< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Zittingsplaats:
Instantie:
Vindplaats:

Inhoudsindicatie:

Afwijzing verzoek ontbinding arbeidsovereenkomst secretaris MR vanwege verband met opzegverbod (art. 7:670 lid 4 BW).

Uitspraak



RECHTBANK ROTTERDAM

zaaknummer: 8393722 VZ VERZ 20-4660

uitspraak: 18 juni 2020

beschikking van de kantonrechter, zitting houdende te Rotterdam,

in de zaak van

de stichting

Stichting voor Islamitisch Voortgezet Onderwijs in Rotterdam e.o.,

gevestigd te Rotterdam,

verzoekster,

gemachtigde: mr. J.C. Brökling te Rotterdam,

tegen

[verweerster] ,

wonende te [woonplaats verweerster] ,

verweerster,

gemachtigde: mr. L. Hoogeveen-Vlasveld te Rotterdam.

Partijen worden hierna aangeduid als “de Stichting” en “ [verweerster] ”.

1. Het verloop van de procedure

1.1.

Van de volgende processtukken is kennisgenomen:

het verzoekschrift met producties, ter griffie ontvangen op 17 maart 2020;

het verweerschrift met producties, ter griffie ontvangen op 15 mei 2020;

de brief van mr. Brökling met aanvullende producties, ter griffie ontvangen op 18 mei 2020;

de bij gelegenheid van de mondelinge behandeling overgelegde pleitnota

aan de zijde van de Stichting;

1.2.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 28 mei 2020. Namens de Stichting zijn verschenen de heer [naam persoon 1] (bestuursvoorzitter) en de heer [naam persoon 2] (directeur), tezamen met hun gemachtigde mr. J.C. Brökling. [verweerster] is in persoon verschenen, vergezeld van haar gemachtigde mr. L. Hoogeveen-Vlasveld. Partijen hebben ieder het eigen standpunt (nader) toegelicht. Van hetgeen ter zitting is besproken is aantekening gehouden door de griffier.

1.3.

De kantonrechter heeft de uitspraak van deze beschikking vervolgens bepaald.

2. De feiten

In deze procedure wordt uitgegaan van de volgende feiten:

2.1.

[verweerster] , geboren op [geboortedatum] , is op 1 oktober 2014 op basis van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd in dienst getreden van de Stichting. Met ingang van 1 augustus 2016 is de arbeidsovereenkomst omgezet in een vast dienstverband. Laatstelijk is [verweerster] werkzaam in de functie Docent LB op het [naam school] . Het salaris bedraagt thans € 3.018,40 bruto per maand, vermeerderd 8% vakantietoeslag en een eindejaarsuitkering van 7,4% per jaar.

2.2.

Op de arbeidsovereenkomst is de CAO Voortgezet Onderwijs van toepassing.

2.3.

[verweerster] is secretaris van de medezeggenschapsraad (hierna: MR) van het [naam school] .

2.4.

Op 7 oktober 2019 heeft [verweerster] zich ziek gemeld.

2.5.

Bij brief van 23 januari 2020 schrijft de gemachtigde van de Stichting aan [verweerster] , voor zover van belang, het volgende:

“ (…)

1. Cliënte heeft van diverse collega’s vernomen dat u zeer negatieve uitlatingen heeft gedaan over een aantal collega’s behorend tot het management team (hierna ‘MT’) van cliënte. Deze collega’s hebben verklaard dat u de volgende uitspraken heeft gedaan over deze personen: ze zouden niet betrouwbaar en niet geschikt zijn; zich schuldig maken aan diefstal van de school en de school kapot willen maken. Deze uitspraken zijn zeer belastend voor cliënte en zorgen voor een negatieve sfeer binnen de school. Bovendien kunnen deze uitspraken gezien worden als smaad en/of laster, hetgeen een strafbaar feit is. U heeft zich meermaals schuldig gemaakt aan de aanranding van de eer en goede naam van collega’s (MT-leden). U heeft hierbij duidelijk het doel gehad ruchtbaarheid te geven aan deze uitspraken.

2. Cliënte accepteert dit gedrag niet. Uw gedrag zorgt ervoor dat cliënte geen vertrouwen meer in u heeft en er sprake is van een verstoorde arbeidsverhouding. Cliënte ziet door uw uitspraken namelijk geen mogelijkheid meer voor een vruchtbare samenwerking met u in de toekomst.

3. Voornoemde situatie staat geheel los van uw arbeidsongeschiktheid en uw lidmaatschap van de MR en vormt voor cliënte een redelijke grond om tot beëindiging van de arbeidsovereenkomst te komen. Cliënte verneemt daarom graag of u bereid bent met haar in gesprek te gaan over de voorwaarden waaronder deze beëindiging met wederzijds goedvinden zal kunnen geschieden. (…)”

2.6.

Bij brief van 17 februari 2020 heeft de gemachtigde van [verweerster] laten weten dat [verweerster] niet zal instemmen met een beëindiging met wederzijds goedvinden.

3. Het verzoek en de grondslag daarvan

3.1.

Het verzoek van de Stichting strekt ertoe de tussen partijen bestaande arbeidsovereenkomst te ontbinden primair op grond van verwijtbaar handelen (artikel 7:669 lid 3 sub e BW ) en subsidiair op grond van een verstoorde arbeidsverhouding (artikel 7:669 lid 3 sub g BW ). De Stichting verzoekt ontbinding op de kortst mogelijke termijn, zonder rekening te houden met een opzegtermijn, en een verklaring voor recht dat de Stichting geen transitievergoeding is verschuldigd.

3.2.

De Stichting heeft ter onderbouwing van haar verzoek, samengevat weergegeven, het volgende gesteld. Een aantal collega’s van [verweerster] hebben kenbaar gemaakt dat [verweerster] bij hen zeer negatieve en grievende uitlatingen heeft gedaan over collega’s die werkzaam zijn in het managementteam. Zij zouden zich aan strafbare feiten hebben schuldig gemaakt en de school willen benadelen. Voor de Stichting zijn deze uitlatingen ontoelaatbaar en reden voor ontbinding van de arbeidsovereenkomst, temeer nu [verweerster] niet bereid is gebleken te vertellen waarom zij deze uitlatingen heeft gedaan en over de ontstane situatie het overleg aan te gaan. In ieder geval is door toedoen van [verweerster] door het doen van deze uitlatingen en haar houding nadat zij hier op is aangesproken, de arbeidsverhouding duurzaam verstoord.

3.3.

De uitlatingen van [verweerster] kwalificeren zich, volgens de Stichting, als ernstig verwijtbaar handelen, zodat [verweerster] geen transitievergoeding toekomt en de arbeidsovereenkomst op de kortst mogelijke termijn dient te worden ontbonden.

4. Het verweer

4.1.

Het verweer strekt primair tot afwijzing van het verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst. Subsidiair - indien de arbeidsovereenkomst wordt ontbonden - verzoekt [verweerster] rekening te houden met de voor de Stichting geldende opzegtermijn van vier maanden en voorts om haar een transitievergoeding van € 11.118,- bruto en een billijke vergoeding toe te kennen. Tot slot heeft [verweerster] verzocht de Stichting te veroordelen in de proceskosten.

4.2.

[verweerster] heeft daartoe, samengevat weergegeven, het volgende aangevoerd. De MR van de stichting is een actieve en kritische MR, waarin [verweerster] in haar rol als secretaris een belangrijke rol speelt. Tussen de MR en de Stichting bestaat sinds een aantal jaar op diverse vlakken verschil van inzicht. [verweerster] wordt door de bestuurder als een lastig personeelslid gezien en om die reden wordt geprobeerd haar dienstverband te beëindigen. Aangezien sprake is van een opzegverbod vanwege het MR-lidmaatschap (artikel 7:670 lid 4 BW) en het causaal verband tussen het ontbindingsverzoek en het lidmaatschap van de MR helder is, dient het ontbindingsverzoek te worden afgewezen.

4.3.

Voorts is volgens [verweerster] van (ernstig) verwijtbaar handelen geen sprake. De uitlatingen waarover in de verklaringen wordt gesproken, zijn veelal niet door [verweerster] gedaan. In de enkele gevallen waarin zij zich wel in de zin van de inhoud van de verklaringen heeft uitgelaten, betrof het altijd uitspraken op grond van de mening van de MR die algemeen bekend geacht moet worden en die geen grond kan zijn om [verweerster] te verwijten dat haar gedrag beschadigend is, onrust veroorzaakt en een algeheel gevoel van wantrouwen veroorzaakt. De Stichting miskent haar eigen rol in het geheel.

4.4.

Voor het aannemen van een verstoorde arbeidsrelatie is volgens [verweerster] eveneens onvoldoende grond. [verweerster] wordt gedrag verweten dat zij niet heeft vertoond en haar worden uitspraken in de mond gelegd die zij niet heeft gedaan. Indien een verstoring van de arbeidsverhouding zou worden aangenomen, heeft de Stichting deze grotendeels zelf veroorzaakt.

4.5.

In geval van ontbinding heeft [verweerster] recht op een transitievergoeding van € 11.118,- bruto en een billijke vergoeding, aangezien het aan het handelen of nalaten van de Stichting te wijten is dat de arbeidsovereenkomst wordt ontbonden en de gevolgen van beëindiging van de arbeidsovereenkomst voor [verweerster] bijzonder groot zijn, aldus [verweerster] .

5. De beoordeling

5.1.

Uit artikel 7:671b lid 2 BW volgt dat de kantonrechter een verzoek op grond van het eerste lid alleen kan inwilligen indien er geen opzegverboden of met deze opzegverboden naar aard en strekking vergelijkbare opzegverboden in een ander wettelijk voorschrift gelden. [verweerster] is thans nog arbeidsongeschikt en nu haar ziekte nog geen twee jaar heeft geduurd, is sprake van een opzegverbod als bedoeld in artikel 7:670 lid 1 onderdeel a BW. Daarnaast is [verweerster] lid van de MR van de Stichting, zodat ook het opzegverbod van artikel 7:670 lid 4 BW van toepassing is. Een verzoek tot ontbinding kan desondanks worden ingewilligd als het verzoek geen verband houdt met de omstandigheden waarop de opzegverboden betrekking hebben (artikel 7:671b lid 6 sub a BW ).

5.2.

De Stichting heeft gesteld dat de opzegverboden vanwege de ziekte van [verweerster] en het lidmaatschap van de MR niet aan ontbinding van de arbeidsovereenkomst in de weg staan. Volgens de Stichting zou ook indien [verweerster] niet ziek zou zijn of geen lid zou zijn geweest van de MR om ontbinding zijn verzocht. Het verzoek houdt volgens de Stichting geen verband met de omstandigheden waarop de opzegverboden betrekking hebben.

5.3.

[verweerster] daarentegen heeft gesteld dat het verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst wel degelijk verband houdt met het lidmaatschap van de MR en het verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst om die reden moet worden afgewezen.

5.4.

Naar het oordeel van de kantonrechter is voldoende komen vast te staan dat het verzoek om ontbinding van de arbeidsovereenkomst verband houdt met het MR-lidmaatschap van [verweerster] en het verzoek om die reden dient te worden afgewezen. Daartoe is het volgende redengevend.

5.5.

Uit de door [verweerster] overgelegde uitspraken van de Landelijke Geschillencommissie WMS blijkt dat de Stichting en de MR over diverse kwesties van inzicht verschillen en hierover procedures aanhangig hebben gemaakt. [verweerster] heeft gesteld dat zij een actief en kritisch lid van de MR is. De Stichting heeft haar verzoek om ontbinding van de arbeidsovereenkomst van [verweerster] wegens verwijtbaar handelen dan wel een verstoorde arbeidsrelatie gegrond op verklaringen die acht collega’s van [verweerster] hebben afgelegd. [verweerster] heeft de inhoud van een aantal van deze verklaringen gemotiveerd betwist. Tijdens de mondelinge behandeling heeft [verweerster] verklaard dat collega’s - die op de hoogte zijn van de conflicten tussen de MR en het bestuur en waarover veelvuldig op de school wordt gesproken - vaak met vragen naar haar toe komen en met haar de discussie aangaan. Om die reden heeft [verweerster] regelmatig gesprekken met collega’s, waarbij [verweerster] het standpunt van de MR toelicht. [verweerster] heeft aangevoerd dat hetgeen haar op basis van de verklaringen van collega’s wordt verweten niet (alleen) haar eigen standpunt, maar het standpunt van de MR betreft. Ook heeft [verweerster] gesteld dat de verklaringen gerelateerd zijn aan conflicten tussen de MR en het bestuur en dat een aantal collega’s die een verklaring hebben afgelegd, hierbij een persoonlijk belang hebben. Zo heeft zij onweersproken gesteld dat de functies van de heer [naam persoon 3] - die inmiddels lid is van het managementteam - en de heer [naam persoon 4] onderwerp van discussie tussen de MR en het bestuur zijn geweest. Ten aanzien van de heer [naam persoon 5] heeft [verweerster] onweersproken gesteld dat de meeste punten die hij noemt in zijn verklaring tijdens MR-vergaderingen zijn besproken en [naam persoon 5] vanaf april 2019 lid is geweest van de MR, maar door de MR per 7 april 2020 is geschorst onder meer op grond van de wijze waarop hij zonder instemming van en ruggenspraak met de MR zelfstandig acties onderneemt namens de MR. De stelling van [verweerster] dat de inhoud van de verklaringen die collega’s hebben afgelegd verband houden met MR-aangelegenheden wordt ondersteund door de door [verweerster] overgelegde verklaring van mevrouw [naam persoon 6] , voorzitter van de MR. [naam persoon 6] verklaart dat de verklaringen die met betrekking tot [verweerster] zijn afgelegd, ‘vrijwel allemaal te maken hebben met MR zaken die in een vertrouwelijke omgeving besproken zijn’.

5.6.

Uit het gegeven dat alle overgelegde verklaringen zijn opgesteld op 20 januari 2020 - terwijl [verweerster] vanwege haar arbeidsongeschiktheid sinds 7 oktober 2019 ziek thuis zit - waarbij sommige verklaringen zien op gesprekken die [verweerster] reeds in juli 2017 en januari 2018, zij was toen al lid van de MR, met collega’s zou hebben gevoerd, ontstaat de indruk dat thans “een dossier” wordt samengesteld, waarbij collega’s dan verklaren over gesprekken die jaren ervoor min of meer terloops hebben plaatsgevonden en waarover [verweerster] heeft verklaard dat de weergave dan wel onvolledig of onjuist is, dan wel dat opmerkingen uit hun verband zijn gerukt. Gelet op voornoemde omstandigheden, in onderling verband bezien, is de kantonrechter van oordeel dat voldoende is komen vast te staan dat het ontbindingsverzoek van de Stichting verband houdt met de omstandigheden waarop het opzegverbod wegens lidmaatschap van een medezeggenschapsorgaan betrekking heeft. In dit verband is veelzeggend dat de Stichting een enquête over de waardering van het personeel aangaande het functioneren van de MR in het geding brengt.

5.7.

De uitzondering als bedoeld in artikel 7:671b lid 6 sub a BW is niet van toepassing. Gesteld noch gebleken is dat [verweerster] eerder door de Stichting op de vermeende uitspraken is aangesproken en zo deze al zijn gedaan, leveren deze onder deze omstandigheden geen zodanig verwijtbaar handelen op dat dit ontbinding van de arbeidsovereenkomst rechtvaardigt. Voor ontbinding op de g –grond is een en ander ook onvoldoende.

5.8.

De slotsom luidt dat het verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst zal worden afgewezen. Om die reden wordt niet toegekomen aan de beoordeling van de overige (subsidiaire) verzoeken van de Stichting en van [verweerster] .

6. De beslissing

De kantonrechter:

wijst af het verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst;

veroordeelt de Stichting in de proceskosten, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [verweerster] vastgesteld op € 721,- aan salaris voor de gemachtigde;

verklaart deze beschikking ten aanzien van de veroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven door mr. C.H. Kemp-Randewijk en uitgesproken ter openbare terechtzitting.

44483


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature