< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak




U dient ingelogd te zijn om favorieten te kunnen toevoegen aan Mijn Jure
U kunt zich hier gratis registreren
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Zittingsplaats:
Instantie:

Inhoudsindicatie:

Eiseres ontving een WIA-uitkering, berekend naar de mate van arbeidsongeschiktheid van 35-80%. Vanwege toegenomen klachten heeft eiseres verweerder om een herbeoordeling van haar medische situatie gevraagd. Uiteindelijk is de WIA-uitkering van eiseres beëindigd omdat de mate van arbeidsongeschiktheid is vastgesteld op minder dan 35%.

Uitspraak



Rechtbank Rotterdam

Bestuursrecht

zaaknummer: ROT 19/6263

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 juli 2020 in de zaak tussen

[naam eiseres], te [woonplaats eiseres], eiseres,

gemachtigde: mr. L.M. Baltazar de Seixas,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder,

gemachtigde: [naam].

Procesverloop

Bij besluit van 16 april 2019 (het primaire besluit) heeft verweerder eiseres meegedeeld dat haar uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) per 17 mei 2019 wordt beëindigd omdat haar mate van arbeidsongeschiktheid is vastgesteld op minder dan 35%.

Bij besluit van 5 november 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres gegrond verklaard. Verweerder heeft daarbij het primaire besluit herroepen en beslist dat eiseres met ingang van 17 juni 2019 geen recht meer heeft op een WIA-uitkering, omdat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt is.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld en nadere stukken ingediend.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft op 30 juni 2020 – als gevolg van getroffen maatregelen ter voorkoming van (verdere) verspreiding van het corona-virus – plaatsgevonden via skype .

De rechtbank heeft tijdens een groepsgesprek eiseres, bijgestaan door haar gemachtigde, en verweerder, vertegenwoordigd door zijn gemachtigde, gehoord.

Overwegingen

1.1

Eiseres is werkzaam geweest als medeweker callcenter bij [naam bedrijf] voor 35 uur per week. Op 6 januari 2014 is zij ten gevolge van psychische en lichamelijke klachten uitgevallen voor dat werk. In beginsel werd eiseres per einde wachttijd, op

4 januari 2016, voor minder dan 35% arbeidsongeschikt beschouwd. Vanuit de bijstand heeft zij, vanwege toegenomen klachten per 5 augustus 2016, verzocht om een herbeoordeling. Verweerder heeft vervolgens per 30 mei 2017 aan eiseres een WIA-uitkering toegekend, berekend naar de mate van arbeidsongeschiktheid van 35-80%.

1.2

Op 29 januari 2019 heeft eiseres verweerder vanwege toegenomen klachten om een herbeoordeling van haar medische situatie gevraagd.

2.1

Op 4 maart 2019 heeft een verzekeringsgeneeskundig onderzoek plaatsgevonden in verband met het verzoek om herbeoordeling in het kader van de Wet WIA. Naar aanleiding van dit onderzoek is door een arts van verweerder, wiens oordeel is getoetst door een verzekeringsarts, vastgesteld dat bij eiseres sprake is van verminderde benutbare mogelijkheden als rechtstreeks gevolg van ziekte of gebrek en dat eiseres hierdoor is aangewezen op werkzaamheden conform de op 4 maart 2019 opgestelde Functionele Mogelijkhedenlijst (FML), geldig per 30 januari 2019. Daarin zijn onder meer beperkingen aangegeven ten aanzien van persoonlijk functioneren, sociaal functioneren, aanpassing aan fysieke omgevingseisen, dynamische handelingen en werktijden. De arbeidsdeskundige heeft vervolgens in de rapportage van 15 april 2019 met inachtneming van de mogelijkheden en beperkingen van eiseres drie gangbare functies geduid. Dit zijn de functies Receptionist (SBC-code 315120), Samensteller kunststof en rubberproducten (SBC-code 271130) en Administratief ondersteunend medewerker (SBC-code 315100). Ook heeft de arbeidsdeskundige aanvullend de functie Medewerker intern transport (SBC-code 111220) geduid. Het loon dat met de mediaanfunctie verdiend kan worden, ligt 18,73% lager dan het zogeheten maatmaninkomen. Dit leidt tot een arbeidsongeschiktheid van minder dan 35%.

2.2

Bij het primaire besluit heeft verweerder – onder verwijzing naar de rapportages van de verzekeringsarts en de arbeidsdeskundige – bepaald dat eiseres met ingang van

17 mei 2019 geen recht meer heeft op een WIA-uitkering, omdat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt is.

2.3

In het kader van de heroverweging heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep in het rapport van 28 oktober 2019 geconcludeerd dat na bestudering van alle medische feiten als aanwezig in het dossier en eigen onderzoek van de verzekeringsarts bezwaar en beroep er aanleiding is om, op grond van de schematherapie die op het moment van de datum in geding loopt, een verminderde beschikbaarheid voor werk aan te nemen, hetgeen zich vertaalt naar een tijdelijke urenbeperking. Deze beperking is weergegeven in de aangepaste FML van 28 oktober 2019, geldig per 30 januari 2019.

De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft blijkens de rapportage van 31 oktober 2019, als gevolg van de conclusie van de verzekeringsarts bezwaar en beroep, aanleiding gezien om af te wijken van de beoordeling van de primaire arbeidsdeskundige. De arbeidsdeskundige heeft het Claim Beoordeling en Borging Systeem (CBBS) opnieuw geraadpleegd. Daarbij blijkt dat er voldoende passende functies zijn te selecteren om een schatting op te baseren. De arbeidsdeskundige heeft de schatting gebaseerd op de functies: Receptionist (SBC-code 315120), Samensteller kunststof en rubberproducten (SBC-code 271130), Medewerker intern transport (SBC-code 111220) en Administratief ondersteunend medewerker (SBC-code 315100). Het loon dat met de mediaanfunctie verdiend kan worden, ligt 30,3% lager dan het zogeheten maatmaninkomen. Dit leidt tot een arbeidsongeschiktheid van minder dan 35%.

2.4

Bij het bestreden besluit heeft verweerder het primaire besluit herroepen en - onder verwijzing naar voornoemde rapporten van de verzekeringsarts bezwaar en beroep en de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep - beslist dat de mate van arbeidsongeschiktheid van eiseres minder dan 35% bedraagt en haar uitkering daarom met inachtneming van een uitlooptermijn van twee maanden en één dag wordt beëindigd per 17 juni 2019.

3. Eiseres voert aan dat verweerder haar medische klachten heeft onderschat en dat zij als gevolg van een medisch verslechterende situatie, waarbij op de lange termijn geen kans op herstel bestaat, volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is. Eiseres ondervindt forse fysieke en psychische klachten. Naast de fysieke symptomen door de fibromyalgie en het chronisch vermoeidheidssyndroom, kampt eiseres met slaap- en geheugenproblemen. Dat zij in staat zou zijn om frequent te reiken, frequent te buigen en frequent lichte voorwerpen te hanteren, is naar eiseres meent volstrekt onjuist. Ook betwist eiseres dat zij in staat zou zijn om 30 uur per week te werken. Van de gevolgde vier uren therapie per week dient zij bij te komen. Bij de beoordeling door verweerders verzekeringsarts had volgens eiseres overleg moeten worden gevoerd met (en informatie moeten worden opgevraagd bij) de behandelend sector. De oefentherapeut heeft in de email van 13 september 2019 aangegeven dat rekening dient te worden gehouden met een ernstig verlaagde belastbaarheid en uitsluitend sprake is van voorruitgang ten aanzien van het uiten van emoties. Dat sprake is van een goede kans op verbetering in de toekomst, betwist eiseres dan ook.

Eiseres voert tevens aan dat geen van de drie geduide functies voor haar geschikt zijn. Allereerst betwist eiseres dat zij gezien haar klachten in staat zou zijn om de helft van de dag een toetsenbord te bedienen en een muis te hanteren. De functie van receptionist zal eiseres niet kunnen verrichten vanwege haar cognitieve problemen. Deze functie, en die van administratief ondersteunend medewerker (teamondersteuner), zijn bovendien ongeschikt, omdat eiseres niet in staat is geacht een solitaire functie te vervullen. Ten aanzien van de functies van samensteller en medewerker intern transport stelt eiseres dat zij niet in staat is dertig maal per uur boven schouderhoogte te werken, zij niet langer dan vijftien minuten één houding kan aannemen, zij veel pijn ervaart bij het verplaatsen van voorwerpen en zij niet gebogen dan wel getordeerd actief kan zijn.

Ter zitting heeft eiseres nog vermeld dat de correspondentie met de vermoeidheidskliniek is overgelegd om aan te geven hoe slecht het met haar is gesteld.

Verweerder heeft ter zitting aangegeven dat de overgelegde stukken van de vermoeidheidskliniek niet zijn voorgelegd aan de verzekeringsarts bezwaar en beroep, omdat het gaat om stukken die betrekking hebben op een datum ruim na datum in geding. Voorts zeggen de ingebrachte stukken niets over de vastgestelde beperkingen.

4.1

Op grond van artikel 4 van de Wet WIA is volledig en duurzaam arbeidsongeschikt degene die als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling duurzaam slechts in staat is om met arbeid ten hoogste 20% te verdienen van het maatmaninkomen per uur.

4.2

Op grond van artikel 5 van de Wet WIA is gedeeltelijk arbeidsgeschikt degene die als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling slechts in staat is met arbeid ten hoogste 65% te verdienen van het maatmaninkomen per uur, doch die niet volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is.

4.3

Op grond van artikel 6, derde lid, van de Wet WIA wordt onder de genoemde arbeid verstaan alle algemeen geaccepteerde arbeid waartoe de verzekerde met zijn krachten en bekwaamheden in staat is.

4.4

Artikel 56, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet WIA bepaalt dat het recht op een WGA-uitkering eindigt op de dag dat de verzekerde niet meer gedeeltelijk arbeidsgeschikt is. Op grond van het tweede lid van dit artikel eindigt, in afwijking van het eerste lid, onderdeel a, het recht op een WGA-uitkering van de verzekerde wiens mate van arbeidsongeschiktheid lager is dan 35%, twee maanden na de dag dat hij niet langer gedeeltelijk arbeidsgeschikt is, doch niet eerder dan op de dag dat de loongerelateerde uitkering van de WGA-uitkering eindigt.

4.5

In het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten (Schattingsbesluit) zijn regels gesteld betreffende de vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid op grond van de Wet WIA.

5.1

Hoewel de situatie van eiseres invoelbaar is, is de rechtbank gehouden om de zaak van eiseres te beoordelen binnen de kaders van de geldende wet- en regelgeving. Binnen die kaders dient de rechtbank te beoordelen of verweerder de mate van arbeidsongeschiktheid van eiseres terecht met ingang van 17 juni 2019 heeft vastgesteld op minder dan 35%. Daartoe dient de rechtbank aan de hand van de aangevoerde beroepsgronden te toetsen of verweerder de medische beperkingen correct heeft vastgesteld en of eiseres, rekening houdend met haar beperkingen, in staat is met gangbare arbeid ten minste 65% te verdienen van het maatmaninkomen per uur.

5.2

De rechtbank stelt in dat kader vast dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek is gebaseerd op dossierstudie, anamnese, eigen psychisch onderzoek, het gestelde in het bezwaarschrift en ter hoorzitting van 3 oktober 2019, alsmede op informatie afkomstig van de behandelend sector. Dat geen lichamelijk onderzoek heeft plaatsgevonden acht de rechtbank niet onzorgvuldig. Immers, zoals door de verzekeringsarts is aangegeven, heeft een dergelijk onderzoek in dit geval geen toegevoegde waarde, gelet op de aard van de lichamelijk klachten. Dat de verzekeringsarts en de verzekeringsarts bezwaar en beroep geen medische informatie bij de behandelaars van eiseres hebben opgevraagd, maakt naar het oordeel van de rechtbank evenmin dat de onderzoeken onzorgvuldig zijn te achten. Daarbij merkt de rechtbank op dat het tot de expertise van een verzekeringsarts (bezwaar en beroep) behoort om de in een gegeven onderzoekssituatie juiste en noodzakelijke onderzoeksinstrumenten te kiezen en de onderzoeksresultaten te beoordelen en te vertalen in beperkingen van de betrokkene. De verzekeringsarts (bezwaar en beroep) heeft daarbij een eigen verantwoordelijkheid en mag volgens vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (De Raad), bijvoorbeeld de uitspraak van 13 mei 2009 ECLI:NL:CRVB:2009:BI3734, in beginsel op zijn eigen oordeel afgaan. Raadpleging van de behandelend sector is evenwel aangewezen in die gevallen waarin een behandeling in gang is gezet of zal worden gezet die een beduidend effect zal hebben op de mogelijkheden van een betrokkene tot het verrichten van arbeid, of indien een betrokkene stelt dat de behandelend sector een beredeneerd afwijkend standpunt heeft over zijn medische beperkingen. Uit de stukken komt niet naar voren dat één van deze situaties zich hier voordeed.

5.3

Het is de rechtbank verder niet gebleken dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep een onvolledig beeld heeft gehad van de medische situatie van eiseres per 30 januari 2019. Het gestelde in beroep en de door eiseres in beroep overgelegde informatie vormen voor de rechtbank geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van de medische beoordeling. In dit verband overweegt de rechtbank dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep in de rapportage van 28 oktober 2019 op inzichtelijke wijze heeft gemotiveerd dat eiseres kampt met een combinatie van psychische en lichamelijke klachten. Zij ervaart gegeneraliseerde pijnklachten zonder specifieke afwijkingen, geduid als fibromyalgie, naast borderline persoonlijkheidsklachten en PTSS. Voor de borderline klachten is een therapeutisch traject ingezet. Daarnaast stond eiseres ten tijde van de datum in geding onder behandeling van een fysiotherapeut en een ergotherapeut. Gezien de activiteiten die eiseres (ondanks haar klachten) nog wel kan verrichten, is er volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep geen sprake van volledige arbeidsongeschiktheid op medische gronden. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in de rapportage van 28 oktober 2019 inzichtelijk uiteengezet dat er gedurende de loop van de schematherapie, en de impact die dit heeft op eiseres, tijdelijk een verminderde beschikbaarheid is voor werk wat zich vertaalt naar een tijdelijke urenbeperking. De FML is daarom door de verzekeringsarts bezwaar en beroep op dit punt aangepast. De verzekeringsarts bezwaar en beroep volgt niet dat sprake is van volledige en duurzame arbeidsongeschiktheid. In dat kader heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep ook overigens verwezen naar de email van 13 september 2019 van de oefentherapeut mensendieck, waarin staat vermeld dat er een goede kans is op verbetering in de toekomst. Dat de oefentherapeut heeft aangegeven dat op dit moment sprake is van een ernstig verlaagde belastbaarheid en er sprake is van vooruitgang in het uiten van emoties, maakt niet dat het standpunt van de verzekeringsarts bezwaar en beroep niet navolgbaar is. Zoals de oefentherapeut heeft aangegeven, kan hij uitsluitend een uitspraak doen over het uiten van emoties, en niet over de fysieke handelingen die eiseres zou kunnen verrichten. De rechtbank kan de motivering van de verzekeringsarts bezwaar en beroep dan ook volgen. Eiseres heeft in beroep geen nieuwe medische rapportages overgelegd die aanleiding geven voor een ander oordeel. De door eiseres overgelegde correspondentie met de vermoeidheidskliniek heeft betrekking op het risico op besmetting met het coronavirus en de in dat kader door eiseres te ondernemen activiteiten, alsmede op het gebruik van B12 injecties. Dit ziet op de afgelopen periode, vanaf december 2019 tot en met juni 2020, en heeft dus geen betrekking op de datum in geding van 30 januari 2019. Dat eiseres haar klachten anders ervaart, kan niet leiden tot het oordeel dat de belasting van de voorgehouden functies de mogelijkheden van eiseres overschrijdt. Volgens vaste rechtspraak is de subjectieve beleving door eiseres van haar klachten namelijk niet beslissend bij de beantwoording van de vraag welke beperkingen in objectieve zin bij haar zijn vast te stellen.

5.4

Uit het voorgaande volgt dat verweerder de functionele mogelijkheden van eiseres correct heeft vastgesteld. De rechtbank ziet geen grond voor het oordeel dat de belasting van de voorgehouden functies de mogelijkheden van eiseres overschrijdt.

De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft in de rapportage van 31 oktober 2019 op inzichtelijke wijze gemotiveerd dat en waarom de geduide functies geschikt zijn. Daarbij is onder meer gemotiveerd waarom geen sprake is van overschrijding van de belastbaarheid ten aanzien van het “boven schouder actief zijn”, de frequentie en het te hanteren gewicht van lichte voorwerpen valt binnen de mogelijkheden van eiseres en er voldoende ruimte en mogelijkheid is om de houding regelmatig en naar eigen inzicht te veranderen. Dat de functies van Receptionist (SBC-code 315120) en Administratief ondersteunde medewerker (teamondersteuner) (SBC-code 315100) solitaire functies zouden zijn, volgt de rechtbank niet. Binnen deze functies wordt immers onder leiding van een teamleider / manager samengewerkt met collega’s dan wel wordt deel uitgemaakt van een team. Er kan dan ook worden teruggevallen op collega’s of de leidinggevende, zoals verweerder ook ter zitting heeft toegelicht.

5.5

Vergelijking van het inkomen dat eiseres in de voorgehouden functies zou kunnen verdienen met het inkomen dat zij in haar eigen werk zou hebben verdiend als zij niet arbeidsongeschikt was geworden, geeft een verlies aan verdienvermogen te zien van 30,3%. De mate van arbeidsongeschiktheid van eiseres is door verweerder dus terecht bepaald op minder dan 35%.

6. Het beroep is ongegrond.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.M.J. Adriaansen, rechter, in aanwezigheid van

mr. E. Golic Camdzic, griffier. De uitspraak is gedaan op 17 juli 2020.

Als gevolg van maatregelen rondom het Coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak alsnog in het openbaar uitgesproken.

De griffier is buiten staat De rechter is verhinderd te tekenen

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde jurisprudentie

Gerelateerde advocaten

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature