< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak




U dient ingelogd te zijn om favorieten te kunnen toevoegen aan Mijn Jure
U kunt zich hier gratis registreren
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Zittingsplaats:
Instantie:
Vindplaatsen:

Inhoudsindicatie:

Aanvraag om een pgb voor huiswerkbegeleiding op grond van de Jeugdwet. Afbakening Jeugdwet en passend onderwijs. Artikel 17b van de Wvo, als onderdeel van het stelsel van passend onderwijs is de aangewezen grondslag voor de door eiseres gevraagde ondersteuning. Dat geen overleg is gepleegd tussen de school, of het samenwerkingsverband waartoe de school behoort, en verweerder is te betreuren, maar kan niet afdoen aan de in 6.1 getrokken conclusie.

Uitspraak



Rechtbank Rotterdam

Bestuursrecht

zaaknummer: ROT 19/2763

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 1 juli 2020 in de zaak tussen

[eiseres] , wettelijk vertegenwoordiger van [naam dochter eiseres] , te [woonplaats] , eiseres,

en

het college van burgemeester en wethouders van Hoeksche Waard, verweerder,

gemachtigde: mr. drs. J.E. Ossewaarde.

Procesverloop

Bij besluit van 9 november 2018 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiseres om een persoonsgebonden budget (pgb) voor jeugdhulp op grond van de Jeugdwet afgewezen.

Bij besluit van 24 april 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Eiseres heeft nadere stukken ingediend.

De mondelinge behandeling heeft op 24 juni 2020 met toepassing van artikel 2, eerste lid, van de Tijdelijke wet COVID-19 Justitie en Veiligheid, met elektronische communicatie plaatsgevonden. Gehoord zijn mr. drs. J.E. Ossewaarde namens verweerder en [eiseres] .

Overwegingen

1. Eiseres heeft ondersteuning in de vorm van een persoonsgebonden budget (pgb) aangevraagd voor haar dochter [naam dochter eiseres] op grond van de Jeugdwet. [naam dochter eiseres] , geboren in 2004, volgt onderwijs aan het gymnasium in Dordrecht en is gediagnostiseerd met asperger en adhd. Uit het ‘Actieplan’ van 5 oktober 2018 blijkt dat eiseres hulp vraagt voor het plannen en structureren van het huiswerk van [naam dochter eiseres] en bij het verder ontwikkelen van haar executieve functies. Met het pgb wil zij huiswerkbegeleiding bij Lyceo inkopen voor één dagdeel (later mogelijk uit te breiden naar vier dagdelen) per week, in aanvulling op de drie dagdelen per week die door de school worden betaald in het kader van passend onderwijs.

2. Verweerder heeft aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat de door Lyceo geboden huiswerkbegeleiding kan worden aangemerkt als onderwijsondersteuning, waarvoor de Wet passend onderwijs, en niet de Jeugdwet, het van toepassing zijnde kader is. Er is geen sprake van een vorm van jeugdhulp in het kader van de Jeugdwet. Op grond van artikel 1.2, eerste lid onder b, van de Jeugdwet is het college niet gehouden een jeugdhulpvoorziening te treffen.

3. Eiseres voert aan – kort weergegeven – dat de aanvraag een aanvulling is op de hulp die zij krijgt in het kader van passend onderwijs, omdat deze hulp onvoldoende is om aan de hulpvraag tegemoet te komen. Zij wijst op het advies van de Onderwijsraad ‘Samen voor een ononderbroken schoolloopbaan en de handreiking ‘Verbinding passend onderwijs en zorg voor de jeugd’ van OCW en VWS, waarin onder andere is opgenomen dat de gemeente en schoolbesturen speelvelden met elkaar moeten verbinden en dat de gemeente mede verantwoordelijk is voor de begeleiding op school. Verder betoogt eiseres dat de ondersteuning van Lyceo niet ziet op educatieve vaardigheden, maar op vaardigheden die [naam dochter eiseres] door haar beperking niet voldoende heeft ontwikkeld. Tot slot voert zij aan dat verweerder met het bestreden besluit voorbij is gegaan aan haar in bezwaar ingebrachte gronden dat niet is voldaan aan het gelijkheidsbeginsel en dat verweerder artikel 5.1.1 van het Besluit Jeugdwet te eng heeft uitgelegd.

De rechtbank komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

In artikel 1.1 van de Jeugdwet wordt onder jeugdhulp verstaan:

“1°. ondersteuning van en hulp en zorg, niet zijnde preventie, aan jeugdigen en hun ouders bij het verminderen, stabiliseren, behandelen en opheffen van of omgaan met de gevolgen van psychische problemen en stoornissen, psychosociale problemen, gedragsproblemen of een verstandelijke beperking van de jeugdige, opvoedingsproblemen van de ouders of adoptiegerelateerde problemen;

2°. het bevorderen van de deelname aan het maatschappelijk verkeer en van het zelfstandig functioneren van jeugdigen met een somatische, verstandelijke, lichamelijke of zintuiglijke beperking, een chronisch psychisch probleem of een psychosociaal probleem en die de leeftijd van achttien jaar nog niet hebben bereikt, en

3°. het ondersteunen bij of het overnemen van activiteiten op het gebied van de persoonlijke verzorging gericht op het opheffen van een tekort aan zelfredzaamheid bij jeugdigen met een verstandelijke, lichamelijke of zintuiglijke beperking of een somatische of psychiatrische aandoening of beperking, die de leeftijd van achttien jaar nog niet hebben bereikt.”

Artikel 2.3 van de Jeugdwet bepaalt dat indien naar het oordeel van het college een jeugdige of een ouder jeugdhulp nodig heeft in verband met opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen en voor zover de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen ontoereikend zijn, het college ten behoeve van de jeugdige die zijn woonplaats heeft binnen zijn gemeente, voorzieningen op het gebied van jeugdhulp treft. Het college waarborgt een deskundige toeleiding naar, advisering over, bepaling van en het inzetten van de aangewezen voorziening, waardoor de jeugdige in staat wordt gesteld:

a. gezond en veilig op te groeien;

b. te groeien naar zelfstandigheid, en

c. voldoende zelfredzaam te zijn en maatschappelijk te participeren, rekening houdend met zijn leeftijd en ontwikkelingsniveau.

Artikel 2.7, eerste lid, van de Jeugdwet luidt: “1. Het college treedt bij het treffen van een individuele voorziening zo nodig in overleg met het bevoegd gezag van een school als bedoeld in artikel 1 van de Wet op het primair onderwijs , artikel 1 van de Wet op het voortgezet onderwijs, artikel 1 van de Wet op de expertisecentra of van een instelling als bedoeld in artikel 1.1.1 van de Wet educatie en beroepsonderwijs , waar de jeugdige schoolgaand is. ”

4.2.

Artikel 17b, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet op het voorgezet onderwijs (Wvo) bepaalt dat ten aanzien van leerlingen die extra ondersteuning behoeven, het onderwijs gericht is op individuele begeleiding die is afgestemd op de behoeften van de leerling. Zo nodig treedt het bevoegd gezag daarbij in overleg met:

a. het college van burgemeester en wethouders van de gemeente waar de leerling zijn woonplaats heeft als bedoeld in artikel 1.1. van de Jeugdwet .

5.1.

Artikel 17b van de Wvo is ingevoerd met de wet van 11 oktober 2012 (Staatsblad 2012, 533), in werking getreden op 1 augustus 2013, tot invoering van het zogenoemde passend onderwijs. Uit de in 4.1 en 4.2 genoemde bepalingen van de Jeugdwet en de Wvo blijkt niet van een exacte begrenzing van de voorzieningen die onder het bereik van de Jeugdwet vallen dan wel onder die van het passend onderwijs. Wel blijkt uit die wetten dat de verantwoordelijke bestuursorganen zo nodig overleg plegen over de te treffen voorzieningen.

5.2

De Jeugdwet ziet op ondersteuning bij onder andere psychische stoornissen; zie bijvoorbeeld de memorie van toelichting bij de Jeugdwet (TK 2012-2013, 33684, nr. 3, blz. 118). Dat is hier het geval. Die ondersteuning kan zich op uiteenlopende leefgebieden voordoen. Het passend onderwijs ziet meer specifiek op onderwijs aan leerlingen die extra ondersteuning behoeven, en is daarmee gericht op het doorlopen van het onderwijsprogramma. In de memorie van toelichting bij de wet die heeft geleid tot invoering van passend onderwijs (TK 2011-12, 33106, nr. 3) is onderwijs aan kinderen met autisme of adhd ook als voorbeeld genoemd.

6.1

De vraag is waar hetgeen in 5.1 en 5.2 is overwogen ons brengt ter beoordeling van het beroep van eiseres. Uit het actieplan blijkt dat de hulpvraag van eiseres is gericht op ondersteuning bij het plannen en structureren van het huiswerk en het verder ontwikkelen van executieve functies, zoals het opstarten van taken en het uitvoeren van een planning. De door eiseres gekozen hulp wordt geboden door Lyceo in de vorm van huiswerkbegeleiding. In beroep voert eiseres aan dat voor ondersteuning door Lyceo is gekozen omdat uitval van school dreigde. Hieruit valt op te maken dat de gewenste ondersteuning in de eerste plaats is gericht op het doorlopen van het onderwijsprogramma. Dat de ondersteuning mogelijk ook een bijdrage levert aan de ontwikkeling van [naam dochter eiseres] op andere leefgebieden, doet hier niet aan af, nu de gevraagde voorziening daarop niet primair is gericht. Op grond hiervan moet ervan worden uitgegaan dat sprake is van een specifiek op onderwijs gerichte voorziening in het kader van passend onderwijs en niet van een meer algemene voorziening die valt onder jeugdhulp. Dit betekent dat artikel 17b van de Wvo, als onderdeel van het stelsel van passend onderwijs, de aangewezen grondslag is voor de door eiseres gevraagde ondersteuning. Gelet hierop, heeft verweerder de aanvraag van eiseres terecht afgewezen op de grondslag dat de ondersteuning aan [naam dochter eiseres] door Lyceo geen vorm van jeugdhulp is in het kader van de Jeugdwet.

6.2.

Uit de stukken en het verhandelde ter zitting moet worden afgeleid dat in het kader van de vraag welke voorziening voor [naam dochter eiseres] is aangewezen geen overleg is gepleegd tussen de school, of het samenwerkingsverband waartoe de school behoort, en verweerder. Dat is te betreuren, maar kan niet afdoen aan de in 6.1 getrokken conclusie. Wel zij opgemerkt dat bij een eventuele volgende aanvraag om ondersteuning overleg tussen deze organen is aangewezen.

7. De beroepsgrond dat verweerder het gelijkheidsbeginsel heeft geschonden, omdat verweerder een eerdere – niet in geding zijnde – aanvraag van eiseres op een andere grond had afgewezen, slaagt niet, reeds nu een nieuwe aanvraag voorlag, en een bestuursorgaan doorgaans, zo ook in dit geval, bevoegd is om de motivering van een besluit te wijzigen. Ook van strijd met het willekeurbeginsel is daarom geen sprake.

De beroepsgrond dat verweerder artikel 5.1.1 van het Besluit Jeugdzorg te eng zou hebben uitgelegd kan evenmin slagen, reeds nu die bepaling niet aan het bestreden besluit ten grondslag ligt.

8. De conclusie moet zijn dat het beroep ongegrond is.

9. Voor een proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. H. Bedee, rechter, in aanwezigheid van mr. T. Dijkhoff, griffier. De uitspraak is gedaan op 1 juli 2020. Als gevolg van maatregelen rondom het coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak alsnog in het openbaar uitgesproken.

De griffier is buiten staat De rechter is verhinderd te tekenen

griffier rechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature