< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Zittingsplaats:
Instantie:

Inhoudsindicatie:

Voorhanden hebben van een pistool met bijbehorende munitie op de openbare weg tijdens een uitgaansavond in het centrum van Rotterdam.

Veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 9 maanden.

Uitspraak



Rechtbank Rotterdam

Team straf 1

Parketnummer: 10/239843-19

Datum uitspraak: 8 januari 2020

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[naam verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats verdachte] (Suriname) op [geboortedatum verdachte] ,

verblijvende op het adres [adres verdachte] , [woonplaats verdachte] ,

ten tijde van het onderzoek op de terechtzitting preventief gedetineerd in het Detentiecentrum Rotterdam,

raadsman mr. C.Y. Kekik, advocaat te Rotterdam.

1. Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 8 januari 2020.

2. Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3. Eis officier van justitie

De officier van justitie mr. L.L. van Delft heeft gevorderd:

bewezenverklaring van het ten laste gelegde;

veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden met aftrek van voorarrest.

4. Waardering van het bewijs

4.1.

Standpunt verdediging

De staandehouding van de verdachte door de politie op 6 oktober 2019 was onrechtmatig omdat op dat moment geen redelijk vermoeden van schuld aan een strafbaar feit jegens de verdachte bestond. Dat is een onherstelbaar vormverzuim als bedoeld in artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv), zodat het bewijsmateriaal dat als gevolg daarvan vergaard is, moet worden uitgesloten van het bewijs. De vondst van een geladen vuurwapen die bij verdachtes staandehouding in zijn schoudertas is aangetroffen kan dus niet tot het bewijs meewerken. Dit leidt ertoe dat de verdachte moet worden vrijgesproken van het ten laste gelegde.

4.2.

Beoordeling

De verdediging heeft de feitelijke gang van zaken als de verbalisanten hebben geverbaliseerd in het proces-verbaal met nummer [nummer proces-verbaal] niet weersproken. Evenmin heeft de verdediging de verklaring betwist die [naam getuige] , de portier van café [naam horecagelegenheid] te Rotterdam, tegenover de verbalisanten heeft afgelegd. De rechtbank ziet geen aanleiding te twijfelen aan de juistheid van de inhoud van deze processen-verbaal en zal daarvan bij de beoordeling van het verweer uitgaan.

Op 6 oktober 2019 heeft de portier van café [naam horecagelegenheid] de politie gealarmeerd vanwege een incident dat net had plaatsgevonden. De verdachte en een tweede persoon, beiden onder invloed van alcohol, waren de rij met wachtende personen voor het café voorbijgelopen. Toen de portier tegen hen zei dat ze achteraan de rij moesten aansluiten, begon de verdachte te schreeuwen en aan de jas van de portier te trekken. Nadat de politie ter plaatse was gekomen, heeft één van de verbalisanten de verdachte om zijn identiteitsbewijs gevraagd op grond van artikel 8, eerste lid, van de Politiewet. Op grond van artikel 8, eerste lid, van de Politiewet is een ambtenaar van politie bevoegd om inzage in een identiteitsbewijs te vorderen indien dit redelijkerwijs noodzakelijk is voor de uitvoering van de politietaak. Gezien de melding van het verstorende gedrag van de verdachte en de confrontatie met de portier die hij had opgezocht, is de rechtbank van oordeel dat het vragen aan de verdachte om zijn identiteitsbewijs door de verbalisant in zijn hoedanigheid als ambtenaar van politie binnen een redelijke uitoefening van de politietaak heeft plaatsgevonden.

De verdachte heeft vervolgens meermalen tegen de verbalisant gezegd dat hij ‘ [naam] ’ heette en dat hij geen identiteitsbewijs bij zich had. De verbalisant heeft deze naam opgezocht in de informatiesystemen van de politie, maar die naam kwam daarin niet voor. Deze omstandigheden leveren naar het oordeel van de rechtbank een redelijk vermoeden van schuld aan een strafbaar feit op, te weten het opgeven van een valse naam aan het bevoegd gezag, dat strafbaar is gesteld in artikel 435 van het Wetboek van Strafrecht. De verbalisant was daarom bevoegd om de verdachte staande te houden en – op grond van art. 55b, eerste en tweede lid, Sv – met het oog op de vaststelling van zijn identiteit te fouilleren.

Gelet op het vorenstaande is de conclusie dat de verbalisant heeft gehandeld binnen de grenzen van zijn wettelijke bevoegdheden. Bewijsuitsluiting is daarom niet aan de orde.

Het verweer wordt verworpen.

4.3.

Bewezenverklaring

In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

hij op 6 oktober 2019 te Rotterdam een wapen met bijbehorende munitie (te weten 8 kogelpatronen kaliber 7.65mm), als bedoeld in art. 2 lid 1 Categorie III onder 1º van de Wet wapens en munitie, te weten een vuurwapen in de zin van artikel 1, onder 3º van die wet in de vorm van een pistool van het merk Sauer & Sohn Suhl, type 38h, kaliber 7.65mm, voorhanden heeft gehad.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging kennelijke verschrijvingen voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

5. Strafbaarheid feit

Het bewezen feit levert op:

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie , en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III

en

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie .

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Het feit is dus strafbaar.

6. Strafbaarheid verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten.

De verdachte is dus strafbaar.

7. Motivering straf

7.1.

Algemene overweging

De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het feit is begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

7.2.

Feit waarop de straf is gebaseerd

De verdachte heeft een goed functionerend vuurwapen en bijbehorende munitie in zijn tas bij zich gedragen op de openbare weg, tijdens een uitgaansavond in de binnenstad van Rotterdam.

Het onbevoegde bezit van wapens en munitie brengt een onaanvaardbaar risico voor de veiligheid van personen met zich. Het bezit van vuurwapens leidt gemakkelijk tot het gebruik ervan, met alle ernstige gevolgen van dien. Ook bestaat een groot risico dat nietsvermoedende omstanders worden getroffen. Dit geldt te meer wanneer iemand een vuurwapen bij zich heeft op de openbare weg tijdens een drukke uitgaansavond.

Voorts veroorzaken vuurwapens gevoelens van angst en onveiligheid in de samenleving. Tegen vuurwapenbezit moet dan ook streng worden opgetreden.

Mocht de verklaring van de verdachte – inhoudende dat hij het wapen kort daarvoor had gevonden en het wilde doorverkopen – al kloppen, dan is dat nog steeds bijzonder kwalijk.

De kans is immers groot dat dit vuurwapen in het criminele circuit zou zijn verdwenen en zou worden gebruikt bij allerlei criminele activiteiten en daarom heeft de rechtbank deze verklaring niet als disculperende omstandigheid in het voordeel van de verdachte meegewogen.

7.3.

Persoonlijke omstandigheden van de verdachte

De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van 16 december 2019, waaruit blijkt dat de verdachte eerder is veroordeeld voor strafbare feiten.

Uit het e-mailbericht van de reclassering van 8 oktober 2019 blijkt dat de verdachte ongewenst vreemdeling is. De verdachte heeft op de terechtzitting verklaart dat hij in Nederland is gebleven vanwege de zorg voor zijn kinderen die hier wonen.

7.4.

Conclusies van de rechtbank

Gelet op hetgeen de rechtbank hierboven heeft overwogen, komt zij tot de volgende conclusies.

Gezien de ernst van het feit kan daarop niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van aanmerkelijke duur. Bij de bepaling van de duur van de gevangenisstraf heeft de rechtbank acht geslagen op straffen die in soortgelijke zaken plegen te worden opgelegd. De rechtbank komt gelet hierop tot een iets lagere strafoplegging dan de officier van justitie.

Het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 9 maanden wordt passend en geboden geacht.

8. Toepasselijke wettelijke voorschriften

Gelet is op artikel 57 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.

9. Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

10. Beslissing

De rechtbank:

verklaart bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde feit, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert het hiervoor vermelde strafbare feit;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 9 (negen) maanden;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. J.L.M. Boek, voorzitter,

en mrs. A. Bonder en M.M. Dolman, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. K. Aagaard, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 8 januari 2020.

De jongste rechter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage I

Tekst tenlastelegging

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

hij op of omstreeks 6 oktober 2019 te Rotterdam

een wapen, met bijbehorende munitie (te weten 8 kogelpatronen kaliber 7.65mm), als bedoeld in art. 2 lid 1 Categorie III onder 1º van de Wet wapens en munitie, te weten een vuurwapen in de zin van artikel 1, onder 3º van die wet in de vorm van een revolver van het merk Sauer & Sohn Suhl, type 38h, kaliber 7.65mm,

voorhanden heeft gehad.

(Artikel art 26 lid 1 Wet wapens en munitie)


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde advocaten

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature