< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak




U dient ingelogd te zijn om favorieten te kunnen toevoegen aan Mijn Jure
U kunt zich hier gratis registreren
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Zittingsplaats:
Instantie:

Inhoudsindicatie:

Vertrouwensbeginsel. Geen recht op een bovenwettelijke werkloosheidsuitkering af te leiden uit een eerdere brief waarin dat recht is uitgewerkt op basis van de op dat moment geldende omstandigheden of uit een brief waarin de herleving van dat recht is toegelicht.

Uitspraak



Rechtbank Rotterdam

Zittingsplaats Dordrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: ROT 19/1859

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 11 januari 2021 in de zaak tussen

[naam eiseres] , te [woonplaats eiseres] , eiseres,

gemachtigde: mr. C.P.R.M. Dekker,

en

de korpschef van de Nationale Politie, verweerder,

gemachtigde: mr. R.E.W. Notermans.

Procesverloop

Bij besluit van 22 november 2018 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiseres voor herleving van de bovenwettelijke uitkering afgewezen.

Bij besluit van 7 maart 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 oktober 2020. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1.1

Eiseres was sinds 1991 bij verweerder in dienst. Verweerder heeft eiseres met ingang van 20 december 2012 wegens ziekte eervol ontslag verleend. Eiseres was tot die datum in de functie van medewerker callcenter aangesteld.

1.2

Bij besluit van 6 februari 2013 heeft het UWV aan eiseres met ingang van

21 december 2012 een uitkering in de zin van de Werkloosheidswet (WW) toegekend.

Bij besluit van 30 oktober 2013 is deze uitkering met ingang van 6 november 2013 beëindigd en is aan eiseres vanaf die datum een uitkering in de zin van de Ziektewet (ZW) toegekend. Bij besluit van 12 december 2013 is de WW-uitkering van eiseres voortgezet per 5 december 2013, omdat zij zich beter heeft gemeld.

1.3

Op 11 december 2013 heeft eiseres een bovenwettelijke werkloosheidsuitkering (BWWU) aangevraagd.

Hierop heeft Loyalis (namens verweerder, destijds onderdeel uitmakend van APG) bij brieven van 15 januari 2015 het recht van eiseres op een BWWU uitgewerkt.

1.4

Bij besluit van 21 oktober 2015 heeft het UWV de WW-uitkering van eiseres met ingang van 19 september 2015 beëindigd en haar een uitkering in de zin van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA) toegekend. Eiseres is vanaf deze datum volledig arbeidsongeschikt.

1.5

Bij besluit van 18 februari 2016 heeft APG (de uitvoeringsinstantie namens verweerder als voormalig werkgever van eiseres) gelet op voormelde UWV-beslissing van

21 oktober 2015 de BWWU van eiseres met ingang van 19 september 2015 beëindigd, omdat eiseres vanaf die datum volledig arbeidsongeschikt is. In dit besluit is de volgende passage opgenomen:

“ Wordt uw arbeidsongeschiktheidspercentage minder dan 80-100%?

Vraagt u dan eerst een werkloosheidsuitkering aan bij UWV WERKbedrijf. Nadat u van het UWV een

WW-beslissing hebt ontvangen, kunt u contact opnemen met APG voor een eventuele voortzetting van uw bovenwettelijke uitkering.”

1.6

Bij besluit van 2 maart 2017 heeft het UWV aan eiseres aangegeven dat zij met ingang van 1 mei 2017 in aanmerking komt voor een vervolguitkering Werkhervatting Gedeeltelijk Arbeidsgeschikten (WGA), met een arbeidsongeschiktheidspercentage van

65-80%. Bij besluit van 13 juni 2017 heeft het UWV dit percentage met ingang van

1 september 2017 vastgesteld op 75,68%. Dit had geen wijziging van de WIA-uitkering tot gevolg.

1.7

Op 6 augustus 2018 heeft eiseres APG verzocht om toekenning van de aansluitende uitkering over de periode vanaf 13 juni 2017 tot en met 11 juni 2024, omdat haar arbeids-ongeschiktheidspercentage op 75,68% is vastgesteld. Dit verzoek heeft APG met het primaire besluit afgewezen.

2. Bij het bestreden besluit heeft APG het primaire besluit gehandhaafd.

Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat eiseres geen recht heeft op een BWWU, omdat zij geen WW-uitkering maar een WIA-uitkering ontvangt. Ook slaagt volgens verweerder het beroep van eiseres op het vertrouwensbeginsel niet.

2.1

De rechtbank stelt aan de hand van de beroepsgronden en wat tijdens de zitting is besproken vast dat partijen het er met elkaar over eens zijn dat eiseres voor een percentage van 75,68% arbeidsongeschikt is, dat zij geen aanspraak op een WW-uitkering maakt en dat zij een WIA- uitkering ontvangt.

Ook zijn partijen het met elkaar eens dat uit het Besluit bovenwettelijke werkloosheids-uitkering politie (BBWP) blijkt dat eiseres geen recht op een BWWU heeft.

Partijen zijn het niet met elkaar eens over de vraag of verweerder met het bestreden besluit in strijd met het vertrouwensbeginsel heeft gehandeld. De rechtbank beperkt zich tot deze vraag.

2.2

De rechtbank overweegt dat de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) in 2019 een nieuw stappenplan heeft uiteengezet voor het toetsen van een beroep op het vertrouwensbeginsel en de Centrale Raad van Beroep (CRvB) heeft zich bij dit stappenplan aangesloten (zie onder meer de uitspraak van de Afdeling van

29 mei 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1694, en de uitspraken van de CRvB van 31 december 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:4351, 4 maart 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:559 en 13 augustus 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:1844).

Voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel moeten – kort samengevat, voor zover relevant – de volgende stappen worden gezet:

Stap 1

Als eerste moet de vraag worden beantwoord of de betrokkene aannemelijk heeft gemaakt dat van de zijde van de overheid toezeggingen of andere uitlatingen zijn gedaan of gedragingen zijn verricht waaruit de betrokkene in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs kon en mocht afleiden of, en ja, hoe het bestuursorgaan in een concreet geval een bevoegdheid zou uitoefenen.

Stap 2

Als tweede moet de vraag worden beantwoord of de toezegging, andere uitlating of gedraging aan het bevoegde bestuursorgaan kan worden toegerekend.

Stap 3

Is er sprake van een gerechtvaardigde verwachting, dan moet de vraag worden beantwoord of er zwaarder wegende belangen zijn, zoals strijd met de wet, het algemeen belang of belangen van derden, die er aan in de weg staan dat aan de gerechtvaardigde verwachting moet worden voldaan.

Beslissing van 15 januari 2014

3

3.1

Eiseres betoogt dat de beslissing van Loyalis van 15 januari 2014 bij haar het gerechtvaardigd vertrouwen heeft gewekt dat zij tot 11 juni 2024 recht op een BWWU heeft, omdat in deze beslissing de BWWU tot die datum is toegekend en er verder geen enkel voorbehoud op dit recht is gemaakt.

3.2

De rechtbank volgt eiseres niet in haar betoog.

Juist is dat in de beslissing van 15 januari 2014 is vermeld dat eiseres tot 11 juni 2024 recht op een BWWU heeft. Echter, dit is slechts de uitwerking van dit recht op basis van de omstandigheden op dat moment. In dat kader stelt verweerder terecht dat het niet uitvoerbaar is om bij de toekenning van de BWWU alle mogelijke toekomstige scenario’s uit te werken.

De rechtbank acht het dan ook voldoende dat verweerder naar de regelgeving verwijst waarin de voorwaarden zijn genoemd. Uit deze regeling, het BBWP, blijkt duidelijk welke voorwaarden aan de toekenning van de BWWU zijn verbonden, waaronder de koppeling van de BWWU aan het recht op een WW-uitkering. Deze koppeling heeft eiseres tijdens de zitting ook bevestigd. Het BBWP is gepubliceerd en van eiseres had dan ook mogen worden verwacht dat zij deze regeling had geraadpleegd. Daarnaast is, zo blijkt ook uit de beslissing van 15 januari 2014, het recht van eiseres op een BWWU beëindigd in de periode dat zij geen WW-uitkering maar een Ziektewetuitkering ontving.

Dit geheel maakt dat het eiseres duidelijk had behoren te zijn dat een wijziging in haar omstandigheden tot een wijziging van het in de beslissing van 15 januari 2014 uitwerkte recht op een BWWU zou kunnen leiden. Eiseres kon redelijkerwijs uit de beslissing van

15 januari 2014 dan ook niet afleiden dat zij onder alle omstandigheden tot 11 juni 2024 voor een BWWU in aanmerking zou kunnen komen.

Beslissing van 18 februari 2016

4

4.1

Eiseres betoogt dat de beslissing van APG van 18 februari 2016 bij haar het gerechtvaardigd vertrouwen heeft gewekt dat zij tot 11 juni 2024 recht op een BWWU heeft, omdat in deze beslissing is vermeld dat de BWWU kan herleven als het arbeidsongeschiktheidspercentage onder de 80% daalt. Eiseres had op dat moment al (bijna) geen recht op een WW-uitkering meer en zij hoefde zich niet te beseffen dat zij daardoor niet meer voor een BWWU in aanmerking kwam.

4.2

De rechtbank volgt eiseres niet in haar betoog.

In de beslissing van 18 februari 2016 wordt duidelijk aangegeven dat eiseres eerst een

WW-uitkering moet aanvragen, waarna zij met APG contact kan opnemen voor een eventuele voorzetting haar BWWU. Uit deze formulering blijkt logischerwijs dat eiseres alleen als zij recht op een WW-uitkering heeft voor de voorzetting van de BWWU in aanmerking zou kunnen komen en dat zelfs de toekenning van een WW-uitkering niet automatisch tot de toekenning van een BWWU leidt. Van een toezegging of een daarmee gelijkgestelde andere handeling dat eiseres voor een BWWU in aanmerking komt, is in de beslissing van 18 februari 2016 dan ook geen sprake.

Daarnaast geldt ook hiervoor dat eiseres zelf het BBWP had kunnen raadplegen en dat daarin, zoals zij ook heeft bevestigd, het recht op een BWWU met het recht op een

WW-uitkering is gekoppeld. Gelet op deze koppeling is het niet van belang of eiseres op het moment van de beslissing van 18 februari 2016 (bijna) geen WW-uitkering meer ontving. Duidelijk is dat zonder de WW-uitkering de BWWU niet kan herleven.

Mondelinge toezegging

5

5.1

Indien en voor zover eiseres betoogt dat haar telefonisch toezeggingen zijn gedaan ten aanzien van haar recht op een BWWU tot 11 juni 2024, volgt de rechtbank eiseres daar niet in. Dergelijke telefonische toezeggingen heeft verweerder betwist en in de stukken zijn geen aanknopingspunten te vinden dat eiseres telefonisch iets is toegezegd.

Conclusie

6

6.1

Het beroep is ongegrond.

6.2

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E.J. Rutten, rechter, in aanwezigheid van

mr. P.F.H.M. Terstegge, griffier. De uitspraak is in het openbaar gedaan op 11 januari 2021.

de griffier is buiten staat de rechter is verhinderd te ondertekenen

griffier rechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde advocaten

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature