< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Zittingsplaats:
Instantie:

Inhoudsindicatie:

De regeling van artikelen 843a en 843b Rv veronderstelt dat het bestaan van het stuk vaststaat. Gedaagde heeft het bestaan van de gevorderde stukken gemotiveerd betwist. Ook is niet voldaan aan het bepaalbaarheidsvereiste van artikel 843a Rv . Afwijzing.

Uitspraak



vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team handel en haven

zaaknummer / rolnummer: C/10/622711 / HA ZA 21-659

Vonnis in incident van 1 december 2021

in de zaak van

[bedrijf A]

,

gevestigd te [vestigingsplaats A] ,

eiseres in conventie in de hoofdzaak,

verweerster in voorwaardelijke reconventie in de hoofdzaak,

verweerster in het incident,

advocaat mr. S.J. Nauta te Barendrecht,

tegen

1. de ontbonden stichting

[stichting B] ,

gevestigd te [vestigingsplaats B] ,

2. [persoon B1],

wonende te [woonplaats B1] ,

3. [persoon C],

wonende te [woonplaats C] ,

gedaagden in conventie in de hoofdzaak,

eisers in voorwaardelijke reconventie in de hoofdzaak,

eisers in het incident,

advocaat mr. E.E. Nauta-Rijsdijk te Rotterdam.

Partijen zullen hierna [bedrijf A] en [stichting B] c.s. genoemd worden. Als gedaagden afzonderlijk worden bedoeld, worden zij aangeduid als respectievelijk de Stichting, [persoon B1] en [persoon C] .

1. De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

de dagvaarding van 12 juli 2021, met producties;

de conclusie van antwoord tevens houdende incidentele vordering en voorwaardelijke reconventionele vordering, met producties;

de conclusie van antwoord in het incident ex artikel 843a Rv , alsmede houdende akte overlegging producties;

de akte in het incident van [stichting B] c.s.;

de antwoordakte in het incident ex artikel 843a Rv , met een productie.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald in het incident.

2. De feiten, voor zover relevant in het incident

2.1.

[persoon B1] heeft, in ieder geval, in de jaren ‘80 als advocaat werkzaamheden verricht in opdracht van [bedrijf A] (destijds geheten [voormalige naam bedrijf A] ), waaronder het voeren van een procedure in eerste aanleg tegen [bedrijf D] . [bedrijf A] is in die procedure bij vonnis van 23 juni 1989 van de rechtbank Rotterdam veroordeeld tot betaling van een bedrag aan [bedrijf D] .

2.2.

Tegen het vonnis is hoger beroep ingesteld, wat heeft geleid tot een arrest van het gerechtshof ’s Gravenhage, waarbij voornoemd vonnis is vernietigd. Als gevolg van de executie van dit arrest is een bedrag van € 32.683,68 ontvangen op de derdengeldenrekening van de Stichting.

2.3.

Bij brief van 1 mei 2017 heeft [persoon B1] aan [bedrijf A] , onder meer, het volgende geschreven:

“In de jaren '80/'90 heb ik in twee instanties, Rechtbank Rotterdam en Gerechtshof Den Haag tegen [bedrijf D] geprocedeerd. In de eerste instantie in uw opdracht en voor uw rekening en uw risico, doch in de tweede/in appèl met uw toestemming voor (mijn) eigen rekening en risico. Redengevend voor dit laatste was, dat de eerste instantie verloren was, volgens u omdat ik een koekenbakker was én ten onrechte het verhoor van de getuige [persoon E] verzuimd had bij te wonen. U wou niet verder met de zaak - zeker niet met mij - en mij niet meer betalen voor de rechtsbijstand dan u al had gedaan (voorschot). Bijgaand zend ik u het winnende arrest toe (zie bijlage), waarbij het vonnis van de Rechtbank is vernietigd en waaruit blijkt niet alleen dat ik geen koekenbakker ben maar ook dat de verklaring van getuige [persoon E] althans volgens het Hof alles behalve doorslaggevend is geweest. Wat natuurlijk niet wegneemt dat ik bij zijn verhoor aanwezig had moeten zijn ...!

Op de voet van het arrest hebt u destijds derhalve ten onrechte, dus onverschuldigd, de hogere vracht betaald, zonder welke [bedrijf D] gedreigd had niet te zullen vervoeren/vliegen. Kortom, in 1996 heb ik met behulp van een deurwaarder hoofdsom (vermeerderd met de toentertijd hoge wettelijke rente) en de kosten op mijn derdengelden rekening ontvangen, uiteraard in guldens omgerekend, € 32.683,68.

Ik herinner mij goed u vlak voor de zomervakantie een toelichtende brief, een declaratie, een

kopie van het arrest toegezonden te hebben benevens het verzoek mij toe te staan het bedrag

op de derdenrekening daarmee te verrekenen. U hebt niets van dit alles ontvangen, na mijn vakantie is het dossier gearchiveerd en na ommekomst van de voorgeschreven bewaartermijn automatisch vernietigd, inclusief de door u ondertekende brief dat ik op uw naam in appèl mocht voort procederen onder de bekende voorwaarden. Ik weet dus niet hoe het zo mis heeft kunnen gaan.

Door tussenkomst van mijn boekhouder, die vroeg waarom genoemd bedrag nog steeds op de

derdenrekening stond is het balletje gaan rollen. Ik ben gaan zoeken en heb niet meer

gevonden dan de kopie van het arrest, dat zich in een dossier bevond waarin ik boeiende

uitspraken bewaar; het arrest van het Hof is in een vakblad voor vervoer gepubliceerd.

Mijn probleem is dat ik het mij toekomende bedrag niet zonder declaratie aan U (als

honorarium vermeerderd met de BTW) en uw toestemming om dit met mijn declaratie te

verrekenen op mijn zakenrekening kan bijschrijven. Het is natuurlijk omzet en formeel komt

het bedrag u toe omdat het op mijn derdenrekening is binnengekomen en door [bedrijf D] voor

U bestemd is. Daarom is het mij door de Orde van Advocaten verboden dit bedrag zonder Uw

toestemming naar mijn zakenrekening over te boeken. Als deze fout destijds niet gemaakt

zou zijn zou ik u idem gedeclareerd hebben doch Uw toestemming niet nodig gehad hebben.”

2.4.

De heer [persoon A1] (hierna: [persoon A1] sr.) is tot 31 juli 2014 bestuurder geweest van [bedrijf A] . Thans is de heer [persoon A2] (hierna: [persoon A2] jr.) enig bestuurder van [bedrijf A] .

3. De vorderingen in de hoofdzaak

3.1.

[bedrijf A] vordert in de hoofdzaak – samengevat – dat de rechtbank bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, verklaart voor recht dat het bedrag van € 32.683,68, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 september 1996, niet aan [stichting B] toekomt en niet aan het vermogen van de Stichting onttrokken had mogen worden en:

primair:

[stichting B] c.s. hoofdelijk veroordeelt om aan [bedrijf A] te betalen:

1. hoofdsom € 32.683,68;

2. wettelijke vertragingsrente over de hoofdsom vanaf 1 september 1996, althans de dag der verzuim, tot de dag van volledige betaling € p.m.;

3. buitengerechtelijke kosten op grond van artikel 6:96 BW , € 1.158,00;

4. de wettelijke rente over de buitengerechtelijke kosten vanaf de datum van de dagvaarding tot de dag van volledige betaling € p.m.

subsidiair

[stichting B] c.s. beveelt om binnen tien dagen na betekening van het vonnis, dan wel een door de rechtbank te bepalen termijn:

- het onttrokken bedrag van € 32.683,68 + rente weer terug te brengen in het vermogen van de Stichting en aldaar te houden totdat is vastgesteld wie de rechthebbende is op voormeld bedrag;

- schriftelijke bewijsstukken over te leggen aan [bedrijf A] waaruit blijkt dat hier uitvoering aan is gegeven;

met de bepaling dat zolang [stichting B] c.s. dit nalaten zij een dwangsom verbeuren van € 1.000,00 voor elk dag of gedeelte daarvan dat zij nalaten aan de veroordeling te voldoen,

een en ander met veroordeling van [stichting B] c.s. in de kosten van het geding.

4. Het geschil in het incident

4.1.

[stichting B] c.s. vorderen in het incident – samengevat – dat de rechtbank, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, [bedrijf A] veroordeelt om uiterlijk binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis:

1. aan [stichting B] en [persoon C] op hun adres te Berkenwoude, tegen schriftelijk bewijs van ontvangt een kopie af te geven van alle stukken die zich in haar op de onderhavige zaak betrekking hebbende dossier bevinden, vergezeld van een schriftelijke door de statutair directeur van [bedrijf A] te ondertekenen verklaring inhoudende dat dit dossier volledig is, hieraan geen stukken onttrokken c.q. achtergehouden zijn, alles met bepaling dat [bedrijf A] voor ieder verzuim in de afgifte van een en ander aan [stichting B] en [persoon C] een direct opeisbare dwangsom verbeurt van € 15.000,00 per dag dat [bedrijf A] nalaat aan dit vonnis te voldoen en daarenboven een dwangsom verbeurt van € 1.500,00 voor ieder stuk, dat later zal blijken ten onrechte niet afgegeven te zijn;

2. ter griffie van de rechtbank tegen bewijs van ontvangst het origineel te deponeren van de door [persoon A1] sr. ondertekende brief/verklaring van 27 september 2017, met bepaling dat zij [stichting B] en [persoon C] schriftelijk van het depot in kennis stelt, onder verbeurte van een dwangsom van € 5.000,00 per dag dat [bedrijf A] nalaat aan dit vonnis te voldoen;

met veroordeling van [bedrijf A] in de kosten van het incident.

4.2.

De gevorderde afgifte van de hiervoor onder 1 in 4.1 bedoelde bescheiden is gebaseerd op de artikelen 21 Rv , 843a Rv en 843b Rv. [stichting B] c.s. leggen aan deze vordering – samengevat – de volgende stellingen ten grondslag. Zowel [persoon A1] sr. als [persoon A2] jr. hebben gezegd dat [bedrijf A] het dossier nog in haar bezit heeft. [stichting B] c.s. hebben een rechtmatig belang bij kennisneming van de zich in het dossier bevindende processtukken en correspondentie van de hand van [stichting B] , waaronder de akte van dading/vaststellingsovereenkomst die in tweevoud in aanwezigheid van [stichting B] op zijn kantoor namens [bedrijf A] door [persoon A1] sr. is ondertekend. De stukken zijn [stichting B] c.s. bekend, maar niet meer in hun bezit. De mogelijkheid om kennis te nemen van de inhoud van het dossier en meer specifiek de akte van dading/vaststellingsovereenkomst tussen [stichting B] en [persoon A1] sr., is ook van belang in het kader van de waarheidsvinding.

4.3.

Ten aanzien van de vordering tot het ter griffie deponeren van het onder 2 in 4.1 bedoelde origineel van de door [persoon A1] sr. ondertekende verklaring, stellen [stichting B] c.s. dat deze is vervalst en dat de bewijskracht ervan dient te worden bepaald.

4.4.

[bedrijf A] voert verweer en concludeert tot niet-ontvankelijkverklaring van [stichting B] c.s. in hun vorderingen, althans die vorderingen af te wijzen, met veroordeling van [stichting B] c.s., uitvoerbaar bij voorraad, tot betaling aan [bedrijf A] van de proceskosten. [bedrijf A] voert daartoe het volgende aan.

4.5.

De akte van dading/vaststellingsovereenkomst bestaat niet. Partijen hebben nooit een dergelijke overeenkomst gesloten en [bedrijf A] kan deze dus niet verstrekken of hier inzage in geven. Partijen zijn volgens [bedrijf A] overeengekomen dat [persoon B1] , mede gelet op zijn toerekenbaar tekortschieten in de procedure in eerste aanleg en het door hem al starten van de hoger beroepsprocedure zonder toestemming van [bedrijf A] , op eigen kosten de procedure in hoger beroep zou voortzetten, waarbij in het geval van een negatief arrest [bedrijf A] niets aan hem verschuldigd zou zijn. Dit betreft dus louter de kostenkant van de zaak. [persoon B1] wenste zijn naam te zuiveren en te laten zien dat hij de zaak wel tot een goed einde kon brengen. Verder waren er volgens hem diverse kosten nu toch al gemaakt.

4.6.

De vordering zoals weergegeven onder 1 in 4.1 voldoet volgens [bedrijf A] niet aan de vereisten van artikel 843a Rv , maar desalniettemin heeft zij de stukken waarover zij beschikt (als productie 18 bij conclusie van antwoord in het incident) verstrekt.

4.7.

Ten aanzien van de vordering tot het ter griffie deponeren van het onder 2 in 4.1 bedoelde origineel van de door [persoon A1] . ondertekende verklaring, voert [bedrijf A] aan dat zij deze niet in haar bezit heeft.

4.8.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

5. De beoordeling in het incident

Ten aanzien van de vordering onder 1 in 4.1 5.1.

Artikel 843a Rv bepaalt dat hij die daarbij rechtmatig belang heeft, op zijn kosten, inzage, afschrift of uittreksel kan vorderen van bepaalde bescheiden aangaande een rechtsbetrekking waarin hij of zijn rechtsvoorgangers partij zijn, van degene die deze bescheiden te zijner beschikking of onder zijn berusting heeft. Degene die over de bescheiden beschikt, is niet gehouden om aan de vordering te voldoen indien daartoe gewichtige redenen zijn, alsmede indien redelijkerwijs kan worden aangenomen dat een behoorlijke rechtsbedeling ook zonder de verschaffing van de gevraagde gegevens is gewaarborgd. Artikel 843a Rv biedt een partij de mogelijkheid kennis te nemen van een (schriftelijk) bewijsmiddel dat haar in beginsel wel bekend is, maar niet in haar bezit is.

5.2.

Artikel 843b Rv bepaalt dat hij die een bewijsmiddel heeft verloren, van degene die de beschikking heeft over bescheiden die tot bewijs kunnen dienen van enig feit waarop het verloren bewijsmiddel betrekking had, of die zodanige bescheiden onder zijn berusting heeft, kan vorderen daarvan te zijnen behoeve op zijn kosten, voor zover nodig, inzage, afschrift, of uittreksel te verschaffen.

5.3.

[bedrijf A] heeft zowel bij conclusie van antwoord in het incident als bij antwoordakte in het incident aangevoerd dat de akte van dading/vaststellingsovereenkomst niet bestaat. De regeling van artikelen 843a en 843b Rv veronderstelt dat het bestaan van het stuk vast staat. Gelet op de gemotiveerde betwisting van [bedrijf A] dat de akte van dading/vaststellingsovereenkomst bestaat, staat het bestaan hiervan niet vast, zodat toewijzing van de vordering reeds om die reden niet in de rede ligt. Ter zake van bescheiden waarvan een partij het bestaan stellig heeft betwist, kan de rechtbank, zeer bijzondere omstandigheden daargelaten, geen bevel tot afgifte verstrekken. Dergelijke zeer bijzondere omstandigheden zijn in dit geval gesteld noch gebleken.

5.4.

Ten aanzien van de vordering van [stichting B] c.s. tot afgifte van alle (andere) stukken die zich in het op de onderhavige zaak betrekking hebbende dossier van [bedrijf A] bevinden, is de rechtbank van oordeel dat de vordering niet aan het bepaalbaarheidsvereiste van artikel 843a Rv voldoet. [stichting B] c.s. hebben niet concreet aangegeven welke stukken overgelegd dienen te worden, wat hun belang is bij afgifte van die stukken en voor de onderbouwing van welke concrete stellingen deze stukken noodzakelijk zijn. De enkele mogelijkheid dat [stichting B] c.s. mogelijk hun gelijk ten aanzien van nog nader te formuleren standpunten zouden kunnen aantonen met de verlangde bescheiden is onvoldoende voor toewijzing van de vordering.

5.5.

Daarnaast heeft [bedrijf A] bij conclusie van antwoord in het incident zestien brieven en een declaratie in het geding gebracht en gesteld dat dit alles is wat beschikbaar is over de periode van 11 april 1989 tot 1 mei 2017. Dat zich nog meer stukken in haar dossier zouden bevinden, zoals door [stichting B] c.s. is gesteld, heeft [bedrijf A] stellig betwist. Voor zover [bedrijf A] met het overleggen van voornoemde stukken niet reeds feitelijk aan de vordering op dit punt van [stichting B] c.s. heeft voldaan, geldt ook hier dat geen bevel tot afgifte kan worden verstrekt ter zake van bescheiden waarvan een partij het bestaan stelling heeft betwist. [bedrijf A] heeft het bestaan van meer stukken betwist, zodat ook om die reden de vordering moet worden afgewezen.

5.6.

Het hiervoor overwogene brengt mee dat deze incidentele vordering van [stichting B] c.s. wordt afgewezen. Dat neemt echter niet weg dat op grond van artikel 21 Rv partijen verplicht zijn de voor de beslissing van belang zijnde feiten volledig en naar waarheid aan te voeren. Wordt deze verplichting niet nageleefd, dan kan de rechter daaruit de gevolgtrekking maken die hij geraden acht.

Ten aanzien van de vordering onder 2 in 4.1

5.7.

[bedrijf A] heeft gemotiveerd betwist het origineel van deze verklaring in haar bezit te hebben. Dit verweer is door [stichting B] c.s., die bij akte nog uitgebreid op deze verklaring zijn ingegaan, niet (voldoende) gemotiveerd weersproken, zodat de vordering reeds op die grond moet worden afgewezen. [bedrijf A] kan immers niet worden veroordeeld tot een onmogelijke prestatie.

Proceskosten in het incident

5.8.

[stichting B] c.s. zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten van het incident worden veroordeeld. Deze kosten worden aan de zijde van [bedrijf A] vastgesteld op € 563,00 aan salaris advocaat (1 punt × tarief € 563,00).

6. De beslissing

De rechtbank

in het incident

6.1.

wijst het gevorderde af,

6.2.

veroordeelt [stichting B] c.s. in de kosten van het incident, aan de zijde van [bedrijf A] tot op heden begroot op € 563,00,

6.3.

verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad,

in de hoofdzaak

6.4.

bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 15 december 2021 voor beraad rolrechter omtrent het bepalen van een mondelinge behandeling.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.B. Smits en in het openbaar uitgesproken op 1 december 2021.

[3242/3195]


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature