< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Zittingsplaats:
Instantie:

Inhoudsindicatie:

Interregionale bevoegdheid. Verzoeken: vaststelling hoofdverblijfplaats van de minderjarige en vervangende toestemming voor vestiging met de minderjarige in Nederland. Op grond van art. 8, lid 1 Brussel II-bis is de Nederlandse rechter in beginsel bevoegd onder voorbehoud van art. 9, 10 en 12 Brussel II-bis. Art. 10 onder a Brussel II-bis is van toepassing en de Nederlandse rechter is alsnog bevoegd kennis te nemen van de verzoeken omdat de man heeft berust in de overbrenging of het niet doen terugkeren van de minderjarige naar Bonaire. Partijen bereiken overeenstemming. Zie ook ECLI:NL:RBROT:2019:10778

Uitspraak



Rechtbank Rotterdam

Team familie

zaaknummer / rekestnummer: C/10/568040 / FA RK 19-1291

Beschikking van 10 april 2020 betreffende de gezamenlijke gezagsuitoefening op grond van artikel 1:253 a BW

in de zaak van:

[naam vrouw] , de vrouw,

voorheen wonende te [voormalige woonplaats vrouw] ,

thans wonende te [huidige woonplaats vrouw] ,

advocaat mr. H.H.M. de Vries-Veringa te Lisse,

t e g e n

[naam man] , de man,

wonende te Bonaire,

advocaat mr. M.J.G. Schroeder te Voorburg.

1. De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

het proces-verbaal van de zitting van 5 juni 2019;

de beschikking van 10 juli 2019;

de brief van de raad voor de kinderbescherming Rotterdam-Dordrecht (hierna: de raad) van 15 januari 2020;

het rapport met bijlage van de raad van 3 februari 2020;

het verweerschrift met bijlagen, ingekomen op 10 februari 2020.

1.2.

De voortgezette mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op 10 februari 2020. Daarbij zijn verschenen:

de vrouw, bijgestaan door haar advocaat mr. De Vries-Veringa;

mr. Schroeder, de advocaat van de man;

de raad, vertegenwoordigd door [naam vertegenwoordiger] .

2. De beoordeling

2.1.

Bij beschikking van 10 juli 2019 heeft de rechtbank de behandeling van de zaak aangehouden in verband met de onjuiste oproeping van de man en verwijzing naar de meervoudige kamer. In de tussentijd heeft de raad onderzoek gedaan met betrekking tot het gezag en de hoofdverblijfplaats van de minderjarige

[naam minderjarige] , geboren op [geboortedatum minderjarige] 2011 te [geboorteplaats minderjarige] . De rechtbank verwijst naar en neemt over wat is opgenomen in die beschikking.

2.2.

Ingetrokken verzoeken

2.2.1.

De vrouw heeft de verzoeken zoals geformuleerd onder a en b in het petitum van het verzoekschrift betreffende de beëindiging van het gezamenlijk gezag ingetrokken. De rechtbank zal die verzoeken afwijzen.

2.3.

Verblijfplaats, vervangende toestemming verhuizing

2.3.1.

De vrouw verzoekt:

te bepalen dat de hoofdverblijfplaats van de minderjarige bij haar zal zijn;

vervangende toestemming te verlenen om zich met de minderjarige te vestigen in Nederland.

2.3.2.

De man bepleit:

primair dat de rechtbank zich onbevoegd verklaart en de in randnummer 52 van het verweerschrift omschreven regeling vast te leggen in een proces-verbaal;

subsidiair de vrouw niet-ontvankelijk te verklaren in haar verzoeken en de in randnummer 52 van het verweerschrift omschreven regeling – met uitzondering van punt 5 – te treffen dan wel de verzoeken van de vrouw af wijzen.

2.3.3.

Op grond van artikel 8, lid 1 van de verordening Brussel II-bis zijn ter zake van de ouderlijke verantwoordelijkheid bevoegd de gerechten van de lidstaat op het grondgebied waarvan het kind zijn gewone verblijfplaats heeft op het tijdstip dat de zaak bij het gerecht aanhangig wordt gemaakt. Gelet op deze hoofdregel is de Nederlandse rechter bevoegd kennis te nemen van de zaak, omdat de minderjarige op het moment van het indienen van het verzoekschrift haar gewone verblijfplaats in Nederland had. Zij was immers op dat moment met haar gehele primaire gezin (moeder en halfbroers) al sinds enige tijd, en na maanden van voorbereiding, definitief van Bonaire naar Nederland verhuisd, had op dat moment de Nederlandse nationaliteit, sprak de taal en ging al geruime tijd in Nederland naar school en deed daar aan zwemmen en ballet.

Lid 2 van voormeld artikel 8 bepaalt dat voornoemde hoofdregel geldt onder voorbehoud van de artikelen 9, 10 en 12 van de verordening Brussel II-bis.

2.3.4.

Op grond van artikel 10 van de verordening Brussel II-bis blijven in geval van ongeoorloofde overbrenging of niet doen terugkeren van het kind de gerechten van de lidstaat waar het kind onmiddellijk voor de ongeoorloofde overbrenging of niet doen terugkeren zijn gewone verblijfplaats had, bevoegd totdat het kind in een andere lidstaat een gewone verblijfplaats heeft verkregen en – voor zover hier van belang onder a) – enige persoon, instelling of ander lichaam die gezagsrecht bezit, in de overbrenging of het niet doen terugkeren heeft berust.

2.3.5.

Op grond van artikel 2, onder 11 van de verordening Brussel II-bis wordt in deze verordening verstaan onder:

‘ongeoorloofde overbrenging of niet doen terugkeren van een kind’: het overbrengen of niet doen terugkeren van een kind:

a. a) wanneer dit geschiedt in strijd met het gezagsrecht dat ingevolge een beslissing, van rechtswege of bij een rechtsgeldige overeenkomst is toegekend overeenkomstig het recht van de lidstaat waar het kind onmiddellijk voor zijn overbrenging of niet doen terugkeren, zijn gewone verblijfplaats had;

en

b) indien dit gezagsrecht op het tijdstip van overbrenging of niet doen terugkeren, alleen of gezamenlijk, daadwerkelijk werd uitgeoefend, dan wel zou zijn uitgeoefend indien een zodanige gebeurtenis niet had plaatsgevonden. Het gezag wordt geacht gezamenlijk te worden uitgeoefend als een van de personen die, ingevolge een beslissing of van rechtswege, de ouderlijke verantwoordelijkheid dragen, de verblijfplaats van het kind niet kan bepalen zonder de instemming van een andere persoon die de ouderlijke verantwoordelijkheid draagt.

2.3.6.

De vrouw heeft zich op 25 december 2018 met de minderjarige (en haar twee minderjarige kinderen uit een andere relatie) definitief in Nederland gevestigd. De vrouw is voorafgaand aan die verhuizing ook al een periode van enkele maanden (25 juli tot begin december 2018) met de minderjarige in Nederland geweest. In die periode heeft de man te Bonaire gezamenlijk gezag verzocht en gekregen. Voordien en in de tussentijd woonden de vrouw en de minderjarige te Bonaire. Zoals reeds onder 2.3.3. overwogen, heeft de minderjarige inmiddels haar gewone verblijfplaats in Nederland. Vaststaat dat de vrouw op 25 december 2018 geen toestemming had van de man om met de minderjarige van Bonaire naar Nederland te reizen. Gelet op het vorenstaande en het bepaalde in artikel 10, onder a van de verordening Brussel II-bis blijft het gerecht van Bonaire bevoegd totdat, in dit geval, de man in de overbrenging of het niet doen terugkeren van de minderjarige heeft berust. Dat de man heeft berust als hiervoor bedoeld, leidt de rechtbank af uit de omstandigheid dat de man na 25 december 2018 geen enkele juridische actie heeft ondernomen, uit zijn verweerschrift onder punt 52 en uit het rapport van de raad met als bijlage een rapport van de Voogdijraad CN waarin is vermeld dat de man ermee instemt dat de minderjarige haar verblijfplaats in Nederland heeft. Op grond daarvan is de rechtbank van oordeel dat de Nederlandse rechter bevoegd is kennis te nemen van de thans voorliggende verzoeken. Op grond van het bepaalde in artikel 15 lid 1 van het Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996 zal daarop vervolgens naar Nederlands recht worden beslist.

2.3.7.

Op grond van artikel 1:253a BW kunnen geschillen over de gezamenlijke uitoefening van het gezag op verzoek van de ouders of van een van hen aan de rechtbank worden voorgelegd. De rechtbank neemt een zodanige beslissing als haar in het belang van het kind wenselijk voorkomt.

2.3.8.

Partijen zijn, gelet op de stukken en het verhandelde tijdens de mondelinge behandeling, het volgende overeengekomen:

de hoofdverblijfplaats van de minderjarige is bij de vrouw, waarbij de minderjarige zich met de vrouw in Nederland vestigt;

de minderjarige gaat ieder jaar één keer naar de man op Bonaire, in de even jaren tijdens de (gehele) kerstvakantie, in de oneven jaren tijdens de (gehele) zomervakantie, zodat de minderjarige bij de man op Bonaire verblijft in: december 2020, juli 2021, december 2022, juli 2023, december 2024, enzovoort;

de man koopt de tickets en de reiskosten worden betaald door iedere partij voor de helft. Indien de vrouw onvoldoende draagkracht heeft, zal de man het bedrag betalen waartoe de vrouw in dat jaar niet in staat is;

de minderjarige beschikt over een telefoon waarmee zij vrijelijk met de man kan bellen en whatsappen;

de vrouw verstrekt – voor zover nodig via oma vaderszijde – de man informatie over de minderjarige, zoals naar welke school zij gaat, haar rapporten, de sport(en) die zij doet en haar dagbesteding.

Gelet op het verhandelde tijdens de mondelinge behandeling begrijpt de rechtbank dat partijen hun verzoeken hebben gewijzigd en de rechtbank nu verzoeken voormelde onderlinge regeling op te nemen in de beschikking. De rechtbank zal op het gewijzigde verzoek beslissen zoals hierna is vermeld.

2.3.9.

De rechtbank overweegt tot slot dat de vrouw tijdens de mondelinge behandeling de intentie heeft uitgesproken dat zij de komende twee jaren geen nieuwe procedure ten aanzien van het gezag zal starten, gelet op de overeenstemming die partijen hebben bereikt.

2.3.10.

Gelet op de bereikte overeenstemming tussen partijen over de vestiging van de minderjarige in Nederland, heeft de vrouw geen belang meer bij een beslissing op het verzoek ten aanzien van de vervangende toestemming voor verhuizing naar Nederland. De rechtbank zal dit verzoek afwijzen.

2.4.

Proceskosten

2.4.1.

Gelet op de aard van de procedure bepaalt de rechtbank dat elk van de partijen de eigen kosten draagt.

3. De beslissing

De rechtbank:

3.1.

neemt op de overeenstemming tussen partijen zoals weergegeven onder rechtsoverweging 2.3.8.;

3.2.

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

3.3.

compenseert de proceskosten aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;

3.4.

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. B.E. Dijkers, voorzitter, tevens kinderrechter,

mr. L.M. Coenraad en mr. E. Huls, rechters, tevens kinderrechters, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier mr. M.A.J. Ysebaert op 10 april 2020.

Tegen deze uitspraak kan binnen drie maanden na de dag van deze uitspraak door partijen hoger beroep worden ingesteld door indiening van een beroepschrift bij het gerechtshof Den Haag. Een in eerste aanleg niet verschenen partij kan hoger beroep instellen binnen drie maanden na de betekening van deze uitspraak aan hem/haar in persoon dan wel binnen drie maanden nadat zij op andere wijze is betekend en openlijk bekend gemaakt.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde jurisprudentie

Gerelateerde wetgeving

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature