< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak




U dient ingelogd te zijn om favorieten te kunnen toevoegen aan Mijn Jure
U kunt zich hier gratis registreren
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Zittingsplaats:
Instantie:

Inhoudsindicatie:

Zware mishandeling ex-partner op straat door haar onverhoeds tegen de grond te duwen en vervolgens, toen zij eenmaal op straat lag, tegen haar gezicht te schoppen en met zijn duimen haar ogen in te drukken. Daarnaast ook poging tot zware mishandeling door dichtknijpen keel, waardoor zij tijdelijk buiten bewustzijn is geweest. Gebroken neus en oogletsel.

Oplegging van gevangenisstraf van 6 maanden, waarvan 2 maanden voorwaardelijk met bijzondere voorwaarden. Verdachte verminderd toerekeningsvatbaar.

Dadelijke uitvoerbaarheid bijzondere voorwaarden.

Geen vrijheidsbeperkende maatregel ex artikel 38v van het Wetboek van Sr naast een contactverbod met het slachtoffer

Vordering benadeelde partij. Oplegging schadevergoedingsmaatregel

Uitspraak



Rechtbank Rotterdam

Team straf 1

Parketnummer: 10/274167-19

Datum uitspraak: 16 november 2020

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[naam verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats verdachte] op [geboortedatum verdachte] ,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres: [adres verdachte] , [postcode verdachte] [woonplaats verdachte] ,

raadsman mr. B.M.C.F. de Groen, advocaat te Breda.

1. Onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 2 november 2020.

2. Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3. Eis officier van justitie

De officier van justitie mr. D.N.G. Woei-A-Tsoi heeft gevorderd:

bewezenverklaring van het 1 primair, 2 primair en 3 ten laste gelegde;

veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 120 dagen met aftrek van de duur van de voorlopige hechtenis, waarvan 82 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar en met als bijzondere voorwaarden meldplicht bij de reclassering, ambulante behandeling gericht op agressieregulatie en een contactverbod met de aangeefster [naam slachtoffer] ;

dadelijke uitvoerbaarheid van de bijzondere voorwaarden;

oplegging van de maatregel strekkende tot beperking van de vrijheid ex artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr), inhoudende een contactverbod met de aangeefster [naam slachtoffer] , te vervangen door hechtenis voor de duur van één week per overtreding van de maatregel, met een maximum van zes maanden, waarbij deze maatregel dadelijk uitvoerbaar moet worden verklaard.

4. Waardering van het bewijs

4.1.

Feit 1

Standpunt verdediging

De verdacht ontkent dat hij de ogen van het slachtoffer heeft ingedrukt. Het letsel aan de ogen kan ook door de schop zijn veroorzaakt, zodat er voor het indrukken van de ogen onvoldoende bewijs is en vrijspraak moet volgen.

Beoordeling

Volgens de foto’s in het dossier had het slachtoffer letsel aan beide ogen (grote blauwe plekken rond de ogen). Dit letsel aan beide ogen tegelijk kan niet door één trap tegen het hoofd worden veroorzaakt. Het letsel past juist bij de verklaring van het slachtoffer dat haar beide ogen met de duimen werden ingedrukt.

Conclusie

Het verweer van de verdediging wordt verworpen.

4.2.

Feit 3

Anders dan de officier van justitie, maar met de verdediging, is de rechtbank van oordeel dat dit feit niet wettig en overtuigend kan worden bewezen verklaard. De verdachte ontkent de aangeefster te hebben geslagen en/of gestompt en de aangeefster heeft evenmin over deze handelingen verklaard.

De rechtbank spreekt de verdachte daarom vrij van het onder 3 ten laste gelegde feit.

4.3.

Bewezenverklaring

In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van de wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 primair en 2 primair ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

1 hij op 14 november 2019 te Vlaardingen aan [naam slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten een gebroken neus en blijvend beperkt zicht, heeft toegebracht door - die [naam slachtoffer] tegen het gezicht te schoppen en- de ogen van die [naam slachtoffer] in te drukken;

2 hij op 14 november 2019 te Vlaardingen ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [naam slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen de keel van die [naam slachtoffer] heeft dichtgeknepen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

5. Strafbaarheid feiten

De bewezen feiten leveren op:

1. primair

zware mishandeling

2 primair

poging tot zware mishandeling

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De feiten zijn dus strafbaar.

6. Strafbaarheid verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.

De verdachte is dus strafbaar.

7. Motivering straf

7.1.

Algemene overweging

De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

7.2.

Feiten waarop de straf is gebaseerd

De verdachte heeft zijn ex-partner op straat op grove wijze mishandeld door haar onverhoeds tegen de grond te duwen en haar vervolgens, toen zij eenmaal op straat lag, tegen haar gezicht te schoppen en met zijn duimen haar ogen in te drukken. Daarnaast heeft hij ook haar keel dichtgeknepen, waardoor zij tijdelijk buiten bewustzijn is geweest. De verdachte is helemaal door het lint gegaan, en het is louter te danken aan het kordate optreden van een voorbijgangster dat het slachtoffer niet ernstiger gewond is geraakt.

Door zo te handelen heeft de verdachte ernstig inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer. Deze mishandelingen hebben een grote en blijvende impact op het slachtoffer. Het slachtoffer heeft door deze gebeurtenis pijn geleden en zwaar lichamelijk letsel opgelopen, waaronder een gebroken neus en oogletsel waar zij nog steeds last van heeft.

De rechtbank neemt het de verdachte kwalijk dat hij het in zijn frustratie vanwege relationele problemen heeft laten komen tot deze ernstige vormen van mishandeling. De ervaring leert dat slachtoffers van dergelijk geweld nog lange tijd daarna angstgevoelens en andere psychische klachten kunnen ondervinden door hetgeen hen is aangedaan. Dat dit ook het geval is bij de aangeefster, blijkt uit haar schriftelijke slachtofferverklaring die zij ter zitting heeft voorgelezen.

Ook weegt de rechtbank in het nadeel van de verdachte mee dat hij weliswaar zegt zijn verantwoordelijkheid te nemen voor wat hij heeft gedaan, maar dat hij daarbij alleen de trap in het gezicht erkent en niet het dichtknijpen van de keel en het indrukken van de ogen.

7.3.

Persoonlijke omstandigheden van de verdachte

7.3.1.

Strafblad

De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van 3 februari 2020, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder voor een soortgelijk feit is veroordeeld.

7.3.2.

Rapportages

Psycholoog [naam psycholoog] heeft een rapport over de verdachte opgemaakt, gedateerd 31 maart 2020. Dit rapport houdt, zakelijk weergegeven, onder meer het volgende in.

Bij de verdachte is sprake is van een andere gespecificeerde persoonlijkheidsstoornis met vooral narcistische en borderline trekken. Hiervan was sprake ten tijde van het hem ten laste gelegde. In aanloop tot het hem ten laste gelegde, voelde hij de ernstige dreiging verlaten te worden, wat emoties uit het verleden heeft aangewakkerd. Toen de verlating voor hem een feit was, werd hij overspoeld door angst, woede en verdriet en ‘flipte’ hij. Door deze narcistische ‘krenking’ had hij zijn gedrag niet meer onder controle en was er een derde nodig om hem te stoppen. Daarom moet volgens de psycholoog het ten laste gelegde hem slechts in verminderde mate worden toegerekend.

De kans op recidive wordt als matig geschat. Middels schematherapie zou de verdachte kunnen leren om zijn emoties beter te reguleren. Concreet wordt derhalve geadviseerd om hem in het kader van een bijzondere voorwaarde bij een voorwaardelijk strafdeel onder behandeling te stellen van een forensische polikliniek voor individuele therapie. Een reclasseringstoezicht is noodzakelijk om zicht te houden op de voortgang daarvan.

De rechtbank heeft ook kennis genomen van de inhoud van de reclasseringsrapporten

van 17 januari 2020 en 18 maart 2020, opgemaakt door de heer [naam reclasseringsmedewerker] .

Uit deze rapporten komt naar voren dat de verdachte op sociaal- en economisch maatschappelijk vlak zonder daadwerkelijke problematiek en/of opmerkelijkheden functioneert. De kans op een herhaling van dergelijk gedrag is niet in hoge mate aanwezig, maar kan niet worden uitgesloten, omdat frustraties, die aan het tenlastegelegde ten grondslag hebben gelegen, nog altijd bij de verdachte aanwezig zijn en hij deze (nog) niet voldoende adequaat weet te kanaliseren.

De reclassering adviseert om de verdachte, in geval van een veroordeling, een verplicht reclasseringscontact bij Reclassering Nederland op te leggen, gekoppeld aan een (ambulante) behandelverplichting. Binnen deze kaders kan het gedrag en de daarin een rol gespeelde hebbende problematiek nader worden geduid, kunnen eventuele verdere risico's worden belicht en kunnen er in het verlengde hiervan risico beperkende en gedragsveranderende interventies worden ingezet, gericht op de minimalisering

van de kans op herhaling van gedrag zoals in onderhavige kwestie.

Ter zitting heeft de verdachte zich bereid verklaard aan alle door de rechtbank te stellen voorwaarden te zullen houden.

7.4.

Conclusies van de rechtbank

Gelet op hetgeen de rechtbank hierboven heeft overwogen, komt zij tot de volgende conclusies.

Op dergelijke ernstige feiten kan slechts worden gereageerd met een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Bij de bepaling van de duur van de gevangenisstraf heeft de rechtbank acht geslagen op straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd.

In strafmatigende zin zal rekening worden gehouden met de omstandigheid dat de feiten de verdachte in verminderde mate worden toegerekend. Hoewel de rechtbank ook heeft meegewogen dat terugkeer naar de gevangenis nadelige gevolgen kan hebben voor zijn onderneming, acht zij de ernst van de feiten zo zwaarwegend dat niet kan worden volstaan met een straf waarvan het onvoorwaardelijke gedeelte gelijk is aan de tijd die de verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht, zoals de officier van justitie heeft geëist. Daarom zal de rechtbank een hogere gevangenisstraf opleggen dan door de officier van justitie is geëist.

Nu de psycholoog en de reclassering begeleiding en bijzondere voorwaarden noodzakelijk achten, zal de rechtbank een deel van de voorgenomen straf voorwaardelijk opleggen, met de onderstaande bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering:

meldplicht bij reclassering

ambulante behandelverplichting

contactverbod met het slachtoffer

De verdachte kan daardoor in het kader van daaraan te verbinden bijzondere voorwaarden worden behandeld voor zijn persoonlijkheidsproblematiek. De rechtbank ziet ook aanleiding tot het opnemen van een contactverbod met de aangeefster, zoals door haar verzocht. De aangeefster heeft aangegeven nu, maanden later, nog last te hebben van gevoelens van angst, onzekerheid en onveiligheid. Zij ervaart nog steeds veel spanningsklachten die een negatieve invloed hebben op haar dagelijks leven en wenst in de toekomst op geen enkele wijze contact te hebben met de verdachte.

Het daarnaast nog opleggen van een vrijheidsbeperkende maatregel als bedoeld in artikel 38v van het Wetboek van Sr , acht de rechtbank niet noodzakelijk. Dat de officier van justitie bij eventuele overtreding van het contactverbod via twee wegen kan ingrijpen, zoals zij ter zitting heeft betoogd, vindt de rechtbank onvoldoende motivering voor oplegging van een dergelijke ingrijpende maatregel.

Het voorwaardelijk strafdeel dient er tevens toe de verdachte ervan te weerhouden in de toekomst opnieuw strafbare feiten te plegen.

De rechtbank zal bevelen dat de bijzondere voorwaarden en het reclasseringstoezicht dadelijk uitvoerbaar zijn. Hierdoor wordt voorkomen dat de verdachte zonder toezicht (en zonder forensische hulpverlening) in vrijheid wordt gesteld.

Alles afwegend acht de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van zes maanden, waarvan 2 maanden voorwaardelijk, passend en geboden.

8. Vordering benadeelde partij

Als benadeelde partij heeft zich in het geding gevoegd mevrouw [naam slachtoffer] , wonende te Vlaardingen.

De benadeelde partij vordert een vergoeding van € 744,90 aan materiële schade, bestaande uit:

reiskosten à € 46,16.

€ 313,74 aan de dagwaarde van beschadigde bril, rekening houdend met 17 % afschrijving en de aanschafdatum van de bril (januari 2018);

het verbruikte eigen risico 2019 à € 385,--.

Daarnaast vordert zij een vergoeding van € 5.700,-- aan immateriële schade, in totaal een bedrag van € 6.444,90.

8.1.

Standpunt officier van justitie

De vordering van de benadeelde partij is genoegzaam onderbouwd en kan integraal worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente. Voorts vordert de officier van justitie oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

8.2.

Standpunt verdediging

Primair verzoekt de verdediging de benadeelde partij in de gevorderde materiële kosten voor de posten b. en c. niet-ontvankelijk te verklaren, omdat:

(ad b) De overgelegde nota uit 2018 niet de bril betreft die tijdens het incident kapot is gegaan, gezien de op de foto’s verschillende door de aangeefster gedragen brillen.;

(ad c) Het opgevoerde bedrag aan verbruikt eigen risico niet onderbouwd is; subsidiair is verzocht tot matiging tot € 220,--, omdat slechts twee afspraken bij de psychotherapeut (à € 110,-- per afspraak) zijn onderbouwd.

Ten aanzien van de immateriële schade is verzocht de vordering niet-ontvankelijk te verklaren, gelet op de bepleite vrijspraken en omdat herberekening een te zware last voor het strafproces zou zijn; subsidiair is verzocht om de toe te wijzen vergoeding te matigen tot een bedrag van € 1.000,--.

8.3.

Beoordeling

Vordering materiële schade

reiskosten

Nu is komen vast te staan dat aan de benadeelde partij door de bewezen verklaarde strafbare feiten rechtstreeks (materiële) schade is toegebracht en de gevorderde schadevergoeding ten aanzien van de reiskosten (€ 46,16) niet is weersproken, zal dit deel van de vordering worden toegewezen.

bril

De benadeelde partij heeft ter zitting toegelicht dat de gevorderde schade betrekking heeft op de bril die tijdens het incident kapot is gegaan en waarvoor zij in 2018 (na verleende korting) een bedrag van € 250,- heeft betaald. Uitgaande van de door haarzelf gehanteerde afschrijving van de 17 %, zal voor de bril een vergoeding van € 207,50 worden toegewezen, omdat de rechtbank vaststelt dat dit het bedrag is dat de benadeelde partij daadwerkelijk aan schade heeft geleden. De benadeelde partij wordt niet-ontvankelijk verklaard in het overige deel van de vordering, omdat dit deel van de vordering nader debat tussen partijen zou vereisen en dit een onevenredige belasting van het strafproces oplevert.

eigen risico

De benadeelde partij zal in de gevorderde kosten van “eigen risico” niet-ontvankelijk worden verklaard, aangezien de bewijsstukken ter onderbouwing thans ontbreken. Nader onderzoek naar de gegrondheid van die vordering vormt een onevenredige belasting van het strafproces. Dit deel van de vordering kan derhalve bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Vordering immateriële schade

Vast is komen te staan dat aan de benadeelde partij door het bewezenverklaarde feit rechtstreeks immateriële schade is toegebracht. Op grond van artikel 6:106 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek heeft de benadeelde partij recht op een naar billijkheid vast te stellen vergoeding van de immateriële schade aangezien zij ten gevolge van het strafbare feit in haar lichamelijke integriteit is aangetast. Op grond van de door de benadeelde partij gestelde omstandigheden en rekening houdend met de vergoedingen die in soortgelijke zaken worden toegekend, stelt de rechtbank de immateriële schadevergoeding naar billijkheid vast op € 3.000,--.

De benadeelde partij heeft gevorderd het te vergoeden bedrag te vermeerderen met wettelijke rente. De rechtbank bepaalt dat het te vergoeden schadebedrag vermeerderd wordt met wettelijke rente vanaf 14 november 2019.

Nu de vordering van de benadeelde partij (in overwegende mate) zal worden toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.

8.4.

Conclusie

De verdachte moet aan schadevergoeding betalen aan de benadeelde partij [naam slachtoffer] :

€ 3.253,66, waarvan € 253,66 aan materiële schade en € 3.000,-- aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 14 november 2019.

Tevens wordt oplegging van de hierna te noemen maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht passend en geboden geacht.

9. Toepasselijke wettelijke voorschriften

Gelet is op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 45, 57 en 302 van het Wetboek van Strafrecht .

10. Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

11 .Beslissing

De rechtbank:

verklaart niet bewezen het onder 3 ten laste gelegde feit en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart bewezen dat de verdachte de onder 1 primair en 2 primair ten laste gelegde feiten, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte ter zake van de feiten tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 (zes) maanden;

bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot 2 (twee) maanden niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten;

verbindt hieraan een proeftijd, die wordt gesteld op 2 jaar;

tenuitvoerlegging kan worden gelast als de veroordeelde de algemene voorwaarde niet naleeft en ook als de veroordeelde gedurende de proeftijd de bijzondere voorwaarden niet naleeft of een voorwaarde die daaraan van rechtswege is verbonden;

stelt als algemene voorwaarde:

- de veroordeelde zal zich vóór het einde van de proeftijd niet aan een strafbaar feit schuldig maken;

stelt als bijzondere voorwaarden:

1. de veroordeelde zal zich, al naar gelang zijn woonplaats na de veroordeling, binnen drie dagen na vrijlating melden bij Reclassering Nederland te Breda, en daarna zolang en frequent als die reclasseringsinstelling noodzakelijk vindt;

2. de veroordeelde zal de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig acht, meewerken aan een ambulante behandeling door behandelcentrum Fivoor of een door de reclassering te bepalen soortgelijke zorgverlener. De veroordeelde zal zich daarbij houden aan de huisregels en de aanwijzingen van zorgverlener voor de behandeling.

3. de veroordeelde zal op geen enkele wijze - direct of indirect - contact (laten) opnemen, zoeken of hebben met de in deze zaak aangemerkte slachtoffer [naam slachtoffer] , geboren [geboortedatum slachtoffer] te [geboorteplaats slachtoffer] , zolang het Openbaar Ministerie en/of Reclassering Nederland dit verbod nodig vindt, waarbij de politie toeziet op handhaving van dit contactverbod;

verstaat dat van rechtswege de volgende voorwaarden zijn verbonden aan de hierboven genoemde bijzondere voorwaarden:

- de veroordeelde zal ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verlenen aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbieden;

- de veroordeelde zal medewerking verlenen aan reclasseringstoezicht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht;

geeft aan genoemde reclasseringsinstelling opdracht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

beveelt dat de genoemde bijzondere voorwaarden en het aan de reclasseringsinstelling

opgedragen toezicht dadelijk uitvoerbaar zijn;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;

veroordeelt de verdachte, om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij [naam slachtoffer], wonende te Vlaardingen, te betalen een bedrag van € 3.253,66 (zegge: drieduizendtweehonderd drieënvijftig euro en zesenzestig eurocent), bestaande uit

€ 253,66,-- aan materiële schade en € 3.000,-- aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 14 november 2019 tot aan de dag der algehele voldoening;

verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in het resterende deel van de vordering; dit deel van de vordering kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;

veroordeelt de verdachte in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden aan de zijde van de benadeelde partij begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

legt aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij [naam slachtoffer] , wonende te Vlaardingen, te betalen € 3.253,66 (zegge: drieduizendtweehonderd drieënvijftig euro en zesenzestig eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 14 november 2019 tot aan de dag van de algehele voldoening; bepaalt dat indien volledig verhaal van de hoofdsom van € 3.253,66 niet mogelijk blijkt, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 64 dagen; de toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op;

verstaat dat betaling aan de benadeelde partij tevens geldt als betaling aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij en omgekeerd;

heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte, die bij eerdere beslissing is geschorst.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. M.C. Franken, voorzitter,

en mrs. T.M. Riemens en R.H. Kroon, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. U. Ramdihal-Poeran, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 16 november 2020.

De voorzitter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage I

Tekst tenlastelegging

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

1 hij op of omstreeks 14 november 2019 te Vlaardingen aan [naam slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten een gebroken neus en/of krassen op het oogvlies en/of blijvend beperkt zicht, heeft toegebracht door - die [naam slachtoffer] in/op/tegen het gezicht te schoppen- de ogen van die [naam slachtoffer] in te drukken;

subsidiair

hij op of omstreeks 14 november 2019 te Vlaardingen ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [naam slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen

- die [naam slachtoffer] in/op/tegen het gezicht heeft geschopt- de ogen van die [naam slachtoffer] heeft ingedrukt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2 hij op of omstreeks 14 november 2019 te Vlaardingen ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [naam slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen (in) de keel van die [naam slachtoffer] heeft (dicht)geknepen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair

hij op of omstreeks 14 november 2019 te Vlaardingen [naam slachtoffer] heeft mishandeld door (in) de keel van die [naam slachtoffer] (dicht) te knijpen;

3 hij op of omstreeks 14 november 2019 te Vlaardingen [naam slachtoffer] heeft mishandeld door die [naam slachtoffer] in/op/tegen het gezicht, althans het hoofd en/of op/tegen het lichaam te slaan/stompen;


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature