< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak




U dient ingelogd te zijn om favorieten te kunnen toevoegen aan Mijn Jure
U kunt zich hier gratis registreren
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Zittingsplaats:
Instantie:

Inhoudsindicatie:

Artikel 243 Sr. Anders dan de officier van justitie en de verdediging acht de rechtbank bewezen dat de verdachte seksuele handelingen met de aangeefster heeft verricht terwijl hij wist dat zij door alcoholgebruik in een toestand van verminderde bewustzijn verkeerde. Hij wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van negen maanden waarvan drie voorwaardelijk.

Uitspraak



Rechtbank Rotterdam

Team straf 2

Parketnummer: 10/660067-17

Datum uitspraak: 22 januari 2020

Tegenspraak (artikel 279 Sv)

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[naam verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats verdachte] op [geboortedatum verdachte] ,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:

[adres verdachte] , [woonplaats verdachte] ,

gemachtigd raadsman mr. G.E. Toxopeus, advocaat te Rotterdam.

1 Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 8 januari 2020.

2 Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

In de dagvaarding heeft de officier van justitie ten aanzien van hetgeen subsidiair is ten laste gelegd (art. 243 Sr) het kwalificerend bestanddeel “verminderd bewustzijn” niet opgenomen, terwijl het bestanddeel dat in de wetstekst er aan voorafgaand (bewusteloosheid) en dat wat er op volgt (lichamelijke onmacht) wel is opgenomen. Bij gebrek aan enige verklaring op dit punt, beschouwt de rechtbank dit als een kennelijke omissie en zal deze herstellen.

3 Eis officier van justitie

De officier van justitie mr. W.B.J. ten Have heeft gevorderd:

- vrijspraak van het primair en subsidiair ten laste gelegde.

4 Waardering van het bewijs

4.1.

Bewijswaardering

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie heeft tot vrijspraak van het (primair en subsidiair) ten laste gelegde gerekwireerd, omdat hij – kort gezegd – op basis van de beschikbare bewijsmiddelen de overtuiging mist om tot een bewezenverklaring te concluderen.

Standpunt verdediging

De verdediging heeft vrijspraak bepleit van het (primair en subsidiair) ten laste gelegde.

Daartoe is aangevoerd dat de verklaring van de aangeefster onbetrouwbaar is, omdat zij op essentiële punten wisselend heeft verklaard. Verder ontbreekt forensisch bewijs voor het binnendringen met de penis in de vagina. De scheurverwonding bij de vagina van de aangeefster kan ook veroorzaakt zijn door een tampon en het bloedverlies kan mogelijk komen door menstruatie.

Beoordeling

De rechtbank zal de verdachte vrijspreken van hetgeen aan hem primair is tenlastegelegd. Naar het oordeel van de rechtbank kan niet worden bewezen dat de verdachte op basis van enige vorm van (bedreiging met) geweld en/of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) de aangeefster heeft gedwongen tot het ondergaan van handelingen die bestonden uit of mede uit het seksueel binnendringen van haar lichaam. Getuigen hebben aangegeven dat zij niets hebben gemerkt van enige vorm van geweld of dwang. De aangeefster zelf heeft verklaard geen goede herinnering te hebben van hetgeen allemaal exact is gebeurd, omdat zij gedurende die nacht verminderd bij bewustzijn was vanwege het vele daaraan voorafgaande alcoholgebruik.

Anders dan de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat het subsidiair tenlastegelegde wel bewezen kan worden. Hem wordt in dat deel van de dagvaarding verweten dat hij jegens de aangeefster, van wie hij wist dat zij onvoldoende in staat was haar wil te bepalen of kenbaar te maken, één of meer handeling(en) heeft verricht, die bestonden of mede bestonden uit het seksueel binnendringen met zijn penis in haar vagina.

De rechtbank gaat in verband met dit strafrechtelijke verwijt op grond van de bewijsmiddelen uit van het volgende.

In de nacht van 17 op 18 september 2016 was de aangeefster met de verdachte en enkele anderen in een voor haar onbekende woning aan de [adres delict] te Rotterdam. Er waren twee flessen wodka gehaald en er werd een “drankspelletje” gedaan, waarbij aanzienlijke hoeveelheden wodka zijn gedronken, ook de door aangeefster. Zij voelde zich op een gegeven moment dronken. Zij was zich vanaf dat moment niet steeds bewust meer van hetgeen haar overkwam. Op enig moment merkte zij dat zij zich in de badkamer bevond. Zij voelde iets dat zij in haar verklaring bij de politie omschrijft als “vaginaal pompen”. Vanaf dat moment heeft de aangeefster bemerkt dat de verdachte zijn penis in haar vagina heeft gebracht. Zij was niet in staat om hieraan weerstand te bieden. Zij heeft na dit seksuele contact onder andere haar vriendin [naam vriendin slachtoffer] (hierna: [naam vriendin slachtoffer] ) meermalen geappt met de mededelingen dat zij “werd geneukt”, “help me” en de vraag of [naam vriendin slachtoffer] haar op kon halen. De in het dossier gevoegde appberichten laten zien dat de aangeefster op dat moment niet in staat was ordelijke berichten te versturen. [naam vriendin slachtoffer] heeft haar in die nacht volkomen overstuur en half gekleed buiten op straat in de omgeving van de woning aangetroffen. Zij is in die nacht met [naam vriendin slachtoffer] naar het politiebureau gegaan om melding te doen van wat haar is overkomen.

De rechtbank acht anders dan de verdediging de verklaring van de aangeefster betrouwbaar. Zij heeft tijdens het informatief zedengesprek en in haar aangifte uitgebreid verklaard over wat er volgens haar heeft plaatsgevonden in de badkamer. Deze verklaringen zijn op essentiële onderdelen consistent gebleken.

Haar verklaring wordt daarbij ondersteund door het aangetroffen letsel: een scheurverwoning op het randje van de vagina, wat volgens de arts kan passen bij binnendringen (penetreren) met een hard object/lichaamsdeel. Daarnaast is er in de kruis van de broek van de aangeefster DNA-materiaal aangetroffen. Dit materiaal is onderzocht. Conlusie is dat het zeer veel waarschijnlijker is dat het Y-chromosomale DNA-profiel mannelijk DNA van de verdachte bevat dan van een willekeurig gekozen man. Dat de aangeefster, zoals zij heeft verklaard, door de verdachte is gelikt aan haar linker borst wordt bevestigd door het aantreffen van speeksel op die borst. Ook dit spoor is onderzocht en daarbij is DNA-materiaal veiliggesteld waarvan is vastgesteld dat de kans dat het aangetroffen DNA-materiaal afkomstig is van een ander dan van de verdachte, kleiner is dan één op één miljard. Bovendien wordt de verklaring van de aangeefster in essentiële onderdelen ondersteund door de verklaring van [naam vriendin slachtoffer] en door de inhoud van de WhatsApp-berichten die aangeefster die nacht aan haar heeft verstuurd. [naam vriendin slachtoffer] heeft bevestigd dat de aangeefster haar in heftige paniek heeft gebeld en geappt (zo blijkt ook uit de inhoud van die berichten), dat de aangeefster misselijk was en steeds meer nuchter werd naarmate de nacht vorderde. Ook heeft zij gezien dat de aangeefster bloedde bij haar vagina en pijn had bij het plassen. Andere getuigen, in de woning aanwezig, bevestigen het overmatige wodka-gebruik en sommigen hebben verklaard dat zij ook hebben moeten overgeven. Ten aanzien van de gang van zaken rond het drankspelletje verklaren deze getuigen overeenkomstig de aangeefster.

De rechtbank gaat gelet op het bovenstaande dan ook uit van de juistheid van deze verklaringen en acht bewezen dat de verdachte met zijn penis de vagina van de aangeefster is binnengedrongen. Dit heeft plaatsgevonden toen de aangeefster dermate dronken was dat zij niet meer wist wat haar overkwam en op de seksuele handelingen heeft kunnen reageren.

Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat de wetgever met het opnemen van het bestanddeel verminderd bewustzijn in artikel 243 van het Wetboek van Strafrecht (Sr) heeft beoogd strafbaar te stellen het plegen van seksuele handelingen, waaronder het seksueel binnendringen, met iemand die verkeert in een toestand tussen waakzaamheid en “geheel van de wereld zijn”, waarbij van degene die verminderd bewust is in redelijkheid niet kan worden verwacht dat hij of zij weerstand biedt aan de seksuele verlangens en handelingen van een ander. Deze bepaling ziet op situaties waarbij de dader bewust seksueel misbruik maakt van de omstandigheid dat het slachtoffer in onvoldoende mate in staat is haar of zijn wil te bepalen omtrent het hebben van seks met een ander. Dit onvermogen vloeit voort uit een toestand van verminderd bewustzijn. Die toestand kan (ook) zijn oorzaak vinden in het gebruik van alcohol, drugs of bepaalde medicijnen.

Dat de verdachte moet hebben geweten dat de aangeefster in een toestand van verminderd bewustzijn verkeerde, leidt de rechtbank af uit de verklaring van de aangeefster dat zij (pas) weer half bij bewustzijn was toen zij in de badkamer belandde en de app-berichten die zij heeft verstuurd en dat er volgens de getuigen en de verdachte alcohol werd gedronken en “iedereen dronken was”. Ook uit de verklaring van [naam vriendin slachtoffer] volgt dat de aangeefster, nadat zij de woning had verlaten, ontredderd en ernstig in de war en misselijk was. De verdachte wist dat de aangeefster een grote hoeveelheid alcohol had gedronken en moet hebben waargenomen in wat voor toestand de aangeefster hierdoor was. Tegenover de politie heeft hij verklaard dat aangeefster “mogelijk aangeschoten zal zijn geweest", Hieruit volgt dat ook de verdachte wist dat zij merkbaar onder invloed was van alcohol. De rechtbank gaat er op basis van de andere bewijsmiddelen van uit dat de aangeefster veel meer dronken was dan de verdachte zegt te hebben gemerkt, en dat hij, die steeds ter plaatse is geweest, dat ook heeft moeten merken.

De rechtbank is van oordeel dat hiermee wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte het subsidiair tenlastegelegde feit heeft begaan.

4.2.

Bewezenverklaring

In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het subsidiair ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

hij op 18 september 2016 te Rotterdam, met [naam slachtoffer] , van wie hij, verdachte, wist dat die [naam slachtoffer] in staat van verminderd bewustzijn verkeerde, waardoor die [naam slachtoffer] niet of onvolkomen in staat was haar wil daaromtrent te bepalen of kenbaar te maken of daartegen weerstand te bieden, handeling(en) heeft gepleegd, die mede bestond(en) uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [naam slachtoffer] , namelijk het brengen en/of houden van zijn penis in haar vagina.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet ook daarvan worden vrijgesproken.

5 Strafbaarheid feit

Het bewezen feit levert op:

subsidiair:

met iemand van wie hij weet dat hij in staat van verminderd bewustzijn verkeert, handelingen plegen die mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Het feit is dus strafbaar.

6 Strafbaarheid verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.

De verdachte is dus strafbaar.

7 Motivering straf

De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het feit is begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft een jonge vrouw die, als gevolg van overmatig alcoholgebruik na een drankspelletje, in staat van verminderd bewustzijn verkeerde seksueel misbruikt. Voor dat de verdachte zich schuldig maakte aan dit misbruik, was de aangeefster nog maagd. Door op deze wijze te handelen heeft de verdachte op zeer grove wijze inbreuk gemaakt op haar lichamelijke en persoonlijke integriteit. Hij heeft daarbij misbruik gemaakt van de situatie dat de aangeefster fors onder invloed was van alcohol en dat alleen ter bevrediging van zijn eigen lustgevoelens. De ervaring leert dat een strafbaar feit als dit dikwijls tot psychische schade leidt. Dit blijkt ook in deze strafzaak duidelijk uit de schriftelijke slachtofferverklaring.

De rechtbank heeft in een uittreksel uit de justitiële documentatie van 24 december 2019 gezien dat de verdachte ten aanzien van zedendelicten first-offender is.

Reclassering Nederland heeft over de verdachte gerapporterd. Hieruit blijkt de reclassering het – gelet op de ontkenning en zwijgzame houding van de verdachte – noodzakelijk vindt dat er alsnog zicht komt op

zijn gedrag richting de aangeefster, de hieraan (eventueel) ten grondslag liggende problematiek,

de kans op herhaling van seksueel grensoverschrijdend gedrag en

de noodzaak tot inzet van gedragsveranderende zedendaderbehandeling.

De reclassering adviseert daarom een deels voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen, met als bijzondere voorwaarde dat er door een forensische polikliniek een risicotaxatie wordt uitgevoerd en, indien dat uit die risicotaxatie (of anderszins) nodig, een (ambulante) op gedragsverandering gerichte zedendaderbehandeling.

Gelet op hetgeen de rechtbank hierboven heeft overwogen, komt zij tot de volgende conclusies.

Gezien de ernst van het feit kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Bij de bepaling van de duur van die gevangenisstraf heeft de rechtbank in het nadeel van verdachte gelet op de grove schending van de rechten van de aangeefster. In plaats dat de verdachte zich zorgzaam heeft gedragen tegenover de aangeefster toen hij merkte dat zij dronken was, heeft hij juist misbruik gemaakt van de situatie. Daarbij heeft hij de aangeefster op brute en onaangename wijze deze seksuele ervaring bezorgd. Het aldus aan haar toegebracht ernstige leed dient met een straf vergolden te worden. Voorts heeft de rechtbank gelet op straffen die in min of meer vergelijke zaken zijn opgelegd.

De rechtbank is van oordeel dat het noodzakelijk is dat er een risicotaxatie ten aanzien van mogelijk herhalingsgevaar zal worden uitgevoerd en dat, indien naar aanleiding van de risicotaxatie dat nodig wordt bevonden, de verdachte (ambulante) op gedragsverandering gerichte zedendaderbehandeling zal moeten volgen. De rechtbank zal daartoe een deel van de voorgenomen straf voorwaardelijk opleggen. Dit voorwaardelijk strafdeel dient er tevens toe dat verdachte in de toekomst niet opnieuw strafbare feiten zal plegen.

Alles afwegend acht de rechtbank de hierna te noemen straf passend en geboden.

8 Vordering benadeelde partij en schadevergoedingsmaatregel

Als benadeelde partij heeft zich in het geding gevoegd: [naam benadeelde] te [woonplaats benadeelde] . Zij vordert een vergoeding van € 370,47 aan materiële schade en € 5.000,- aan immateriële schade.

Omdat is komen vast te staan dat aan de benadeelde partij door het bewezen verklaarde strafbare feit rechtstreeks (materiële en immateriële) schade is toegebracht en de gevorderde schadevergoeding door de verdachte niet (inhoudelijk) is weersproken, zal de vordering worden toegewezen. Het immaterieel gevorderde wordt, gelet op de bijzonderheden van deze zaak, ook naar maatstaven van billijkheid redelijk geacht.

De benadeelde partij heeft verder gevorderd het te vergoeden bedrag te vermeerderen met wettelijke rente. De rechtbank zal ook dit deel van de vordering toewijzen en bepaalt dat het te vergoeden schadebedrag vermeerderd wordt met wettelijke rente vanaf 18 september 2016.

Omdat de vordering van de benadeelde partij zal worden toegewezen, zal de verdachte ook worden veroordeeld in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.

Tevens wordt oplegging van de hierna te noemen maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht passend en geboden geacht. Voor de duur van de maximale termijn van de gijzeling sluit de rechtbank aan bij de omrekeningstabel schadevergoedingsmaatregel naar dagen (vervangende) hechtenis zoals die tot 1 januari 2020 nagenoeg steeds werd toegepast. Dit mede omdat de wet USB op dit punt niet was gericht op het tot stand brengen van een andere wijze van omrekening.

9 Toepasselijke wettelijke voorschriften

Gelet is op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 36f en 243 van het Wetboek van Strafrecht .

10 Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

11 Beslissing

De rechtbank:

verklaart niet bewezen, dat de verdachte het primair ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart bewezen, dat de verdachte het subsidiair ten laste gelegde feit, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte ook daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert het hiervoor vermelde strafbare feit;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 9 (negen) maanden;

bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot 3 (drie) maanden niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten;

verbindt hieraan een proeftijd, die wordt gesteld op 2 (twee) jaar;

tenuitvoerlegging kan worden gelast als de veroordeelde de algemene voorwaarde niet naleeft en ook als de veroordeelde gedurende de proeftijd de bijzondere voorwaarde niet naleeft of een voorwaarde die daaraan van rechtswege is verbonden;

stelt als algemene voorwaarde:

- de veroordeelde zal zich vóór het einde van de proeftijd niet aan een strafbaar feit schuldig maken;

stelt als bijzondere voorwaarde:

- de veroordeelde zal zijn medewerking verlenen aan een door Forensische Polikliniek Fivoor of De Waag, of een soortgelijke instelling, uit te voeren risicotaxatie die is gericht op de inschatting van de kans op (een herhaling van) seksueel delictgedrag;

indien dit door voornoemde instelling noodzakelijk wordt geacht, zal de veroordeelde zich (aansluitend) onder ambulante behandeling stellen door de betreffende kliniek, of een soortgelijke instelling, gedurende de proeftijd, of zoveel korter als de reclassering in overleg met de kliniek/instelling/behandelaar verantwoord vindt, waarbij veroordeelde zich zal houden aan de aanwijzingen die hem in het kader van die behandeling door of namens de betreffende kliniek/instelling/behandelaar zullen worden gegeven;

verstaat dat van rechtswege de volgende voorwaarden zijn verbonden aan de hierboven genoemde bijzondere voorwaarden:

- de veroordeelde zal ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verlenen aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbieden;

- de veroordeelde zal medewerking verlenen aan reclasseringstoezicht, daaronder begrepen de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht;

geeft aan genoemde reclasseringsinstelling opdracht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;

veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij [naam benadeelde], te betalen een bedrag van € 5.370,47 (zegge: vijfduizenddriehonderdenzeventig euro en zevenenveertig cent), bestaande uit € 370,47 aan materiële schade en € 5.000,- aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 18 september 2016 tot aan de dag der algehele voldoening;

veroordeelt de verdachte in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden aan de zijde van de benadeelde partij begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

legt aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij te betalen € 5.370,47 (hoofdsom, zegge: vijfduizenddriehonderdenzeventig euro en zevenenveertig cent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 18 september 2016 tot aan de dag van de algehele voldoening;

beveelt dat bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal van het bedrag van

€ 5.370,47 gijzeling zal worden toegepast voor de duur van 61 (éénenzestig) dagen; toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op;

verstaat dat betaling aan de benadeelde partij tevens geldt als betaling aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij en omgekeerd.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. V.F. Milders, voorzitter,

en mrs. W.A.F. Damen en G.P. van de Beek, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. N.M. Verduijn, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 22 januari 2020.

Bijlage I

Tekst tenlastelegging

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

hij op of omstreeks 18 september 2016 te Rotterdam

door geweld en/of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) en/of door bedreiging met

geweld en/of bedreiging met (een) andere feitelijkhe(i)d(en) iemand, te weten

[naam slachtoffer] , heeft gedwongen tot het ondergaan van handelingen die bestonden

uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam, namelijk

het brengen van zijn penis in haar vagina;

het geweld en/of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) en/of de bedreiging met

geweld en/of de bedreiging met (een) ander feitelijkhe(i)d(en) heeft/hebben

bestaan uit het

- vastpakken en/of duwen en/of trekken van die [naam slachtoffer] naar de badkamer en/of

- aan die [naam slachtoffer] toevoegen van de woorden: “doe je broek uit” en/of

- ( deels) ontkleden van die [naam slachtoffer] en/of

- leggen van haar hand op zijn penis en/of vervolgens het maken van

aftrekkende bewegingen en/of

- ondanks dat die [naam slachtoffer] hem meermalen op/tegen het lichaam schopt en/of

tegen hem zegt: “ga weg, ga weg”, brengen van zijn penis in de vagina van die

[naam slachtoffer] en/of

- ( daarbij) het toevoegen van de woorden: “ [naam verdachte] , neuk me, zeg het, zeg het”;

Subsidiair, voorzover het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou

kunnen leiden:

hij op of omstreeks 18 september 2016 te Rotterdam,

met iemand, te weten [naam slachtoffer] , van wie hij, verdachte, wist dat die

[naam slachtoffer] in staat van bewusteloosheid of lichamelijke onmacht verkeerde, dan

wel aan een zodanige gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van haar

geestvermogens leed dat die [naam slachtoffer] niet of onvolkomen in staat was haar wil

daaromtrent te bepalen of kenbaar te maken of daartegen weerstand te bieden,

een of meer handeling(en) heeft gepleegd, die bestond(en) uit of mede

bestond(en) uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [naam slachtoffer] ,

namelijk het brengen en/of houden van zijn penis in haar vagina.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde advocaten

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature