< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Zittingsplaats:
Instantie:
Vindplaats:

Inhoudsindicatie:

Ontbinding arbeidsovereenkomst op verzoek werknemer, zonder vergoedingen. Werknemer is niet tot bewijs toegelaten, omdat het verzoek zwaar is aangezet om werkgever ernstig verwijtbaar gedrag aan te wrijven.

Uitspraak



RECHTBANK ROTTERDAM

zaaknummer: 8082393 VZ VERZ 19-18460

uitspraak: 29 januari 2020

beschikking van de kantonrechter, zitting houdende te Rotterdam,

in de zaak van

[naam verzoekster] ,

wonende te [woonplaats verzoekster] , gemeente Nissewaard,

verzoekster,

gemachtigde: mr. J.P.J. Schipperen,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[naam verweerster] ,

gevestigd te [vestigingsplaats verweerster] , gemeente Nissewaard

verweerster,

gemachtigde: mr. J.L.R. Kenens.

Partijen worden hierna aangeduid als “ [naam verzoekster] ” en “ [naam verweerster] ”.

1 Het verloop van de procedure

1.1

Van de volgende processtukken is kennisgenomen:

- het verzoekschrift van [naam verzoekster] , met producties 1 tot en met 38, ontvangen op

3 oktober 2019;

- het verweerschrift van [naam verweerster] , met producties 1 tot en met 19, ontvangen op

19 november 2019;

het faxbericht van [naam verzoekster] van 19 november 2019;

het faxbericht van [naam verweerster] van 20 november 2019, met producties 20, 21 en 22;

het faxbericht van [naam verzoekster] van 22 november 2019, met productie 40 (lees: 39) als reactie op productie 21 van [naam verweerster] ;

de brief van [naam verweerster] van 22 november 2019, met productie 23;

de aantekeningen van de zitting en de bij die gelegenheid door de gemachtigden van partijen overgelegde pleitnota’s.

1.2

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 25 november 2019. [naam verzoekster] is verschenen, bijgestaan door mr. Schipperen. Namens [naam verweerster] is verschenen haar directeur [naam 1] , in het bijzijn van HR-medewerker [naam 2] , bijgestaan door

mr. Kenens.

1.3

De datum van de uitspraak van de beschikking is nader bepaald op heden.

2 De feiten

In deze procedure wordt uitgegaan van de volgende feiten:

2.1

Sinds 5 november 2001 is [naam verzoekster] werkzaam bij [naam verweerster] in de functie van taxichauffeur. Aanvankelijk op basis van een payrollconstructie via PPS en vanaf

1 januari 2008 op grond van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd. De overeengekomen arbeidsomvang van [naam verzoekster] bedraagt 20 uur per week, gedurende vijf dagen per week, en haar loon € 1.079,20 bruto per maand, exclusief 8% vakantietoeslag. [naam verzoekster] heeft herhaaldelijk extra uren gewerkt, over welke uren eveneens maandelijks loon is uitbetaald naar rato van het aantal gewerkte meeruren als daarvan sprake was. Als taxichauffeur vervoert [naam verzoekster] voornamelijk schoolkinderen met gedragsproblemen en ouderen. Dat doet zij van thuis uit met een taxibus, die zij daarvoor van [naam verweerster] ter beschikking gesteld heeft gekregen.

2.2

[naam verweerster] heeft een contract gehad met arbodienstverlener WorkingStyle, welk contract bij brief van 17 augustus 2018 is opgezegd per 31 december 2018.

2.3

Op of omstreeks 28 september 2018 heeft [naam verzoekster] zich ziek gemeld.

2.4

[naam verweerster] heeft de bedrijfsarts ingeschakeld, die op 17 oktober 2018 een probleemanalyse heeft uitgebracht, waarin - verkort weergegeven - vermeld wordt dat de uitval door ziekte deels niet en deels wel werkgerelateerd is en dat [naam verzoekster] beperkingen heeft waardoor zij haar eigen functie niet kan uitoefenen, met als prognose een duur van drie maanden. Onvoldoende mogelijkheden zijn waargenomen om re-integratie op te kunnen starten. Voor dat moment zijn geen benutbare arbeidsmogelijkheden gezien, maar voor de toekomst is werkhervatting in de eigen functie mogelijk geacht. Omdat de belastbaarheid ten tijde van de beoordeling zeer grillig is geacht en de werkrelatie met werkgever niet als optimaal werd beschouwd, is geadviseerd om vanuit de werkgever de onderlinge contacten via HR medewerker mevrouw [naam 2] te laten plaatsvinden, door [naam verzoekster] op vaste tijdstippen te bellen.

2.5

Op 16 november 2018 is gerapporteerd over een consult van [naam verzoekster] met de bedrijfsarts een dag eerder. Vermeld is dat er sprake is van ziekte of gebrek en dat [naam verzoekster] niet belastbaar is voor eigen of aangepast werk en dat dit pas duurzaam kan verbeteren bij een optimale behandeling. Tevens is bevestigd dat sprake is van adequate behandeling en/of gedrag ten aanzien van herstel, maar dat de prognose ten aanzien van volledig herstel niet goed te duiden is omdat meerdere factoren het herstel beïnvloeden. Daarbij is geadviseerd om met de werkgerelateerde problematiek pas voort te gaan als er medisch sprake is van een stabiel evenwicht en dat een gesprek met de werkgever in het bijzijn van een procesbegeleider dan zinvol is.

2.6

In de maanden na de ziekmelding heeft [naam 2] contact onderhouden met [naam verzoekster] , onder meer door haar regelmatig een e-mailbericht te sturen.

2.7

In december 2019 is [naam verzoekster] ervan op de hoogte gesteld dat [naam verweerster] van arbodienstverlener zou veranderen.

2.8

Vanaf 1 januari 2019 is [naam bedrijf] (hierna: [naam bedrijf] ) arbodienstverlener van [naam verweerster] .

2.9

Op 7 en 18 januari 2019 hebben bij [naam bedrijf] gesprekken plaatsgevonden tussen [naam 2] en [naam verzoekster] , laatstgenoemde in het bijzijn van haar meerderjarige zoon, onder begeleiding van casemanager [naam 3] . Onder meer is de mogelijkheid besproken om een vaststellingsovereenkomst tussen partijen te sluiten ter beëindiging van de arbeidsovereenkomst.

2.10

Op 30 januari 2019 heeft [naam verweerster] aan [naam verzoekster] een opgestelde vaststellings-overeenkomst ter beëindiging van het dienstverband doen toekomen. In overleg met haar zoon en na het inwinnen van juridisch advies heeft [naam verzoekster] niet ingestemd met het voorstel.

2.11

De bedrijfsarts heeft op 12 februari 2019 opnieuw een probleemanalyse uitgebracht, waarin - verkort weergegeven - vermeld wordt dat geen sprake is van arbeidsongeschiktheid op medische gronden, maar dat de arbeidsverhouding verstoord is door een arbeidsconflict. Tevens is vermeld dat [naam verzoekster] onder adequate arbeidsverhouding en omstandigheden volledig belastbaar is voor haar eigen werk en dat er benutbare arbeidsmogelijkheden zijn. Daarbij is aangegeven dat het aanbeveling verdient dat [naam verzoekster] en [naam verweerster] op korte termijn komen tot een werkbare oplossing voor het arbeidsconflict.

2.12

Bij brief van 26 februari 2019 heeft [naam verweerster] - verkort weergegeven - aan (de toenmalige gemachtigde van) [naam verzoekster] verzocht om op korte termijn tot een oplossing te komen en daartoe gelegenheid gegeven tot 1 maart 2019 17:00 uur. Tevens is onder verwijzing naar de laatste probleemanalyse, meegedeeld dat [naam verzoekster] belastbaar is voor haar eigen werk zonder medische beperkingen en dat, bij het uitblijven van een akkoord, van haar wordt verwacht dat zij op 4 maart 2019 haar werkzaamheden oppakt. Daarbij is meegedeeld dat niet op het werk verschijnen, wordt gezien als werkweigering en zal leiden tot het stopzetten van het loon per 4 maart 2019.

2.13

In reactie hierop heeft [naam verzoekster] bij e-mailbericht van donderdag 28 februari 2019 - verkort weergegeven - aan [naam verweerster] meegedeeld zich te verbazen over de brief omdat van de zijde van [naam verzoekster] verschillende malen initiatief is genomen om een oplossing te bereiken en de bereidheid is getoond om hierover in overleg te treden en dat de dinsdag daarvoor nog is meegedeeld dat diezelfde week een voorstel zou komen. Aangegeven is dat door een ultimatum te stellen en te dreigen met een loonstop, terwijl de week nog niet voorbij is, het arbeidsconflict onnodig verder op de spits wordt gedreven. Daarbij is meegedeeld dat [naam verzoekster] nog steeds medisch arbeidsongeschikt is en dat het met het oog op haar gezondheid niet mogelijk is om op de werkvloer te verschijnen.

2.14

[naam verzoekster] heeft haar werk op 4 maart 2019 niet hervat.

2.15

Bij e-mailbericht van 14 maart 2019 is - verkort weergegeven - aan (de toenmalige gemachtigde van) [naam verweerster] meegedeeld dat [naam verzoekster] bereid is om door middel van mediation op kosten van [naam verweerster] een oplossing te bereiken voor het arbeidsconflict. Tevens is gevraagd te bevestigen dat het volledige loon vanaf maart zal worden doorbetaald. Voorts is aanspraak gemaakt op uitbetaling van meeruren over de maand februari 2019 en om bevestiging gevraagd dat die uren alsnog worden uitbetaald.

2.16

Medio maart 2019 heeft [naam verweerster] loon over de maand februari 2019 aan [naam verzoekster] uitbetaald.

2.17

Bij brief van 1 april 2019 heeft [naam verweerster] - verkort weergegeven - aan [naam verzoekster] meegedeeld dat bij brief van 26 februari 2019 is aangegeven dat zij per 1 maart 2019 op haar werk werd verwacht, dat zij niet op het werk is verschenen, dat dit wordt gezien als werkweigering en dat om die reden haar salarisbetaling is opgeschort.

2.18

Bij e-mailbericht van 8 april 2019 heeft [naam verzoekster] - verkort weergegeven - geprotesteerd tegen opschorting van de betaling van haar loon en opnieuw aanspraak gemaakt op uitbetaling van meeruren over de maand februari 2019, waarbij is meegedeeld dat een kort geding aanhangig zal worden gemaakt als loonbetaling achterwege blijft.

2.19

[naam verzoekster] heeft in kort geding een loonvordering ingesteld, die op 24 mei 2019 ter zitting is behandeld. De kantonrechter heeft mondeling uitspraak gedaan en - verkort weergegeven - [naam verweerster] , uitvoerbaar bij voorraad, veroordeeld tot betaling van wettelijke verhoging van 25% over € 232,43 bruto (februari 2019), € 1.374,09 bruto (maart 2019) en

€ 1.436,55 bruto (april 2019), een en ander met wettelijke rente, plus betaling van

€ 1.079,20 bruto per maand vanaf 1 mei 2019 tot het einde van de arbeidsovereenkomst en uitbetaling van vakantietoeslag 2018/2019 in de maand mei 2019, met veroordeling van [naam verweerster] in de proceskosten en de nakosten. In het proces-verbaal van de mondelinge uitspraak is onder meer vermeld:

“(…) Tussen partijen is thans niet meer in geschil dat [naam verweerster] het salaris aan [naam verzoekster] verschuldigd is en [naam verzoekster] heeft erkend het basisloon en de meeruren over februari 2019 en het basisloon en de meeruren over de maanden maart en april 2019 (uiteindelijk) van [naam verweerster] te hebben ontvangen. (…)”

2.20

Kort na het kort geding is een mediationtraject gestart.

2.21

De bedrijfsarts heeft op 28 juni 2019 een re-integratieadvies uitgebracht, waarin - verkort weergegeven - vermeld wordt dat [naam verzoekster] geen beperkingen heeft ten gevolge van ziekte of gebrek en dat zij belastbaar is voor haar eigen werkzaamheden onder goede arbeidsverhoudingen. Het verdere beloop is afhankelijk geacht van het mediationtraject.

2.22

Het mediationtraject heeft niet geleid tot een oplossing voor het arbeidsconflict.

2.23

Tussen partijen is overleg gevoerd om middels een vaststellingsovereenkomst te komen tot een beëindiging van de arbeidsovereenkomst. Dat is niet gelukt.

2.24

De bedrijfsarts heeft op 2 augustus 2019 - verkort weergegeven - geschreven dat [naam verzoekster] geen beperkingen heeft als gevolg van ziekte of gebrek en belastbaar is voor de maatgevende arbeid, maar dat werkhervatting tot hernieuwde uitval zal leiden gezien het voortschrijdende arbeidsconflict. De bedrijfsarts heeft werkgever en werknemer verwezen naar hun juridisch adviseurs en geen indicatie aanwezig geacht voor een vervolgspreekuur.

2.25

Bij brief van 5 augustus 2019 heeft [naam verweerster] aan [naam verzoekster] meegedeeld dat zij haar werk op 7 augustus 2019 moest hervatten.

2.26

In reactie hierop heeft [naam verzoekster] bij e-mailbericht van 6 augustus 2019 meegedeeld dat zij het werk niet kan hervatten omdat dit tot hernieuwde uitval zal leiden vanwege het nog niet opgeloste arbeidsconflict.

2.27

Bij brief van 8 augustus 2019 heeft [naam verweerster] - verkort weergegeven - aan [naam verzoekster] meegedeeld dat de loonbetaling aan haar wordt gestaakt met ingang van 7 augustus 2019 wegens werkverzuim. Daarbij is [naam verzoekster] erop gewezen dat zij moet meewerken om de door haar als belastend ervaren arbeidsomstandigheden weg te nemen. [naam verzoekster] is uitgenodigd om contact op te nemen met [naam 2] om een afspraak te maken voor een overleg tussen hen beiden om de door [naam verzoekster] ervaren belemmeringen weg te nemen.

2.28

Nadien is tussen partijen nog gecorrespondeerd, hetgeen niet tot een oplossing heeft geleid. De opgelegde loonstop is gehandhaafd.

3 Het geschil

3.1

[naam verzoekster] verzoekt bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

als voorlopige voorziening voor de duur van het geding [naam verweerster] te veroordelen tot betaling aan [naam verzoekster] van € 1.079,20 bruto per maand vanaf 1 augustus 2019, te vermeerderen met 8% vakantiebijslag, tot aan de dag waarop de arbeidsovereenkomst tussen partijen rechtsgeldig is geëindigd, te vermeerderen met de maximale wettelijke verhoging van 50% ex artikel 7:625 BW en de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW vanaf de dag van opeisbaarheid tot aan de dag van algehele voldoening;

de tussen partijen bestaande arbeidsovereenkomst te ontbinden;

[naam verweerster] te veroordelen tot betaling aan [naam verzoekster] van de wettelijke transitie-vergoeding van € 16.857,28 bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW vanaf de dag van opeisbaarheid tot aan de dag van algehele voldoening;

[naam verweerster] te veroordelen tot betaling aan [naam verzoekster] van € 100.000 bruto, althans een door de kantonrechter te bepalen bedrag aan billijke vergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW vanaf de dag van opeisbaarheid tot aan de dag van algehele voldoening;

[naam verweerster] te veroordelen in de proceskosten.

3.2

Aan het verzoek legt [naam verzoekster] - zakelijk weergegeven en voor zover thans van belang - ten grondslag dat zij als gevolg van incidenten op het werk door ziekte is uitgevallen. Door de handelwijze van [naam verweerster] , ook na de uitval, is het arbeidsconflict tussen partijen verergerd. Zo is [naam verzoekster] respectloos behandeld en onder druk gezet om te komen werken, onder meer door ten onrechte tweemaal een loonstop op te leggen. [naam verweerster] heeft ook haar re-integratieverplichtingen ernstig veronachtzaamd. Daarnaast heeft [naam verweerster] geprobeerd de arbeidsovereenkomst met [naam verzoekster] te beëindigen op een wijze waardoor zij ernstig zou zijn benadeeld. Zodoende heeft [naam verweerster] ernstig verwijtbaar gehandeld tegenover [naam verzoekster] op grond waarvan de arbeidsovereenkomst billijkheidshalve dadelijk of na korte tijd behoort te eindigen en aanspraak wordt gemaakt op betaling van de transitievergoeding en op toekenning van een billijke vergoeding.

3.3

[naam verweerster] voert verweer.

3.4

De stellingen van partijen worden voor zover nodig in het kader van de beoordeling van de verzoeken nader besproken.

4 De beoordeling

4.1

[naam verzoekster] verzoekt de tussen partijen bestaande arbeidsovereenkomst te ontbinden. Dat verzoek zal worden toegewezen, want [naam verweerster] verzet zich hier niet tegen. Ook wat [naam verweerster] betreft, dient de arbeidsovereenkomst dadelijk of na korte tijd te worden ontbonden.

4.2

[naam verweerster] bestrijdt echter wel dat [naam verzoekster] aanspraak heeft op transitievergoeding en dat haar een billijke vergoeding zou toekomen. Hierin wordt [naam verweerster] gevolgd, want het betreft een werknemersverzoek, zodat er in beginsel geen reden is om dergelijke vergoedingen toe te kennen. Dat kan uitzondering leiden als de ontbinding van de arbeidsovereenkomst het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever, maar die situatie doet zich naar het oordeel van de kantonrechter niet voor. Integendeel. Hierna zal dit worden toegelicht, door op hoofdlijnen in te gaan op datgene wat [naam verzoekster] verwijtbaar acht, maar waarover de kantonrechter anders oordeelt.

Ziekte en arbeidsconflict

4.2.1

Niet is in geschil dat [naam verzoekster] eind september 2018 is uitgevallen door ziekte.

4.2.2

[naam verzoekster] stelt dat dit het gevolg is van een opeenstapeling van incidenten die zich de afgelopen jaren hebben voorgedaan. Kort gezegd zou zij door haar leidinggevende [naam 1] over het algemeen respectloos zijn toegesproken, heeft zij haar werkzaamheden in spanning en angst moeten verrichten, en heeft zij op haar tenen moeten lopen. [naam verweerster] heeft dit gemotiveerd weersproken.

4.2.3

Vooropgesteld wordt dat het gestelde door [naam verzoekster] over voormelde bejegening nauwelijks is onderbouwd. Het enige wat ter onderbouwing hiervan in het geding is gebracht, zijn (ongedateerde) dagboekaantekeningen van haarzelf. Er zijn geen verklaringen van anderen overgelegd die haar daarin steunen. Ook blijkt nergens uit dat [naam verzoekster] op enig moment voor haar uitval hierover haar beklag heeft gedaan bij [naam verweerster] .

4.2.4

Misschien is het zo dat haar leidinggevende soms (te) stevig taalgebruik bezigt, maar gedurende haar gehele loopbaan bij [naam verweerster] van (ten tijde van de uitval) 16 jaar heeft [naam verzoekster] met hem te maken gehad. Zijn aanwezigheid heeft [naam verzoekster] er niet van weerhouden om uitbreiding van haar arbeidsduur te verzoeken in november 2017, waarbij zij destijds (nog geen jaar voor haar uitval) heeft aangegeven met plezier in dienst te zijn van [naam verweerster] . Eerst na haar uitval heeft [naam verzoekster] , in een e-mailbericht van 13 oktober 2018 aan [naam 2] , aangegeven spanningen te ervaren in de relatie met [naam 1] , maar in dat bericht heeft zij ook aangegeven dat zij steeds heeft geprobeerd haar klachten weg te stoppen omdat ze haar werk immers met veel plezier doet.

4.2.5

Tegen deze achtergrond is het gestelde dat [naam verzoekster] over het algemeen respectloos zou zijn toegesproken en haar werkzaamheden in spanning en angst heeft moeten verrichten, niet aannemelijk.

4.2.6

Aangevoerd is dat [naam verweerster] kort voor de uitval van [naam verzoekster] genoodzaakt is geweest om haar van een taxirit te halen. Dit tot onvrede van haar. De reden voor het ingrijpen door [naam verweerster] is geweest dat zich vanaf eind januari 2018 incidenten hadden voorgedaan bij het vervoer van kinderen met gedragsproblemen door [naam verzoekster] . In maart 2018 heeft [naam verweerster] aan [naam verzoekster] voorgesteld die rit op de maandagochtend te ruilen voor een rit op de zondag, maar [naam verzoekster] wilde dat niet. Na een periode van nieuwe incidenten tijdens de taxirit en een klacht van een van de ouders over [naam verzoekster] , is [naam 1] het gesprek hierover met haar aangegaan en is contact gezocht met de ouders van de kinderen die door haar vervoerd werden om te zeggen dat bepaald gedrag niet getolereerd werd. Toen één van de kinderen wederom over de schreef ging, heeft [naam 1] de ouders meegedeeld dat het vervoer van de betreffende jongen voor een week zou worden gestaakt. Hierop is [naam 1] aangesproken door de gemeente, als aanbesteder van het vervoer, die hem te verstaan heeft gegeven dat schorsing van het vervoer van een kind pas aan de orde kon zijn na het versturen van een waarschuwingsbrief. Een dergelijke brief is alsnog verstuurd. Omdat het kind in de tussentijd toch vervoerd moest worden, is besloten om [naam verzoekster] voorlopig niet meer in te delen op de betreffende taxirit. Daarna heeft [naam verzoekster] volgens [naam verweerster] nog twee ritten gereden, voordat zij zich ziek meldde.

4.2.7

In reactie hierop heeft [naam verzoekster] gesteld dat [naam verweerster] haar de ritten van de schoolkinderen heeft afgenomen en dat er weinig ritten voor haar overbleven. Dat is op dat moment misschien wel zo geweest, maar doet er niet aan af dat [naam 1] het aanvankelijk voor [naam verzoekster] heeft opgenomen door te besluiten het kind niet langer te vervoeren en later, nadat de gemeente hem hierover had teruggefloten, in redelijkheid heeft kunnen besluiten om [naam verzoekster] (tijdelijk) van de ritten te halen ter voorkoming van nieuwe incidenten.

4.2.8

Wat betreft de uitval voert [naam verweerster] nog aan dat de ziekmelding betrekking had op “griep” en dat uit de probleemanalyse van de bedrijfsarts van 17 oktober 2018 blijkt dat er, naast werk gerelateerde problematiek, tevens sprake was van niet werk gerelateerde problematiek, waarvoor [naam verzoekster] al jarenlang medicamenteuze behandeling ondergaat en dat in die medicatie op dat moment een verandering was doorgevoerd, waarvan het effect pas drie à vier weken later zou blijken. Dat deze medische situatie destijds al aan de orde was, doet verder af aan het gestelde dat de uitval (verwijtbaar) verband houdt met de bejegening van [naam verzoekster] , althans trekt dat meer in twijfel. Wat dit aangaat is van betekenis dat [naam verweerster] onweersproken heeft aangevoerd dat in de privésfeer van [naam verzoekster] zich problemen hebben voorgedaan, die haar uit evenwicht kunnen hebben gebracht, maar dat zij vóór de probleemanalyse niet bekend was met angst- en spanningsklachten bij [naam verzoekster] en medicijngebruik door haar en daarmee dan ook geen rekening heeft kunnen houden, hetgeen verder afdoet aan de verwijten aan haar adres.

4.2.9

Kortom, niet staat vast dat de wijze van bejegening door haar leidinggevende de oorzaak is geweest van de uitval van [naam verzoekster] , laat staan dat [naam verweerster] hiervan een verwijt treft. Omdat het verzoek op dit punt nauwelijks is onderbouwd en te zwaar is aangezet, gezien de gekozen bewoordingen en het navolgende omtrent [naam verzoekster] bijdrage aan de ontstane situatie, wordt het niet nader gespecificeerde bewijsaanbod, dat ook niet in het bijzonder ziet op de uitval, het beweerdelijke arbeidsconflict toentertijd en het causaal verband tussen beiden, gepasseerd.

re-integratietraject

4.2.10

Gesteld wordt dat [naam verzoekster] na haar ziekmelding structureel onder druk is gezet om weer te komen werken. Dit mist echter feitelijke grondslag. Als vermeld heeft [naam verweerster] na de ziekmelding de bedrijfsarts ingeschakeld die een probleemanalyse heeft uitgebracht en re-integratie op dat moment niet mogelijk achtte, maar het wel zinvol vond om onderling contact te houden door [naam 2] op vaste tijdstippen telefonisch contact te laten opnemen met [naam verzoekster] . Naast een enkel telefoontje heeft [naam 2] dit contact vooral via de e-mail laten lopen, waarbij de toonzetting steeds vriendelijk en zeker niet dwingend is geweest. Zonder nadere motivering en objectief medische onderbouwing, die ontbreekt, valt niet in te zien dat door deze gang van zaken verwijtbaar ongeoorloofde druk op [naam verzoekster] zou zijn gelegd.

gesprekken in januari 2019 en aanbod beëindiging arbeidsovereenkomst

4.2.11

Gesteld wordt dat in strijd met de adviezen van de bedrijfsarts in januari 2019 gesprekken met [naam verzoekster] zijn geïnitieerd, maar ook hierin wordt zij niet gevolgd, want de bedrijfsarts heeft in oktober 2018 als prognose gegeven dat de uitval drie maanden zou duren en in november 2018 geadviseerd om met de werk gerelateerde problematiek voort te gaan als er medisch sprake zou zijn van een stabiel evenwicht en dat in dat geval een gesprek met de werkgever in het bijzijn van een procesbegeleider dan zinvol werd geacht. Omdat in januari 2019 inmiddels drie maanden waren verstreken na de uitval, terwijl gesteld noch gebleken is dat [naam verzoekster] toen het gesprek niet aankon, wordt er geen basis gezien voor het oordeel dat gehandeld is in strijd met adviezen van de bedrijfsarts. Nergens blijkt uit dat [naam verzoekster] niet in staat is geweest om op 7 en 18 januari 2019 te praten over door haar ervaren problemen op het werk. Als vermeld onder 2.9 hebben die gesprekken plaatsgevonden tussen [naam verzoekster] en [naam 2] op een locatie van arbodienstverlener [naam bedrijf] , onder begeleiding van een casemanager, zodat ook in zoverre tegemoet gekomen is aan het advies van de bedrijfsarts. Daarnaast is [naam verzoekster] bij de gesprekken vergezeld door haar meerderjarige zoon. Deze gang van zaken wordt zeker niet onzorgvuldig of verwijtbaar geacht.

4.2.12

Vaststaat dat tijdens de gesprekken de mogelijkheid is besproken om middels een vaststellingsovereenkomst de arbeidsovereenkomst te beëindigen. Naar aanleiding daarvan heeft [naam verweerster] op 30 januari 2019 een concept vaststellingsovereenkomst aan [naam verzoekster] doen toekomen. Gesteld wordt dat aanvaarding van die vaststellingsovereenkomst desastreuze gevolgen zou hebben gehad voor [naam verzoekster] . Nog daargelaten dat sterk is dat aanvaarding van het aanbod dit effect zou hebben gesorteerd, geldt dat [naam verweerster] vrij is geweest om een aanbod te doen waarin een opzegtermijn van één maand werd gehanteerd en geen beëindigingsvergoeding was opgenomen, ook al zou zij hebben geweten dat [naam verzoekster] vervolgens geen recht zou hebben gehad op enigerlei uitkering. Dat zou uit hoofde van goed werkgeverschap anders zijn geweest als [naam verweerster] ermee bekend was geweest dat [naam verzoekster] op dat moment in een voor haar uitzonderlijke toestand verkeerde waardoor zij (de gevolgen van) het aanbod niet kon overzien en aanvaarding daarvan haar in het geheel niet zou kunnen worden toegerekend, maar een dergelijke situatie heeft zich niet voorgedaan. Nergens blijkt dat [naam verzoekster] ten tijde van het aanbod niet bij haar volle verstand was. [naam verzoekster] en haar zoon hebben het aanbod beoordeeld en na het inwinnen van juridisch advies afgewezen. Ook ten aanzien van hiervan treft [naam verweerster] dus geen verwijt.

hersteld melding en opschorting loonbetaling

4.2.13

De bedrijfsarts heeft op 12 februari 2019 een probleemanalyse uitgebracht, waaruit blijkt dat toen niet langer sprake was van arbeidsongeschiktheid op medische gronden. Er is weliswaar gerelateerd over een verstoorde arbeidsverhouding door een arbeidsconflict, hetgeen echter niet nader is geduid, zodat ervan wordt uitgegaan dat met dit arbeidsconflict niets anders is bedoeld dan wat hierover in de onderhavige procedure is gesteld, waarop hierboven reeds is ingegaan, maar tevens heeft de bedrijfsarts opgemerkt dat [naam verzoekster] volledig belastbaar is voor haar eigen werk en dat er voor haar benutbare arbeidsmogelijkheden waren.

4.2.14

Het behoeft geen betoog dat, nu er kennelijk geen medische beperkingen waren vastgesteld en er dus geen sprake was van arbeidsongeschiktheid, [naam verweerster] heeft mogen aansturen op werkhervatting door [naam verzoekster] . Dat is niet rauwelijks gebeurd, want er zijn veertien dagen verstreken na de laatste probleemanalyse alvorens [naam verzoekster] hierover bij brief van 26 februari 2019 is aangeschreven door [naam verweerster] . Daarbij is [naam verzoekster] niet te verstaan gegeven dat zij onmiddellijk haar werk diende te hervatten, maar eerst op 4 maart 2019, waaraan voorafgaand gelegenheid is geboden om tot een oplossing te komen.

4.2.15

Duidelijk is dat het dreigement van [naam verweerster] om het loon stop te zetten als [naam verzoekster] op 4 maart 2019 niet op het werk zou verschijnen bij haar in het verkeerde keelgat is geschoten, maar dat laat onverlet dat [naam verweerster] bevoegd is geweest om hiertoe over te gaan en dat [naam verzoekster] het in de hand heeft gehad om het niet zover te laten komen. Uiteindelijk is zij het zelf geweest die de situatie heeft doen escaleren door zonder deugdelijke grond niet op het werk te verschijnen. In dit verband is van betekenis dat [naam verzoekster] haar stelling dat zij nog steeds arbeidsongeschikt was en dat het met het oog op haar gezondheid niet mogelijk was om op de werkvloer te verschijnen op geen enkele wijze heeft onderbouwd. [naam verzoekster] heeft aldus niet aannemelijk gemaakt dat in die periode de arbeidsomstandigheden bij [naam verweerster] voor haar zodanig waren dat, met het oog op de (dreiging van) psychische of lichamelijke klachten, van haar redelijkerwijs niet kon worden gevergd dat zij haar werkzaamheden zou verrichten. Daarbij is van belang dat het hier gaat om tamelijk solistische werkzaamheden als taxichauffeur, letterlijk op afstand van de baas. [naam verzoekster] heeft ook niet alle medewerking verleend om over beletsels voor haar werkhervatting heen te stappen, althans de daartoe tot 1 maart 2019 geboden gelegenheid heeft zij niet aangegrepen om tot een oplossing te komen.

4.2.16

Gelet op het vorenstaande is er vanaf maart 2019 sprake geweest van ongeoorloofde werkweigering op grond waarvan [naam verweerster] zich op het standpunt had kunnen stellen dat [naam verzoekster] geen recht had op loon. Dat standpunt heeft [naam verweerster] toen echter niet ingenomen. Pas een maand later is zij overgegaan tot de minder vergaande maatregel van opschorting van de uitbetaling van het loon, waardoor de betaling daarvan werd uitgesteld. Kennelijk heeft [naam verweerster] zich toen nog verbonden geacht aan de betaling van loon aan [naam verzoekster] . Dat blijkt ook uit het overwogene in het onder 2.19 vermelde proces-verbaal van de mondelinge uitspraak in kort geding. Er zijn nadien ook nabetalingen gedaan aan [naam verzoekster] van loon over de betreffende maanden.

4.2.17

Daar waar [naam verzoekster] strikt genomen geen recht heeft gehad op loon, maar [naam verweerster] desondanks toch tot betaling daarvan is overgegaan, zij het met reden op een later tijdstip dan te doen gebruikelijk, wordt geen grond gezien voor het oordeel dat [naam verweerster] verwijtbaar heeft gehandeld jegens [naam verzoekster] .

mediation

4.2.18

Geprobeerd is nog om door middel van mediation tot een oplossing te komen. Dat is niet gelukt, terwijl het gestelde hieromtrent geen grond biedt voor het oordeel dat het niet slagen van het mediationtraject aan [naam verweerster] te wijten is.

loonstop

4.2.19

De bedrijfsarts heeft op 28 juni 2019 en 2 augustus 2019 kort gezegd nogmaals aangegeven dat [naam verzoekster] niet arbeidsongeschikt is.

4.2.20

Partijen hebben wederom geen overeenstemming bereikt om de arbeidsovereenkomst middels een vaststellingsovereenkomst te beëindigen.

4.2.22

[naam verzoekster] is daarna meegedeeld dat zij haar werkzaamheden op 7 augustus 2019 diende te hervatten. Dat heeft zij niet gedaan, zodat [naam verweerster] , mede gezien het vorenstaande, op goede gronden de betaling van het loon van [naam verzoekster] heeft gestopt. Ook hiervan treft [naam verweerster] dus geen verwijt.

4.3

Resumerend is naar het oordeel van de kantonrechter geen sprake van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten door [naam verweerster] . Zij heeft gedaan wat van een werkgever onder de gegeven omstandigheden mag worden verwacht en zelfs meer dan dat, want zij heeft loon doorbetaald waar dat niet had gehoeven. Vooral [naam verzoekster] is debet aan de thans ontstane situatie. Met name het volharden in de weigering om te komen werken, terwijl zij niet langer arbeidsongeschikt was, wordt ernstig verwijtbaar geacht. Het lijkt er sterk op dat [naam verzoekster] de werkhervatting heeft lopen frustreren om [naam verweerster] te forceren tot het aanbieden van ontslagvergoeding, waartoe zij niet genegen is geweest en ook niet hoefde te zijn nu het in eerste instantie [naam verzoekster] wens is geweest om afscheid van elkaar te nemen.

4.4

Omdat de kantonrechter voornemens is om de ontbinding van de arbeidsovereenkomst uit te spreken, zonder daaraan de door [naam verzoekster] verzochte vergoedingen te verbinden, wordt haar een termijn gesteld binnen welke zij de bevoegdheid heeft haar verzoek in te trekken. Voor het geval [naam verzoekster] dat doet, zal de kantonrechter een beslissing geven omtrent de proceskosten.

4.5

[naam verzoekster] wordt als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten veroordeeld, aan de zijde van [naam verweerster] vastgesteld op € 721,00 aan salaris voor de gemachtigde. Indien [naam verzoekster] het verzoek intrekt, zal zij ook deze kosten moeten betalen.

4.6

Bij deze stand van zaken wordt de verzochte voorlopige voorziening afgewezen.

5 De beslissing

De kantonrechter:

stelt [naam verzoekster] in de gelegenheid uiterlijk op 12 februari 2020 het verzoek in te trekken;

veroordeelt [naam verzoekster] in dat geval in de proceskosten aan de zijde van [naam verweerster] tot aan deze uitspraak vastgesteld op € 721,00 aan salaris voor de gemachtigde;

en, voor het geval het verzoek niet tijdig wordt ingetrokken:

ontbindt de arbeidsovereenkomst tussen partijen per 1 maart 2020;

veroordeelt [naam verzoekster] in de proceskosten aan de zijde van [naam verweerster] , tot aan deze beschikking vastgesteld op € 721,00 aan salaris voor de gemachtigde;

wijst af het meer of anders verzochte en verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven door mr. H.M. van de Ven en uitgesproken ter openbare terechtzitting.

465


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde wetgeving

Gerelateerde advocaten

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature