enkele jaren (de Waterlandkwestie speelt vanaf 2015/2016) en de omstandigheid dat noch de Nederlandse (IL&T) noch de Ierse autoriteiten zijn overgegaan tot enige actie jegens of aansprakelijkstelling van Agnail, zelfs indien de aanvullende afspraak niet zou zijn vervuld, Agnail in alle redelijkheid thans geen beroep meer kan doen op een haar toekomend opschortingsrecht.

slotsom

4.13.

De slotsom luidt dan ook dat Agnail gehouden is om de vaststellingsovereenkomst onverkort na te komen. Vaststaat immers dat zij - nu haar geen opschortingsrecht (meer) toekomt - toerekenbaar tekortgekomen is in de nakoming van haar betalingsverplichtingen onder de overeenkomst. Nu de overeenkomst ook niet is ontbonden en Agnail evenmin beroep heeft gedaan op vernietiging van de overeenkomst als bedoeld in artikel 7:904 lid 1 BW - en in dat verband ook niet aanvoert waarom gebondenheid aan de vaststellingsovereenkomst naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn en moet leiden tot vernietiging - rusten de daaruit voortvloeiende betalingsverplichtingen nog steeds op Agnail.

De vordering zal dan ook - nu de hoogte van de hoofdsom van € 109.975,84 (bestaande uit twee openstaande deelbetalingen van € 22.269,70 en de verschuldigd geworden factuur van [kenmerknummer 3] van € 65.436,45) niet is betwist - met inbegrip van rente en kosten worden toegewezen.

4.14.

Agnail zal, als de in ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van de procedure. Nu de rechtbank Den Haag reeds een kostenveroordeling heeft opgenomen waarin het door QFR betaalde griffierecht is verdisconteerd en QFR hier geen aanvullend griffierecht heeft betaald, ziet de proceskostenveroordeling uitsluitend op het door QFR betaalde salaris voor de advocaat dat tot op heden bepaald wordt op een bedrag van

€ 2.228,- ( 2 punten x € 1.114,-, tarief V).

4.15.

De gevorderde veroordeling in de nakosten is in het kader van deze procedure slechts toewijsbaar voor zover deze kosten op dit moment reeds kunnen worden begroot. De nakosten worden dan ook toegewezen op de wijze zoals in de beslissing vermeld.

in reconventie

4.16.

Agnail maakt enerzijds aanspraak op terugbetaling van hetgeen zij reeds onder de vaststellingsovereenkomst heeft betaald en anderzijds aanspraak op gederfde winst en kosten.

Agnail stelt dat zij facturen [kenmerknummer 2] en [kenmerknummer 3] steeds heeft betwist en dat de vaststellingsovereenkomst was aangegaan onder voorbehoud van alle rechten.

Nu QFR toerekenbaar tekort komt door de gevraagde documenten niet te overleggen en nu na ondertekening is gebleken dat QFR al plannen had om haar activiteiten te verkopen en/of haar handel te stoppen, zou Agnail de vaststellingsovereenkomst niet zijn aangegaan. Nu ook nog onzeker is of Agnail nadelige financiële of juridische gevolgen zal ondervinden van de aanpak van QFR, stelt Agnail dat zij ten onrechte € 22.269,70 heeft betaald betreffende factuur [kenmerknummer 2] .

4.17.

Agnail maakt daarnaast aanspraak op vergoeding van een bedrag van € 45.000,- aan gederfde winst, omdat zij zich door de Waterland-problematiek moest terugtrekken uit overeenkomsten die ook in relatie stonden met de Waterland-kwestie. Tot slot stelt Agnail recht te hebben op kosten van rechtsbijstand ter hoogte van € 18.000,- en ‘reis-, administratie- en directeur-tijdkosten’ van € 25.000,-.

4.18.

QFR voert verweer. QFR voert aan dat er geen gronden zijn voor de terugbetaling van hetgeen Agnail heeft betaald onder de vaststellingsovereenkomst. Daarnaast betwist QFR zowel de verschuldigdheid als de hoogte van de door Agnail gevorderde gederfde winst en kosten.

terugbetaling onder de vaststellingsovereenkomst

4.19.

De rechtbank overweegt hierover als volgt.

Zoals in conventie is overwogen is niet gebleken dat QFR toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van de vaststellingsovereenkomst. Er is immers niet komen vast te staan dat het oplossen van de Waterland-kwestie onderdeel daarvan uitmaakte. Bovendien is evenmin gebleken dat Agnail de vaststellingsovereenkomst heeft vernietigd wegens dwaling danwel dat de overeenkomst tussen partijen is ontbonden. Van een daaruit voortvloeiende terugbetalingsverplichting is dan ook evenmin sprake.

Voor zover Agnail beroep doet op een wilsgebrek wegens haar onbekendheid met het voornemen van QFR om de onderneming te verkopen - gaat dit niet op. Het enkele feit dat QFR mogelijk reeds plannen had om haar activiteiten te verkopen, heeft geen betekenis voor de verschuldigdheid van de drie facturen uit de vaststellingsovereenkomst.

Evenmin is gesteld of gebleken dat QFR voor de Waterland-kwestie aansprakelijk zou zijn.

Het had op de weg van Agnail gelegen om gemotiveerd en gedocumenteerd aan te geven waarom QFR hiervoor aansprakelijk zou zijn, hetgeen zij heeft nagelaten. Hierop stuiten ook de overige schadevorderingen af.

De reconventionele vordering zal daarom, als niet althans onvoldoende onderbouwd, worden afgewezen. Aan bewijslevering komt de rechtbank dan ook niet toe.

4.20.

Agnail zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van de procedure, tot op heden aan de zijde van QFR bepaald op € 1.114,- aan salaris voor de advocaat (zijnde de helft van het toegewezen salaris in conventie).

5. De beslissing

De rechtbank

in conventie

veroordeelt Agnail om, tegen behoorlijk bewijs van kwijting, aan QFR te betalen een bedrag van € 109.975,84, vermeerderd met de wettelijke handelsrente vanaf 25 november 2016 tot aan de dag van de volledige betaling;

veroordeelt Agnail om, tegen behoorlijk bewijs van kwijting, aan QFR te betalen een bedrag van € 1.874,75 aan buitengerechtelijke kosten, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag van dagvaarding tot aan de dag van de volledige betaling;

veroordeelt Agnail in de kosten van de procedure, tot op heden aan de zijde van QFR bepaald op € 2.228,- aan salaris voor de advocaat, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 14 dagen na dagtekening van het vonnis tot aan de dag van de volledige betaling;

veroordeelt Agnail in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 163,- aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis is voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 85,- aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak, en te vermeerderen met de wettelijke rente over de nakosten met ingang van veertien dagen na de betekening van dit vonnis tot aan de voldoening;

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders gevorderde;

in reconventie

wijst de vordering af;

veroordeelt Agnail in de kosten van de procedure, tot op heden aan de zijde van QFR bepaald op € 1.114,- aan salaris voor de advocaat.

Dit vonnis is gewezen door mr. P.C. Santema. Het is ondertekend door de rolrechter en door deze in het openbaar uitgesproken op 22 december 2021.

1182/32


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde advocaten

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature