< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak




U dient ingelogd te zijn om favorieten te kunnen toevoegen aan Mijn Jure
U kunt zich hier gratis registreren
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Zittingsplaats:
Instantie:
Vindplaats:

Inhoudsindicatie:

De verdachte wordt veroordeeld voor het feitelijke leidinggeven aan het door de verdachte rechtspersoon handelen in strijd met de in artikel 9.2. 1.2 Wm vastgelegde zorgplicht. In het bedrijf, waarvan de verdachte directeur was, werd dagelijks gewerkt met de kankerverwekkende stof chroom-6. De verdachte heeft jarenlang nagelaten afdoende maatregelen te treffen om de gevaren van het werken met chroom-6 voor zijn werknemers en het milieu te beperken. Werknemers waren niet op de hoogte van het gevaar van deze stof, werden nauwelijks voorgelicht over hoe zij met deze stof moesten werken en beschikten niet over (de juiste) persoonlijke beschermingsmiddelen. Ook werd chroom-6 houdende vloeistof in het riool geloosd. Overschrijding van de redelijke termijn, het feit dat de verdachte direct alle maatregelen heeft getroffen waartoe de arbeidsinspectie het bedrijf verplichtte en dat niet is gebleken dat nadien nog arbeids- of milieuregelgeving is overtreden, weegt de rechtbank in strafmatigende zin mee. De rechtbank legt aan de verdachte een geldboete van € 30.000,- op. De verdachte wordt verder veroordeel om aan acht voormalige werknemers, die zich als benadeelde partij hebben gesteld, een bedrag van € 5.000,- per persoon aan immateriële schadevergoeding te betalen o.g.v. art. 6:106, aanhef en onder b BW.

Uitspraak



Rechtbank Rotterdam

Team straf 1

Parketnummer: 10/994504-18

Datum uitspraak: 23 december 2021

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige economische kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[naam verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats verdachte] op [geboortedatum verdachte] ,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:

[adres verdachte] ,

raadsvrouw mr. A. Sennef, advocaat te Utrecht.

1. Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 2 en 23 december 2021.

2. Tenlastelegging

Aan de verdachte (hierna ook: [naam verdachte] ) is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

Kort gezegd wordt [naam verdachte] ervan beschuldigd dat hij feitelijke leiding heeft gegeven aan de door [naam verdachte rechtspersoon] (hierna: [naam verdachte rechtspersoon] ) verrichte verboden gedraging dat [naam verdachte rechtspersoon] haar werknemers heeft laten werken met chroom-VI-oxide (hierna: chroom-6) houdende stoffen, terwijl die werknemers onvoldoende beschermd waren. Die bescherming was wel nodig want chroom-6 is gevaarlijk, zelfs kankerverwekkend en dat wist [naam verdachte rechtspersoon] . [naam verdachte rechtspersoon] had dus maatregelen hiervoor moeten treffen, maar heeft dat nagelaten. Ook heeft [naam verdachte rechtspersoon] , volgens de beschuldiging, geen maatregelen getroffen om de gevaren van chroom-6 voor het milieu in te perken.

3. Eis officier van justitie

De officier van justitie mr. M. van Heemst heeft gevorderd:

(partiële) vrijspraak van het ten laste gelegde feitelijke leidinggeven over de periode november 2012 tot april 2013;

bewezenverklaring van het overige ten laste gelegde;

veroordeling van [naam verdachte] tot een geldboete van € 40.000,- subsidiair 120 dagen hechtenis.

4. Waardering van het bewijs

4.1.

Standpunt van de verdediging

De verklaringen van de aangevers en hun nadere verhoren zijn onbetrouwbaar en moeten om die reden van het bewijs worden uitgesloten. Uit het dossier blijkt, anders dan zij hebben verklaard, dat er binnen [naam verdachte rechtspersoon] niet op grote schaal met chroom-6 houdende producten werd gewerkt, omdat het overgrote deel van het spuitwerk werd uitbesteed aan andere bedrijven. Bovendien blijkt uit het dossier dat bij het werken met chroom-6 houdende producten wel verschillende persoonlijke beschermingsmiddelen (hierna: PBM’s) aan de werknemers ter beschikking waren gesteld.

Vrijspraak dient te volgen van de volgende onderdelen van het ten laste gelegde feit die zien op het verwijt dat [naam verdachte rechtspersoon] wordt gemaakt:

‘beroepshalve’ en ‘en telkens wist en/of redelijkerwijs had kunnen vermoeden dat door haar handelingen met die stof(fen) en/of (dat) prepara(a)t(en) gevaren konden optreden voor de gezondheid van de mens en/of voor het milieu’. Niet [naam verdachte rechtspersoon] zelf maar haar medewerkers hebben beroepshalve chroom-6 houdende preparaten toegepast en handelingen met die preparaten verricht;

het eerste, tweede en vierde gedachtestreepje. [naam verdachte rechtspersoon] heeft geen opzet gehad op een onvoldoende goede voorlichting over en een gebrekkig toezicht op het werken met PBM’s bij het verven, schuren en alodineren met chroom-6 houdende preparaten;

achter het eerste gedachtestreepje de namen ‘ [naam 1] ’, ‘ [naam 2] ’ en ‘ [naam 3] ’. Zij hebben nimmer met chroom-6 houdende preparaten binnen [naam verdachte rechtspersoon] gewerkt en zij behoefden daarom niet over de gevaren van chroom-6 te worden voorgelicht. Ook de namen ‘ [naam 4] ’ en ‘ [naam 5] ’. Zij hebben hun aangifte niet willen bekrachtigen in een verhoor. Daarmee ontbreekt toetsbaar en betrouwbaar bewijs voor het ten aanzien van hen aan [naam verdachte rechtspersoon] gemaakte verwijt;

het vijfde gedachtestreepje. [naam leverancier] was geen alternatief voor de binnen [naam verdachte rechtspersoon] gebruikte, chroom-6 houdende verf.

Het feitelijke leidinggeven door [naam verdachte] kan ook niet worden bewezen. Voor de dagelijkse leiding van het bedrijf heeft [naam verdachte] steeds operationele managers aangesteld. Hiermee heeft hij aan zijn zorgplicht voldaan. De directe aansturing van de productiemedewerkers in de werkplaats gebeurde door de chef van de werkplaats. De materiële verantwoordelijkheid voor het werken met gevaarlijke stoffen, veiligheid en milieu lag daarom feitelijk bij de operationeel manager en de chef van de werkplaats. [naam verdachte] hield zich slechts bezig met de financiën en de strategie van [naam verdachte rechtspersoon] . Hij had ook geen wetenschap van de gedragingen die [naam verdachte rechtspersoon] worden verweten.

4.2.

Beoordeling

4.1.1.

Inleiding

Op grond van de inhoud van de aan dit vonnis gehechte bewijsmiddelen gaat de rechtbank bij haar beoordeling uit van de volgende feiten en omstandigheden.

[naam verdachte rechtspersoon] is een bedrijf dat gespecialiseerd is in de bouw en het onderhoud van radarantennesystemen. Zij levert onder meer grote radarantennes aan de scheep- en luchtvaart. Dit is een nichemarkt, waarin [naam verdachte rechtspersoon] een unieke positie inneemt.

[naam verdachte] was sinds 1992 betrokken bij [naam verdachte rechtspersoon] (toen nog genaamd [naam bedrijf 1] ). In eerste instantie was hij ingehuurd als crisismanager en in 1994 heeft hij het bedrijf overgenomen. Tot 2008 was [naam verdachte] indirect de enige bestuurder van [naam verdachte rechtspersoon] . Van 1 januari 2008 tot 10 november 2011 was [naam 6] directeur van [naam verdachte rechtspersoon] . Daarna was [naam verdachte] (via [naam bedrijf 2] en [naam bedrijf 3] ) wederom enig bestuurder en directeur van [naam verdachte rechtspersoon] ; dit tot zijn uittreding uit het bedrijf in september 2020.

In de ten laste gelegde periode werkten gemiddeld ongeveer 24 mensen bij [naam verdachte rechtspersoon] . Een groot deel van hen werkte in de werkplaats en/of in één van de daaraan grenzende ruimtes zoals de chemische ruimte. Zij hielden zich daar onder meer bezig met het schuren, dompelen en spuiten van antennes. Daarbij werden producten met de stof chroom-6 gebruikt. Dit betrof:

de Alodine baden, waarin de antennes handmatig werden gechromateerd;

de verf/primers Metaflex FCR en Aerodur S 15/60 cream 052700 die de werknemers op de antennes spoten; en

de verf die de werknemers van tandwielkasten schuurden.

Chroom-6 is geclassificeerd als een gevaarlijke stof, die kanker kan veroorzaken, giftig is en schadelijke effecten aan het milieu kan veroorzaken.

Volgens de veiligheidsinformatiebladen van Alodine, Metaflex en Aerodur moeten bij het werken met deze producten verschillende PBM’s worden gebruikt en moet plaatselijke afzuiging of een goede ventilatie aanwezig zijn om blootstelling aan deze chroom-6 houdende producten te beheersen/voorkomen. De leveranciers hebben bij de verkoop van de genoemde producten aan [naam verdachte rechtspersoon] steeds het toepasselijke veiligheidsinformatieblad verstrekt.

Twee leden van het managementteam van [naam verdachte rechtspersoon] , [naam 1] en [naam 2] hebben verklaard dat zij in de zomer van 2014, naar aanleiding van een televisieprogramma over het gebruik van chroom-6 houdende verf bij het ministerie van Defensie en het gevaar daarvan, erachter zijn gekomen dat ook binnen [naam verdachte rechtspersoon] met chroom-6 houdende producten werd gewerkt. [naam 1] heeft vervolgens het bedrijf [naam bedrijf 4] (hierna: [naam bedrijf 4] ) opdracht gegeven om de milieu- en arbeidsomstandigheden binnen [naam verdachte rechtspersoon] te onderzoeken. In een rapport van 12 september 2014 heeft [naam bedrijf 4] gerapporteerd dat de algemene indruk van [naam verdachte rechtspersoon] als zeer zorgelijk kon worden omschreven en dat binnen het bedrijf geen of nagenoeg geen veiligheidscultuur heerste. Er was onder meer geconstateerd dat werknemers bij het gebruik van de chroom-6 bevattende producten geen PBM’s gebruikten, er geen geschikte afzuiging was en dat chemische vloeistoffen werden afgevoerd via de gootsteen in het rioleringssysteem.

Op 16 september 2014 heeft een arbeidsinspecteur van het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid [naam verdachte rechtspersoon] bezocht. Zij heeft geconstateerd dat in de werkplaats met materiaal met kankerverwekkende componenten werd gewerkt, dat op bepaalde afdelingen zichtbaar stof aanwezig was, waarin hoogstwaarschijnlijk de kankerverwekkende componenten zaten en dat werd gewerkt zonder PBM’s. De arbeidsinspecteur heeft de werkzaamheden binnen [naam verdachte rechtspersoon] per direct stilgelegd tot noodzakelijke maatregelen zouden zijn genomen.

Op 14 oktober 2014 hebben [naam 1] en [naam 2] , mede namens acht andere werknemers van [naam verdachte rechtspersoon] onder wie zeven productiemedewerkers, aangifte gedaan tegen [naam verdachte] en [naam verdachte rechtspersoon] wegens het in gevaar brengen van hun gezondheid. In hun aangiftes hebben zij verklaard dat nooit aan hen is meegedeeld dat met de stof chroom-6 werd gewerkt en dat deze stof

kankerverwekkend is, terwijl dit al een lange tijd bij [naam verdachte rechtspersoon] en [naam verdachte] bekend moet zijn geweest. Ook hebben zij verklaard dat zij niet zijn voorgelicht over de risico’s van het werken met chroom-6, dat de productiemedewerkers niet de juiste PBM’s hebben gekregen om mee te werken, dat het bedrijf geen goede afzuiginstallatie had om de giftige dampen af te zuigen en dat de werkplaats in open verbinding stond met andere ruimtes van het bedrijf waarin overig personeel werkzaam was.

In 1998, 2003, 2011 en april 2014 hebben verschillende bedrijven een Risico Inventarisatie en -Evaluatie (hierna: RIE) uitgevoerd binnen [naam verdachte rechtspersoon] en daarover rapportages opgemaakt, die aan [naam verdachte rechtspersoon] zijn verstrekt. De conclusies en aanbevelingen in die rapportages zijn steeds nagenoeg gelijkluidend. In de rapportages wordt gemeld dat binnen [naam verdachte rechtspersoon] blootstelling plaatsvindt aan gevaarlijke en/of kankerverwekkende stoffen in de spuitruimte en in de chemische ruimte bij het chromateren. Er wordt geconcludeerd dat geen (structurele) voorlichting aan de werknemers wordt gegeven over de risico’s die aan het werken met die gevaarlijke/kankerverwekkende stoffen zijn verbonden, dat geen instructies worden gegeven aan de werknemers over de te gebruiken PBM’s bij het werken met de gevaarlijke stoffen, dat geen of PBM’s met een onvoldoende beschermingsniveau worden gebruikt en dat de afzuiging/ventilatie moet worden verbeterd. In het rapport van de RIE uit 2014 wordt vermeld dat in de chemische ruimte geen veiligheidsinformatiebladen aanwezig zijn en dat er geen structureel toezicht is op het gebruik van PBM’s. Steeds is in de RIE-rapportages aan [naam verdachte rechtspersoon] geadviseerd om werknemers op structurele basis training te geven over het werken met gevaarlijke stoffen, hen voor te lichten over de risico’s van het werken met gevaarlijke stoffen en veiligheidsinstructies en richtlijnen voor het gebruik van PBM’s op schrift te stellen en dit aan de werknemers te communiceren. Aan deze adviezen is door [naam verdachte rechtspersoon] in de ten laste gelegde periode geen gevolg gegeven.

4.1.2.

Betrouwbaarheid verklaringen aangevers

De rechtbank ziet geen reden om te twijfelen aan de betrouwbaarheid van de aangiftes en de aanvullende verklaringen van de aangevers. De verklaringen zijn concreet en gedetailleerd en komen op essentiële onderdelen met elkaar overeen. De verklaringen ondersteunen elkaar dus onderling en vinden voorts steun in andere bewijsmiddelen in het dossier, zoals de RIE-rapportages. De aangiftes en aanvullende verklaringen van de aangevers kunnen dan ook voor het bewijs worden gebruikt. Het verweer wordt verworpen.

4.1.3.

Juridisch kader

Bij de beantwoording van de vraag of een verdachte strafrechtelijk aansprakelijk kan worden gesteld ter zake van het feitelijke leidinggeven aan een door een rechtspersoon verrichte, verboden gedraging, dient eerst te worden vastgesteld of die rechtspersoon een strafbaar feit heeft begaan. Ingeval die vraag bevestigend wordt beantwoord, komt de vraag aan de orde of kan worden bewezen dat de verdachte aan die gedraging feitelijke leiding heeft gegeven.

4.1.4.

Heeft [naam verdachte rechtspersoon] een strafbaar feit begaan?

Toerekening aan de rechtspersoon

Een rechtspersoon kan worden aangemerkt als dader van een strafbaar feit indien de desbetreffende gedraging redelijkerwijs aan die rechtspersoon kan worden toegerekend.

De vraag die dus moet worden beantwoord is of de (verboden) gedraging -in dit geval het overtreden van artikel 9.2.1.2. van de Wet milieubeheer (hierna: Wm), namelijk het nalaten bepaalde maatregelen te treffen om gevaren voor de gezondheid van de mens en het milieu zoveel mogelijk te voorkomen - redelijkerwijs aan [naam verdachte rechtspersoon] kan worden toegerekend.

De toerekening van een strafbare gedraging aan de rechtspersoon is afhankelijk van de concrete omstandigheden van het geval, waartoe mede behoort de aard van de (verboden) gedraging. Een belangrijk oriëntatiepunt bij de toerekening is of de gedraging heeft plaatsgevonden dan wel is verricht in de sfeer van de rechtspersoon.

Het dompelen van de antennes in Alodine baden en het schuren en spuiten van de chroom-6 houdende primers op de antennes vond plaats binnen het productieproces bij [naam verdachte rechtspersoon] . Uit de verklaringen van de aangevers blijkt dat deze werkzaamheden iedere werkdag plaatsvonden. Het waren belangrijke werkprocessen voor [naam verdachte rechtspersoon] , omdat de antennes hierdoor langdurig beschermd werden tegen corrosie, wat de kwaliteit ten goede kwam. Het werken met chroom-6 houdende producten paste dus in de normale bedrijfsvoering van [naam verdachte rechtspersoon] .

In een bedrijf waar wordt gewerkt met dergelijke gevaarlijke en kankerverwekkende producten mag van dat bedrijf bovendien als werkgever in redelijkheid worden gevergd dat zij zorg betracht om gevaren voor de gezondheid van de medewerkers en het milieu te voorkomen. [naam verdachte rechtspersoon] had dat kunnen doen door ervoor te zorgen dat er een adequaat veiligheidsbeleid was binnen het bedrijf, waarbij voorlichting en instructie werd gegeven aan de werknemers over de risico’s van de gevaarlijke stoffen waarmee wordt gewerkt, ervoor zorg te dragen dat de werknemers de juiste PBM’s ter beschikking hadden en erop toe te zien dat de medewerkers deze PBM’s ook gebruiken en daarnaast te voorkomen dat de gevaarlijke producten in het milieu terecht kwamen. [naam verdachte rechtspersoon] was daar als werkgever ook wettelijk toe verplicht.

De rechtbank is gezien het vorenstaande van oordeel dat de aan [naam verdachte rechtspersoon] verweten gedraging

heeft plaatsgevonden in de sfeer van de rechtspersoon en daarom aan [naam verdachte rechtspersoon] is toe te rekenen.

Opzet van de rechtspersoon

De vraag die vervolgens moet worden beantwoord is of [naam verdachte rechtspersoon] opzet op de verweten gedraging had. Voor opzet van een rechtspersoon is niet vereist dat komt vast te staan dat de namens of ten behoeve van die rechtspersoon optredende natuurlijke personen met dat opzet hebben gehandeld. Het opzet van een rechtspersoon kan onder omstandigheden ook worden afgeleid uit het beleid van de rechtspersoon of de feitelijke gang van zaken binnen de rechtspersoon.

Uit de bewijsmiddelen volgt dat, hoewel binnen [naam verdachte rechtspersoon] (bij verschillende leidinggevenden en/of aansturende personen) al een lange tijd bekend was dat werd gewerkt met gevaarlijke en kankerverwekkende producten, er geen adequaat veiligheidsbeleid was. Op de werkvloer was geen aandacht voor het veilig werken met deze producten. Er werd niets gedaan met de instructies op de veiligheidsbladen die bij die chroom-6 houdende producten waren verstrekt. Ook heeft niemand uitvoering gegeven aan de aanbevelingen uit de RIE-rapportages, terwijl daarin al vanaf 1998 werd geconstateerd dat binnen [naam verdachte rechtspersoon] blootstelling plaatsvond aan gevaarlijke/kankerverwekkende stoffen en het advies werd gegeven om daar passende maatregelen voor te nemen om gevaren voor de werknemers te voorkomen of te beperken. In deze feitelijke gang van zaken binnen [naam verdachte rechtspersoon] ligt het opzet op de verweten handelingen besloten. Het verweer van de verdediging dat [naam verdachte rechtspersoon] bepaalde handelingen niet opzettelijk heeft verricht, wordt dan ook verworpen.

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat [naam verdachte rechtspersoon] , als de verdachte rechtspersoon beroepshalve chroom-6 houdende producten die gevaarlijk/kankerverwekkend kunnen zijn, heeft toegepast en, terwijl zij wist dat hierdoor gevaren konden ontstaan voor de gezondheid van haar werknemers en het milieu, niet alle maatregelen heeft genomen die redelijkerwijs van haar konden worden gevergd om die gevaren zoveel mogelijk te voorkomen of te beperken.

Het verweer dat [naam verdachte rechtspersoon] moet worden vrijgesproken van de onderdelen ‘beroepshalve’ en ‘en telkens wist’ tot en met ‘voor het milieu’ omdat [naam verdachte rechtspersoon] deze gedragingen niet zelf heeft verricht, wordt gezien het hiervoor overwogene verworpen. Voor zover de verdediging heeft willen betogen dat in het algemeen een rechtspersoon niet ‘beroepshalve’ als bedoeld in artikel 9.2.1.2 van de Wm kan handelen, wijst de rechtbank op de Memorie van Toelichting bij artikel 9.2. 1.2 Wm waaruit blijkt dat de zorgplicht die in dit artikel is vastgelegd ook voor rechtspersonen geldt.

Ten aanzien van gedachtestreepje 1

Anders dan de verdediging heeft aangevoerd, is de rechtbank van oordeel dat [naam verdachte rechtspersoon] ook ten aanzien van [naam 1] , [naam 2] , [naam 3] , [naam 4] en [naam 5] haar zorgplicht als bedoeld in art. 9.2.1.2 Wm niet is nagekomen.

[naam 1] , [naam 2] en [naam 3] werkten weliswaar niet zelf met de chroom-6 houdende producten, maar zij maakten als personeel wel deel uit van een bedrijf waarin werd gewerkt met deze producten en hadden om die reden minst genomen voorgelicht moeten worden over de risico’s van blootstelling aan deze producten. Dat geldt temeer nu [naam verdachte rechtspersoon] een klein bedrijf was, de werkplekken van [naam 1] , [naam 2] en [naam 3] zich nabij de werkplaats bevonden waar met de chroom-6 houdende producten werd gewerkt en zij op hun werkplekken geregeld werden geconfronteerd met uit de werkplaats afkomstige schuurstof en verfdampen waarin chroom-6 aanwezig was.

Voor [naam 4] en [naam 5] geldt dat zij aangifte hebben gedaan tegen [naam verdachte rechtspersoon] , welke aangifte gelijkluidend is aan de aangifte van de andere aangevers. Zij waren in de ten laste gelegde periode werkzaam in de werkplaats van [naam verdachte rechtspersoon] en hebben dus onder dezelfde omstandigheden gewerkt als de andere werknemers die in de tenlastelegging worden genoemd (en ten aanzien van wie de rechtbank hiervoor heeft overwogen dat [naam verdachte rechtspersoon] haar zorglicht niet is nagekomen). Het enkele feit dat [naam 4] en [naam 5] na hun aangifte geen aanvullende verklaring hebben afgelegd, betekent niet dat ten aanzien van [naam 4] en [naam 5] geen sprake is van een schending van de zorglicht.

Partiële vrijspraak gedachtestreepje 5

Ten laste is gelegd dat [naam verdachte rechtspersoon] er onvoldoende op heeft toegezien dat door haar werknemers gebruik werd gemaakt van een alternatieve verf, genaamd [naam leverancier] , die geen chroom-6 bevat.

Uit het dossier volgt dat [naam verdachte rechtspersoon] begin 2011 een alternatief product voor de Alodine heeft aangeschaft, genaamd [naam leverancier] , dat geen chroom-6 bevat, en dat dit product jarenlang ongebruikt in de chemicaliënruimte van [naam verdachte rechtspersoon] heeft gestaan. Alodine is echter geen ‘verf’, zoals ten laste is gelegd. Verder blijkt uit het dossier niet dat binnen [naam verdachte rechtspersoon] een alternatief aanwezig was voor de door [naam verdachte rechtspersoon] gebruikte verf/primers Metaflex en Aerodur.

Het onder gedachtestreepje 5 ten laste gelegde kan daarom niet worden bewezen. [naam verdachte rechtspersoon] zal worden vrijgesproken van dit onderdeel van de tenlastelegging.

4.1.5.

Feitelijke leidinggeven door de verdachte

De vraag die de rechtbank vervolgens moet beantwoorden is of [naam verdachte] feitelijke leiding heeft gegeven aan de hiervoor bewezenverklaarde gedraging van [naam verdachte rechtspersoon] .

Volgens bestendige jurisprudentie kan van feitelijke leidinggeven sprake zijn indien de verboden gedraging het onvermijdelijke gevolg is van het algemene, door de verdachte (bijvoorbeeld als bestuurder) gevoerde beleid.

Onder omstandigheden kan ook een meer passieve rol tot het oordeel leiden dat een verboden gedraging daardoor zodanig is bevorderd dat van feitelijke leidinggeven kan worden gesproken. Dat kan in het bijzonder het geval zijn bij de verdachte die bevoegd en redelijkerwijs gehouden is maatregelen te treffen ter voorkoming of beëindiging van verboden gedragingen en die zulke maatregelen achterwege laat.

In feitelijke leidinggeven ligt daarnaast een zelfstandig opzetvereiste op de verboden gedraging besloten.

Rol van de verdachte

[naam 6] nam in 2008 het stokje van [naam verdachte] over en werd directeur van [naam verdachte rechtspersoon] . Daarmee lag, zoals [naam 6] heeft verklaard, de verantwoordelijkheid voor de dagelijkse operationele werkzaamheden bij hem en kon [naam 6] beslissingen nemen aangaande de bedrijfsvoering. [naam verdachte] bleef echter wel betrokken bij [naam verdachte rechtspersoon] . Voor beslissingen over zaken die de gewone bedrijfsvoering overstegen, moest hij dus nog steeds met [naam verdachte] overleggen.

Met ingang van 11 november 2011, is [naam verdachte] (wederom) directeur van [naam verdachte rechtspersoon] geworden. Het door de verdediging geschetste beeld dat [naam verdachte] zich toen binnen [naam verdachte rechtspersoon] enkel bezig hield met de financiën en de strategie en zich niet met de dagelijkse leiding bemoeide, vindt in het dossier geenszins bevestiging. [naam verdachte] heeft weliswaar voor de dagelijkse gang van zaken binnen [naam verdachte rechtspersoon] vanaf november 2011 verschillende operationele managers in dienst gehad, maar uit de verklaringen van meerdere aangevers en getuigen blijkt dat [naam verdachte] ‘de grote baas’ was binnen [naam verdachte rechtspersoon] , dat hij alles wilde weten en dat zijn mening doorslaggevend was. Als hij wilde dat er iets gebeurde dan kwam men daar niet onderuit. Verder blijkt uit die verklaringen dat [naam verdachte] geregeld op de werkvloer en ook in de werkplaats aanwezig was en zich met allerlei (dagelijkse) werkzaamheden van het bedrijf bezig hield.

Gelet op de rol die [naam verdachte] innam bij [naam verdachte rechtspersoon] is de rechtbank van oordeel dat hij vanaf het begin van de tenlastegelegde periode, te weten november 2012, als feitelijke leidinggever bevoegd en redelijkerwijs gehouden was om de nodige maatregelen te treffen om de gevaren die door het werken met de chroom-6 houdende producten konden ontstaan voor de gezondheid van haar werknemers en het milieu, zoveel mogelijk te voorkomen of te beperken.

Het feit dat binnen [naam verdachte rechtspersoon] andere leidinggevenden of aansturende personen werkzaam waren die mogelijk ook hadden moeten of kunnen ingrijpen om het veiligheidsbeleid binnen [naam verdachte rechtspersoon] te verbeteren, ontslaat [naam verdachte] niet van zijn eigen verantwoordelijkheid.

Opzet

Naar het oordeel van de rechtbank heeft [naam verdachte] als feitelijke leidinggever opzet op de verboden gedraging gehad. [naam verdachte] was vanaf 1992, toen hij zijn werkzaamheden bij [naam verdachte rechtspersoon] begon, ervan op de hoogte dat binnen [naam verdachte rechtspersoon] met chroom-6 houdende producten werd gewerkt. Ook was hij op de hoogte van de RIE-rapportages van 2003, 2011 en 2014, waarin telkens werd beschreven dat veel schortte aan het veiligheidsbeleid binnen [naam verdachte rechtspersoon] en dat onvoldoende maatregelen werden getroffen om de werknemers van [naam verdachte rechtspersoon] te beschermen tegen de gevaren van het werken met gevaarlijke/kankerverwekkende stoffen. Desondanks heeft [naam verdachte] onvoldoende gedaan, althans ten minste willens en wetens de aanmerkelijke kans aanvaard dat daarmee onvoldoende werd gedaan door [naam verdachte rechtspersoon] . Hij heeft geen uitvoering gegeven of laten geven aan de aanbevelingen uit de RIE-rapportages en niet gecontroleerd of de aanbevelingen werden opgevolgd.

Conclusie

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat [naam verdachte] vanaf november 2012 feitelijke leiding heeft gegeven aan het door [naam verdachte rechtspersoon] opzettelijk niet nakomen van haar zorgplicht op grond van artikel 9.2. 1.2 Wm.

4.2.

Bewezenverklaring

In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

de rechtspersoon [naam verdachte rechtspersoon] in de periode van 1 januari 2010 tot en met 16 september 2014 te [adres] , meermalen, als degene die beroepshalve preparaten toepast, te weten chroom-6 houdende verf en vloeistof (Metaflex FCR primer en Aerodur Primer S 15/60, cream 052700 en Alodine 1200 Brush Vloeistof), zijnde stoffen die gevaarlijk/kankerverwekkend kunnen zijn, en telkens wist dat door haar

handelingen met die preparaten gevaren konden optreden voor de gezondheid van de mens en voor het milieu, telkens opzettelijk, niet alle maatregelen heeft genomen die redelijkerwijs van haar konden worden gevergd, teneinde die gevaren zoveel mogelijk te voorkomen en/of te beperken immers,

- werden/waren haar werknemers, te weten [naam 1] en [naam 2] en [naam 7] en [naam 8] en [naam 4] en [naam 9] en [naam 10] en [naam 5] en [naam 3] en [naam 11] en [naam 12] , niet doeltreffend ingelicht/voorgelicht over het werken met chroom-6 houdende verf en vloeistof en de daaraan verbonden risico’s van (mogelijke) blootstelling aan chroom-6 (verbindingen) en- werd/was onvoldoende toezicht gehouden op het gebruik door een of meer van die medewerkers van persoonlijke beschermingsmiddelen tijdens het spuiten en schuren en chromatiseren (geven van Alodine baden) met chroom-6 houdende verf of vloeistof en- werd/was niet voorkomen dat bedrijfsafvalwater met chroom-6 houdende vloeistof in het riool werd/was geloosd door voorwerpen na behandeling (in de dompel- en zuurbaden) met Alodine onder de kraan af te spoelen en- werd/was niet voorkomen dat chroom-6 houdende spuitnevel ongefilterd afgezogen werd (door te spuiten met chroom-6 houdende verf met een opzij geschoven filter in de spuitwand),

aan welke verboden gedraging verdachte in de periode van november 2012 tot en met 16 september 2014 feitelijke leiding heeft gegeven.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

5. Strafbaarheid feit

Het bewezen feit levert op:

overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 9.2.1.2 van de Wet milieubeheer , opzettelijk begaan door een rechtspersoon, terwijl hij feitelijke leiding heeft gegeven aan die gedraging, meermalen gepleegd.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Het feit is dus strafbaar.

6. Strafbaarheid verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.

De verdachte is dus strafbaar.

7. Motivering straf

7.1.

Algemene overweging

De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het feit is begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte en zijn draagkracht. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

7.2.

Feit waarop de straf is gebaseerd

[naam verdachte rechtspersoon] heeft zich schuldig gemaakt aan het jarenlang nalaten afdoende maatregelen te nemen om de gevaren van het werken met producten met de gevaarlijke en kankerverwekkende stof chroom-6 voor de gezondheid van haar werknemers en het milieu zoveel mogelijk te beperken, terwijl [naam verdachte] , directeur van [naam verdachte rechtspersoon] , feitelijke leiding heeft gegeven aan die verboden gedraging. Hoewel de werknemers van [naam verdachte rechtspersoon] dagelijks werkten met chroom-6 houdende producten en [naam verdachte] van de gevaren van deze producten afwist, werden zij niet of nauwelijks voorgelicht over hoe moest worden gewerkt met deze producten, welke persoonlijke beschermingsmiddelen daarbij moesten worden gebruikt en wat de risico’s van blootstelling aan deze producten waren. De werknemers gebruikten geen of niet de juiste persoonlijke beschermingsmiddelen bij het werken met de chroom-6 houdende producten en zij werden daar ook niet op gecontroleerd of voor gewaarschuwd. Ook werd geregeld chroom-6 houdende verfnevel ongefilterd afgezogen waardoor het via de schoorsteen in de open lucht terecht kwam en werd chroom-6 houdende vloeistof via de gootsteen in het riool geloosd. Dit alles lijkt voort te komen uit een zekere nonchalance; er werd al twintig jaar op dezelfde wijze binnen [naam verdachte rechtspersoon] gewerkt, er werden kwalitatief goede producten geleverd dus er werd geen aanleiding gezien het werkproces te veranderen of andere materialen in te kopen. Door deze houding is [naam verdachte] echter ernstig tekort geschoten in zijn zorgplicht jegens zijn werknemers en het milieu en heeft hij een onveilige situatie voor zijn werknemers en het milieu laten ontstaan. De rechtbank neemt het [naam verdachte] kwalijk dat hij zichzelf niet verantwoordelijk voor deze situatie voelt en de schuld volledig bij anderen legt.

7.3.

Persoonlijke omstandigheden van de verdachte

De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van 29 oktober 2021, waaruit blijkt dat [naam verdachte] niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.

7.4.

Conclusies van de rechtbank

Gelet op hetgeen de rechtbank hierboven heeft overwogen, komt zij tot de volgende conclusies.

Gezien de ernst van het feit en de straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd, is in beginsel het opleggen van een forse geldboete passend. De rechtbank ziet in de hierna genoemde omstandigheden aanleiding een enigszins lagere geldboete op te leggen dan de officier van justitie heeft geëist.

Het feit is inmiddels meer dan zeven jaar geleden gepleegd en er is sprake van een overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM , wat niet aan [naam verdachte] te wijten is.

[naam verdachte] heeft, nadat de arbeidsinspecteur op 16 september 2014 de werkzaamheden in het bedrijf had stilgelegd, direct alle maatregelen binnen [naam verdachte rechtspersoon] getroffen waartoe [naam verdachte rechtspersoon] door de arbeidsinspecteur werd verplicht. Ook zijn in de jaren erna vele verbeteringen op het gebied van de veiligheid voor de werknemers in het bedrijf doorgevoerd en wordt nu niet meer gewerkt met chroom-6 houdende producten.

Tot slot is niet gebleken dat nadien de voor [naam verdachte rechtspersoon] geldende arbeid- en milieuregelgeving nogmaals zijn overtreden.

Alles afwegend acht de rechtbank het opleggen van een geldboete van € 30.000,- passend en geboden.

8. Vorderingen benadeelde partijen/schadevergoedingsmaatregel

Als benadeelde partij hebben zich in het geding gevoegd:

[naam benadeelde 1] . Hij vordert een vergoeding van € 11.210,70 aan materiële schade en een vergoeding van € 300.000,- aan immateriële schade;

[naam benadeelde 2] . Hij vordert een vergoeding van € 250.000,- aan immateriële schade;

[naam benadeelde 3] . Hij vordert een vergoeding van € 150.000,- aan immateriële schade;

[naam benadeelde 4] . Hij vordert een vergoeding van € 120.000,- aan immateriële schade;

[naam benadeelde 5] . Hij vordert een vergoeding van € 254,95 aan materiële schade en een vergoeding van € 40.000,- aan immateriële schade;

[naam benadeelde 6] . Hij vordert een vergoeding van € 200,- per jaar aan materiële schade en een vergoeding van € 7.500,- aan immateriële schade;

[naam benadeelde 7] . Hij vordert een vergoeding van € 7.500,- aan immateriële schade;

[naam benadeelde 8] . Hij vordert een vergoeding aan immateriële schade. Hij heeft geen bedrag op het schadevergoedingsformulier ingevuld.

8.1.

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie heeft zich ten aanzien van de vorderingen gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

8.2.

Standpunt verdediging

De verdediging heeft geconcludeerd de benadeelde partijen niet-ontvankelijk in hun vorderingen te verklaren dan wel de vorderingen af te wijzen.

8.3.

Beoordeling

8.3.1

Immateriële schade

De grondslag van de vorderingen

De benadeelde partijen hebben aan hun vordering tot vergoeding van immateriële schade ten grondslag gelegd dat [naam verdachte] hen jarenlang tijdens hun werkzaamheden bij [naam verdachte rechtspersoon] willens en wetens heeft blootgesteld aan de gevaarlijke en kankerverwekkende stof chroom-6 zonder hen over de gevaren daarvan te informeren. Meerdere van hen hebben aangevoerd dat zij continu angst ondervinden om ernstig ziek te worden door hun (soms jarenlange) werkzaamheden bij [naam verdachte rechtspersoon] en hier erg onder lijden.

In artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) wordt de mogelijkheid tot vergoeding van een ander nadeel van vermogensschade (immateriële schade) geregeld.

Gezien de grondslag van de vorderingen begrijpt de rechtbank dat de benadeelde partijen zich beroepen op artikel 6:106, aanhef en onder b, BW, waarin onder meer is bepaald dat recht bestaat op een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding indien de benadeelde op andere wijze in zijn persoon is aangetast.

Toewijsbaarheid vorderingen

Voor de toewijsbaarheid van een vordering gebaseerd op de aantasting in zijn persoon ‘op andere wijze’ als bedoeld in het hiervoor genoemde wetsartikel is volgens de Hoge Raad in ieder geval sprake indien de benadeelde geestelijk letsel heeft opgelopen. Degene die zich hierop beroept, zal voldoende concrete gegevens moeten aanvoeren waaruit kan volgen dat in verband met de omstandigheden van het geval psychische schade is ontstaan. Daartoe is vereist dat naar objectieve maatstaven het bestaan van geestelijk letsel kan worden vastgesteld.

Ook als het bestaan van geestelijk letsel in voornoemde zin niet kan worden aangenomen, is niet uitgesloten dat de aard en de ernst van de normschending en van de gevolgen daarvan voor de benadeelde, meebrengen dat van de in artikel 6:106, aanhef en onder b, BW bedoelde aantasting in zijn persoon ‘op andere wijze’ sprake is. In zo een geval zal degene die zich hierop beroept de aantasting in zijn persoon met concrete gegevens moeten onderbouwen. Dat is slechts anders indien de aard en de ernst van de normschending meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen.

Omdat de benadeelde partijen hun beroep op de aantasting in hun persoon niet met concrete gegevens hebben onderbouwd (bijvoorbeeld middels een rapportage van een psycholoog), ligt de vraag voor of de aard en de ernst van de normschending meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde partijen zo voor de hand liggen, dat ook zonder die nadere onderbouwing een aantasting in de persoon kan worden aangenomen.

[naam verdachte rechtspersoon] was een bedrijf waar het werken met chroom-6 houdende producten een belangrijk onderdeel van de werkprocessen uitmaakte. Van chroom-6 is bekend dat het ernstige gezondheidsschade zoals kanker kan veroorzaken. Ondanks de wetenschap dat zijn werknemers met deze voor de gezondheid schadelijke producten werkten, heeft [naam verdachte] hen daarmee jarenlang op een onveilige manier laten werken, door hen niet over die producten voor te lichten en niet de juiste beschermende maatregelen voor hen te treffen, waardoor zijn werknemers bijna dagelijks werden blootgesteld aan chroom-6. Naar het oordeel van de rechtbank heeft [naam verdachte] daarmee een grove inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van hun werknemers. Gelet op de hiervoor beschreven aard en ernst van de normschending en daarbij genomen de wetenschap dat het vele jaren kan duren voordat eventuele door chroom-6 veroorzaakte gezondheidsschade zich openbaart, is de rechtbank van oordeel dat het voor de hand ligt dat de benadeelde partijen hierdoor leven met de angst voor gezondheidsschade. Dat betekent dat ten aanzien van de benadeelde partijen een aantasting in de persoon als bedoeld in artikel 6:106, aanhef en onder b, BW kan worden aangenomen en dat zij recht hebben op een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding.

Hoogte immateriële schadevergoeding

Om voor iedere benadeelde partij afzonderlijk naar billijkheid de totale omvang van door hem geleden schade vast te stellen, zou de rechtbank nader onderzoek moeten doen naar verschillende factoren die bij de vaststelling daarvan een rol zouden kunnen spelen. Dat onderzoek zou een uitgebreide, nadere behandeling vereisen. Een dergelijk nader onderzoek levert daarmee een onevenredige belasting van het strafgeding op. De rechtbank zal daarom naar billijkheid een bedrag aan schade vaststellen, waar naar haar oordeel iedere benadeelde partij in de gegeven omstandigheden in ieder geval redelijkerwijs ten minste recht op heeft. De rechtbank stelt dit bedrag vast op € 5.000,-.

Hoewel de benadeelde partij [naam benadeelde 8] geen bedrag in zijn vordering heeft genoemd, zal ook aan hem een bedrag van € 5.000,- aan immateriële schadevergoeding worden toegewezen. [naam benadeelde 8] heeft aangevoerd dat hij immateriële schade heeft geleden en de rechtbank begrijpt dat hij daaraan hetzelfde ten grondslag heeft gelegd als andere benadeelde partijen, te weten de angst om ziek te worden door blootstelling aan chroom-6. [naam benadeelde 8] heeft onder precies dezelfde omstandigheden bij [naam verdachte rechtspersoon] gewerkt als de andere benadeelde partijen. Onder deze omstandigheden acht de rechtbank voormeld bedrag ook ten aanzien van [naam benadeelde 8] toewijsbaar.

Een aantal benadeelde partijen heeft (ook) immateriële schadevergoeding gevorderd op andere gronden. [naam benadeelde 2] heeft aangevoerd dat bij hem in 2019 kanker is geconstateerd en dat hij vermoedt dat dit verband houdt met de blootstelling aan chroom-6 bij [naam verdachte rechtspersoon] . [naam benadeelde 1] heeft aangevoerd dat hij immateriële schade heeft geleden door brieven die hij in het kader van zijn ontslag van [naam verdachte rechtspersoon] heeft ontvangen en het detectivebureau dat [naam verdachte rechtspersoon] heeft ingeschakeld. Ook voor deze schadeposten geldt dat de rechtbank nader onderzoek zou moeten doen naar de gegrondheid hiervan en dat dit een onevenredige belasting van het strafgeding zou opleveren.

Daarom zullen de benadeelde partijen voor het meer dan € 5.000,- aan immateriële schade gevorderde niet-ontvankelijk worden verklaard en zal worden bepaald dat dit deel van hun vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

8.3.2

Materiële schade

[naam benadeelde 1] vordert aan materiële schade een bedrag van € 6.528,- wegens het mislopen van de winstdeling bij [naam verdachte rechtspersoon] en € 4.682,70 voor de kosten die hij heeft gemaakt voor de bijstand van een advocaat.

[naam benadeelde 5] vordert een bedrag van € 254,95 aan advocaatkosten die hij heeft gemaakt ten behoeve van de aangifte die hij tegen [naam verdachte rechtspersoon] heeft gedaan.

[naam benadeelde 6] en [naam benadeelde 8] vorderen toekomstige (medische) kosten.

Wat betreft de gevorderde schade wegens het mislopen van de winstdeling en de toekomstige (medische) kosten is de rechtbank van oordeel dat nader onderzoek naar de gegrondheid van deze schadeposten zou moeten worden gedaan en dat dit een onevenredige belasting van het strafgeding zou opleveren.

[naam benadeelde 1] , [naam benadeelde 5] en [naam benadeelde 8] zullen in zoverre niet-ontvankelijk worden verklaard in hun vordering en de rechtbank zal bepalen dat dit deel van hun vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

Kosten voor rechtsbijstand worden op grond van artikel 532 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) aangemerkt als proceskosten en niet als te vorderen rechtstreeks geleden materiële schade. [naam benadeelde 1] en [naam benadeelde 5] zijn in zoverre dan ook niet-ontvankelijk in dit deel van hun vorderingen. Hun vorderingen tot vergoeding van de kosten aan rechtsbijstand zullen hierna bij de proceskosten worden besproken.

8.3.2

Hoofdelijke veroordeling

Nu [naam verdachte] het strafbare feit ter zake waarvan schadevergoeding zal worden toegekend heeft gepleegd, maar ook [naam verdachte rechtspersoon] daarvoor strafrechtelijk aansprakelijk wordt gehouden, zijn [naam verdachte] en [naam verdachte rechtspersoon] daarvoor ieder hoofdelijk aansprakelijk. Indien en voor zover [naam verdachte rechtspersoon] de benadeelde partijen betaalt, is [naam verdachte] in zoverre jegens de benadeelde partijen van deze betalingsverplichting bevrijd.

8.3.3

Wettelijke rente

De benadeelde partijen hebben gevorderd het te vergoeden bedrag te vermeerderen met wettelijke rente. De rechtbank bepaalt dat het te vergoeden schadebedrag vermeerderd wordt met wettelijke rente vanaf 16 september 2014.

8.3.4

Kosten

Nu de vorderingen van de benadeelde partijen deels zullen worden toegewezen, zal [naam verdachte] worden veroordeeld in de kosten door de benadeelde partijen gemaakt.

Voor [naam benadeelde 2] , [naam benadeelde 3] , [naam benadeelde 4] , [naam benadeelde 6] , [naam benadeelde 7] en [naam benadeelde 8] geldt dat die kosten tot op heden worden begroot op nihil.

[naam benadeelde 1] en [naam benadeelde 5] hebben vergoeding gevorderd van kosten die zij hebben gemaakt aan rechtsbijstand.

Omdat [naam benadeelde 1] zijn vordering niet heeft onderbouwd, zodat niet duidelijk is waar het door hem gevorderde bedrag op ziet, en de verdediging deze post gemotiveerd heeft weersproken, zal [naam benadeelde 1] niet-ontvankelijk worden verklaard in dit deel van zijn vordering.

Uit de toelichting die [naam benadeelde 5] op de terechtzitting heeft gegeven, is gebleken dat hij bijstand heeft gehad van advocaat [naam 13] bij het opstellen van de aangifte tegen [naam verdachte rechtspersoon] , wat de aanleiding van de onderhavige strafprocedure is geweest. Een redelijke uitleg van artikel 532 Sv brengt mee dat bij de begroting van de kosten voor rechtsbijstand dezelfde maatstaf wordt gehanteerd als in civiele procedures. In civiele procedures wordt doorgaans een zogenoemd liquidatietarief voor het salaris van een advocaat gehanteerd, zoals neergelegd in het op www.rechtspraak.nl gepubliceerde ''Liquidatietarief rechtbanken en gerechtshoven '. Op grond daarvan komt een bedrag van € 478,- voor toewijzing in aanmerking. Het door [naam benadeelde 5] gevorderde bedrag van € 254,95 zal dan ook worden toegewezen.

8.4.

Conclusie

[naam verdachte] moet de benadeelde partijen ieder een schadevergoeding betalen van € 5.000,-, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 16 september 2014 en de kosten, zoals hierna in het dictum vermeld. Daarbij wordt de hierna te noemen maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opgelegd.

10 . Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

11 . Beslissing

De rechtbank:

verklaart bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde feit, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert het hiervoor vermelde strafbare feit;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een geldboete van € 30.000,00 (dertigduizend euro), bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal te vervangen door 185 (honderdvijfentachtig) dagen hechtenis;

veroordeelt de verdachte hoofdelijk met diens mededader, des dat de een betalende de ander zal zijn bevrijd, om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan iedere benadeelde partij, te weten:

1. [naam benadeelde 1] ;

2. [naam benadeelde 2] ;

3. [naam benadeelde 3] ;

4. [naam benadeelde 4] ;

5. [naam benadeelde 5] ;

6. [naam benadeelde 6] ;

7. [naam benadeelde 7] ;

8. [naam benadeelde 8] ;

te betalen een bedrag van telkens € 5.000,00 (zegge: vijfduizend euro) aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 16 september 2014 tot aan de dag der algehele voldoening;

verklaart de benadeelde partijen niet-ontvankelijk in het resterende deel van hun vorderingen; bepaalt dat die delen van de vorderingen slechts kunnen worden aangebracht bij de burgerlijke rechter (met uitzondering van de door [naam benadeelde 5] gevorderde kosten aan rechtsbijstand);

veroordeelt de verdachte in de proceskosten door de benadeelde partijen gemaakt, tot op heden aan de zijde van [naam benadeelde 2] , [naam benadeelde 1] , [naam benadeelde 3] , [naam benadeelde 4] , [naam benadeelde 6] , [naam benadeelde 7] en [naam benadeelde 8] begroot op nihil, aan de zijde van [naam benadeelde 5] op € 254,95 aan salaris voor de advocaat, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

legt aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting aan de staat ten behoeve van

1. [naam benadeelde 1] ;

2. [naam benadeelde 2] ;

3. [naam benadeelde 3] ;

4. [naam benadeelde 4] ;

5. [naam benadeelde 5] ;

6. [naam benadeelde 6] ;

7. [naam benadeelde 7] ;

8. [naam benadeelde 8] ;

te betalen per genoemd persoon € 5.000,00 (hoofdsom, zegge: vijfduizend euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 16 september 2014 tot aan de dag van de algehele voldoening; bepaalt dat indien betaling uitblijft gijzeling kan worden toegepast voor maximaal 235 (tweehonderdvijfendertig) dagen; de toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op;

verstaat dat betaling aan een benadeelde partij, waaronder begrepen betaling door haar mededader, tevens geldt als betaling aan de staat ten behoeve van die benadeelde partij en omgekeerd.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. A. van Luijck, voorzitter,

en mrs. L. Daum en S.E.C. Debets, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. K. Aagaard, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 23 december 2021.

De oudste rechter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage I

Tekst tenlastelegging

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

de rechtspersoon [naam verdachte rechtspersoon] in of omstreeks de periode van 1 januari 2010 tot en met 16 september 2014 te [adres] ),

meermalen, althans eenmaal, (telkens,)

als degene die beroepshalve (een) stof(fen) en/of prepara(a)t(en) toepast

en/of bewerkt en/of verwerkt en/of aan een ander ter beschikking stelt, te

weten (onder andere) chroom-6 houdende verf en/of vloeistof (onder andere

Metaflex FCR primer en/of Aerodur Primer S 15/60, cream 052700 en/of Alodine

1200 Brush Vloeistof), zijnde stoffen die gevaarlijk/kankerverwekkend kunnen

zijn,

en (telkens) wist en/of redelijkerwijs had kunnen vermoeden dat door haar

handelingen met die stof(fen) en/of (dat) prepara(a)t(en) gevaren konden

optreden voor de gezondheid van de mens en/of voor het milieu,

(telkens) opzettelijk,

niet alle maatregelen heeft genomen die redelijkerwijs van haar konden worden

gevergd, teneinde die gevaren zoveel mogelijk te voorkomen en/of te beperken

immers,

- werden/waren een of meer van haar werknemers, te weten onder andere

[naam 1] en/of [naam 2] en/of [naam 7] en/of [naam 8]

en/of [naam 4] en/of [naam 9] en/of [naam 10] en/of [naam 5]

en/of [naam 3] en/of [naam 11] en/of [naam 12] ,

niet doeltreffend ingelicht/voorgelicht over het werken met chroom-6

houdende verf en/of vloeistof en de daaraan verbonden risico's van

(mogelijke) blootstelling aan chroom-6 (verbindingen) en/of

- werd/was onvoldoende toezicht gehouden op het gebruik door een of meer van

haar/die medewerkers van persoonlijke beschermingsmiddelen tijdens het

spuiten en/of schuren en/of chromatiseren (geven van Alodine baden) met

chroom-6 houdende verf en/of vloeistof en/of

- werd/was niet voorkomen dat bedrijfsafvalwater met chroom-6 houdende

vloeistof in het riool werd/was geloosd (door voorwerpen na behandeling (in

de dompel- en zuurbaden) met Alodine onder de kraan af te spoelen) en/of

- werd/was niet voorkomen dat chroom-6 houdende spuitnevel ongefilterd

afgezogen werd (door te spuiten met chroom-6 houdende verf zonder filter,

althans met een opzij geschoven filter in de spuitwand) en/of

- werd er onvoldoende op toegezien, dat gebruik werd gemaakt van alternatieve

verf ( [naam leverancier] ), zijnde verf die geen chroom-6 bevatte,

tot welk strafbaar feit verdachte in of omstreeks de periode van november 2012

tot en met 16 september 2014,

tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen,

opdracht heeft gegeven dan wel aan welke verboden gedraging verdachte en/of

voornoemde ander(en) feitelijke leiding heeft/hebben gegeven.

Ook wel genoemd ‘chroomtrioxide’;

EG Verordening nr. 1272/2008 van 16 december 2008, blz. 340 en 414 (EG catalogusnummer 024-001-00-0);

Tweede Kamer, vergaderjaar 2005–2006, 30 600, nr. 3.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature