< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak




U dient ingelogd te zijn om favorieten te kunnen toevoegen aan Mijn Jure
U kunt zich hier gratis registreren
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Zittingsplaats:
Instantie:

Inhoudsindicatie:

Vrijspraak van handelingen met betrekking tot harddrugs en het voorhanden hebben daarvan en van witwassen. Bewezenverklaring van het voorhanden hebben van een vuurwapen. Veroordeling tot een gevangenisstraf van 4 maanden met aftrek van voorarrest.

Uitspraak



Rechtbank Rotterdam

Team straf 2

Parketnummer: 10/754514-20

Datum uitspraak: 22 september 2020

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[naam verdachte],

geboren te [geboorteplaats verdachte] (Albanië) op [geboortedatum verdachte],

ten tijde van het onderzoek op de terechtzitting preventief gedetineerd in de

Penitentiaire Inrichting Ter Apel,

zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,

raadsvrouw mr. E.A. Blok, advocaat te Rotterdam.

1. Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 8 september 2020.

2. Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3. Eis officier van justitie

De officier van justitie, mr. H. van Galen, heeft gevorderd:

bewezenverklaring van het onder 1 ten laste gelegde, voor zover dit ziet op het alleen plegen van het voorhanden hebben van 110,5 gram cocaïne;

bewezenverklaring van het onder 2 ten laste gelegde voor zover dit ziet op het alleen plegen van het voorhanden hebben van een vuurwapen;

bewezenverklaring van het onder 3 ten laste gelegde voor zover dit ziet op het alleen plegen van het witwassen (voorhanden hebben) van een geldbedrag van € 266.145,-;

veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden, met aftrek van voorarrest.

4. Vrijspraak feiten 1 en 3

Standpunt officier van justitie

Ter onderbouwing van zijn standpunt dat kan worden bewezen dat de verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan de onder 1 (opzettelijk aanwezig hebben van 110,5 gram cocaïne) en onder 3 (witwassen van € 266.145,- door dit geldbedrag voorhanden te hebben, terwijl de verdachte wist dat het uit enig misdrijf afkomstig was) ten laste gelegde feiten heeft de officier van justitie het volgende aangevoerd.

De verdachte was op 26 mei 2020 in de woning aan de [adres] aanwezig, toen bovengenoemde goederen daar zijn aangetroffen. Gezien de positie van de geldbedragen en de verdovende middelen in de woning, moet bij de verdachte sprake zijn geweest van wetenschap/bewustheid ten aanzien van het geld en de verdovende middelen. Het betrof namelijk een relatief kleine, overzichtelijke ruimte. Ook had de verdachte de beschikkingsmacht over deze goederen.

Nu de verdachte het geld voorhanden had, is zonder meer sprake van een vermoeden van witwassen en dan mag van de verdachte worden verlangd dat hij een verklaring geeft voor de herkomst van dat geld. Die verklaring dient concreet, min of meer verifieerbaar en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk te zijn. De verklaring van de verdachte, inhoudende dat hij uitsluitend in de woning op de koffie kwam, is ongeloofwaardig, nu hij deze verklaring pas op de terechtzitting heeft afgelegd en hij zich eerder op zijn zwijgrecht heeft beroepen. Ook uit anderen hoofde is niet gebleken van een legale herkomst van de geldbedragen. In deze situatie is een criminele herkomst van het geld de enige aanvaardbare verklaring.

Beoordeling

De woning aan de [adres] heeft op 26 mei 2020 vanaf ongeveer 12:30 uur onder observatie van de politie gestaan. Niet is geconstateerd dat de verdachte de woning binnen is gegaan. Omstreeks 15:04 uur is de politie de woning binnengetreden en heeft de verdachte daar aangetroffen, evenals twee landgenoten van hem. Zij bevonden zich in de woonkamer van de woning. Op grond hiervan wordt vastgesteld dat de verdachte op 26 mei 2020 enkele uren in de woning aan de [adres] heeft verbleven. Bij de doorzoeking van de woning zijn verspreid in de woonkamer annex keuken geldbedragen van in totaal bijna € 265.000,- aangetroffen, waarvan de legale herkomst niet kan worden vastgesteld. Tevens is in een keukenkastje een potje met daarin een witte substantie gevonden, dat na onderzoek 110,5 gram materiaal bevattende cocaïne bleek te zijn. De verdachte heeft op de terechtzitting verklaard dat hij die dag op koffiebezoek was in de woning op de Slotstraat en dat hij inderdaad veel geld in de woning heeft zien liggen.

De verdovende middelen zijn door de verdachte niet gezien, aldus zijn verklaring op de terechtzitting.

Voor het bewijs van het “voorhanden hebben” door de verdachte van het potje met cocaïne en het geld in de zin van de aan de verdachte onder 1 en 3 ten laste gelegde overtreding van artikel 10, lid 3 van de Opiumwet respectievelijk artikel 420bis, lid 1, aanhef en onder b van het Wetboek van Strafrecht , is vereist dat hij een zekere bewustheid heeft gehad van de aanwezigheid van het potje met cocaïne en het geld en voorts dat hij een zekere beschikkingsmacht daarover heeft gehad.

Nu de verdachte heeft verklaard dat hij veel geld in de woning heeft zien liggen, staat vast dat hij wetenschap heeft gehad van de aanwezigheid van dat geld. Echter niet is komen vast te staan dat de verdachte ook beschikkingsmacht heeft gehad over het aangetroffen geld. Hoewel de omstandigheden waaronder het geld is aangetroffen vragen oproepen, is daarvoor onvoldoende bewijs voorhanden. De enkele aanwezigheid van de verdachte in de woning waarin het geld lag, is onvoldoende om die beschikkingsmacht aan te nemen. Ook uit andere gebleken omstandigheden, zoals de aanwezigheid in de woning van een vals identiteitsbewijs met de foto van de verdachte, is onvoldoende om die beschikkingsmacht aan te nemen.

Ten aanzien van de 110,5 gram cocaïne is de rechtbank van oordeel dat de verdachte geen wetenschap heeft gehad van de aanwezigheid van die cocaïne. De cocaïne is in een potje in een halfgesloten keukenkastje in de woning aangetroffen. Het potje stond derhalve niet zodanig in het zicht dat de verdachte heeft moeten zien dat daarin cocaïne zat. Evenmin is gebleken dat bij de verdachte op andere wijze wetenschap bestond ten aanzien van de aanwezigheid van deze cocaïne.

Het onder 1 en 3 ten laste gelegde is daarom niet wettig en overtuigend bewezen. De verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5. Bewijs en bewezenverklaring feit 2

5.1.

Bewijsverweer verdediging

De raadsvrouw heeft vrijspraak bepleit wegens het ontbreken van voldoende wettig en overtuigend bewijs. Hiertoe is het volgende aangevoerd.

De verdachte heeft het in de tenlastelegging bedoelde vuurwapen tijdens zijn aanwezigheid in de woning aan de [adres] op 26 mei 2020 op een tafel zien liggen en het toen maar heel even vastgehouden, gevraagd of het echt was en het vervolgens weer teruggelegd. Er zijn door de verdachte met het vuurwapen geen handelingen verricht, waaruit kan worden afgeleid dat hij beschikkingsmacht had over het vuurwapen. De raadsvrouw heeft verwezen naar het arrest van de Hoge Raad waarin wordt geoordeeld dat van het voorhanden hebben geen sprake is, als het gaat om gevallen waarbij iemand onverhoeds en/of ongewild kortstondig een wapen van een ander in handen krijgt, of wanneer iemand onverwacht kennis krijgt van de aanwezigheid van een wapen van een ander in zijn nabijheid (ECLI:NL:HR:2020:504). Volgens de raadsvrouw komt die situatie overeen met de onderhavige. De verdachte is immers plots geconfronteerd met de aanwezigheid van het wapen. Hij heeft het wapen direct teruggelegd en heeft zich daarvan dus gedistantieerd. De verdachte heeft de beschikkingsmacht van het wapen beslist niet willen aanvaarden en ook geen beschikkingsmacht gehad.

5.2.

Beoordeling bewijsverweer

Zoals hiervoor in rubriek 4 al is vermeld, staat vast dat de verdachte op 26 mei 2020 enkele uren in de woning aan de [adres] heeft verbleven. De verdachte heeft daar toen in de woning het vuurwapen in handen genomen. Dit wordt ondersteund door het op het vuurwapen aangetroffen DNA-materiaal van de verdachte.

Hieruit volgt dat de verdachte zowel wetenschap heeft gehad van het vuurwapen als dat hij daarover beschikkingsmacht heeft gehad. Dat het vasthouden van het vuurwapen van korte duur is geweest, zoals hij heeft verklaard, doet daaraan niet af.

De situatie als beschreven in het door de raadsvrouw aangehaalde arrest van de Hoge Raad is niet dezelfde als de onderhavige, nu de verdachte na het vasthouden van het vuurwapen niet direct de woning heeft verlaten, maar integendeel, daar nog enkele uren is gebleven. De verdachte heeft zich dus niet gedistantieerd van de situatie. Het verweer van de raadsvrouw dat niet kan worden bewezen dat de verdachte het vuurwapen voorhanden heeft gehad wordt daarom verworpen.

Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat de verdachte het vuurwapen samen met een ander of anderen voorhanden heeft gehad. De verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

5.3.

Bewijsmiddelen en bewezenverklaring

In bijlage II is de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 2 ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

hij op 26 mei 2020 te Rotterdam,,

een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een vuurwapen, van het merk Walther, type P22, zijnde een vuurwapen in de vorm van een pistool voorhanden heeft gehad.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet ook daarvan worden vrijgesproken.

6. Strafbaarheid feit

Het bewezen feit levert op:

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III van die wet.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Het feit is dus strafbaar.

7. Strafbaarheid verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

8. Motivering straf

De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het feit is begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft in een woning een geladen pistool voorhanden gehad. Dit is een zeer ernstig feit. Het ongecontroleerde bezit van vuurwapens levert in de maatschappij een onaanvaardbaar risico op, omdat het bezit van een vuurwapen kan leiden tot het gebruik ervan met alle gevolgen van dien.

Uit een uittreksel uit de justitiële documentatie van 21 augustus 2020 blijkt dat de verdachte in Nederland niet eerder voor strafbare feiten is veroordeeld. De verdachte is een vreemdeling in Nederland, die hier nog maar kort verblijf houdt en zich al vrij snel na zijn binnenkomst aan een ernstig misdrijf heeft schuldig gemaakt.

Gezien het bovenstaande kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een gevangenisstraf van enkele maanden. Bij de bepaling van die strafsoort en de duur daarvan is tevens acht geslagen op straffen die in soortgelijke zaken plegen te worden opgelegd. Er wordt aan de verdachte een lagere gevangenisstraf opgelegd dan door de officier van justitie is geëist, omdat de rechtbank de verdachte zoals hiervoor is overwogen zal vrijspreken van het voorhanden hebben van cocaïne en van het witwassen.

Alles afwegend acht de rechtbank de hierna te noemen straf passend en geboden.

9. Toepasselijke wettelijke voorschriften

Gelet is op de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie .

10 . Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

11 . Beslissing

De rechtbank:

verklaart niet bewezen dat de verdachte de onder 1 en 3 ten laste gelegde feiten heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart bewezen dat de verdachte het onder 2 ten laste gelegde feit, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte ook daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert het hiervoor vermelde strafbare feit;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 (vier) maanden;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;

heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte met ingang van de dag waarop de totale duur van de tot dan toe ondergane verzekering en voorlopige hechtenis gelijk zal zijn aan die van de opgelegde gevangenisstraf.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. M.K. Asscheman-Versluis, voorzitter,

en mrs. G.P. van de Beek en L.J.M. Janssen, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. L. Lobs-Tanzarella, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op de datum die in de kop van dit vonnis is vermeld.

De jongste rechter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage I

Tekst tenlastelegging

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

1.

hij op of omstreeks 26 mei 2020 te Rotterdam, althans in Nederland,

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

opzettelijk heeft bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd,

althans in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad,

ongeveer 5004,5 gram en/of 110,5 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

2.

hij op of omstreeks 26 mei 2020 te Rotterdam, althans in Nederland,

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een vuurwapen, althans een pistool, van het merk Walther, type P22, zijnde een vuurwapen in de vorm van een geweer, revolver en/of pistool voorhanden heeft gehad;

3.

hij op of omstreeks 26 mei 2020, te Rotterdam, althans in Nederland,

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

een voorwerp, te weten een geldbedrag (270.440 euro), heeft verworven, voorhanden gehad, overgedragen en/of omgezet,

en/of

van een voorwerp, te weten een geldbedrag (270.440 euro) gebruik heeft gemaakt, terwijl hij wist dat dat voorwerp geheel of gedeeltelijk - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig (eigen) misdrijf.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde jurisprudentie

Gerelateerde advocaten

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature