< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Zittingsplaats:
Instantie:

Inhoudsindicatie:

verzoekschrift inzake ondertoezichtstelling (ots); uithuisplaatsing (uhp)

Uitspraak



beschikking

RECHTBANK ROTTERDAM

Team Jeugd

Zaakgegevens: C/10/585866 / JE RK 19-3440 en C/10/590019 / JE RK 20-184

datum uitspraak: 3 februari 2020

beschikking ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing

in de zaken van

de Raad voor de Kinderbescherming regio Rotterdam-Dordrecht,

hierna te noemen de Raad, gevestigd te Rotterdam,

betreffende

[naam kind] , geboren op [geboortedatum kind] 2019 te [geboorteplaats kind] ,

hierna te noemen [naam kind] .

De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:

[naam moeder] , hierna te noemen de moeder, wonende te [woonplaats moeder] ,

[naam vader] , hierna te noemen de vader, wonende te [woonplaats vader] .

Het procesverloop

Het procesverloop blijkt uit de volgende stukken:

- de beschikking van de kinderrechter in deze rechtbank van 26 november 2019 en de daaraan ten grondslag liggende stukken;

- een brief met bijlage van de Raad van 21 januari 2020, ingekomen bij de griffie op 22 januari 2020.

Op 3 februari 2020 heeft de kinderrechter de zaken ter zitting met gesloten deuren behandeld.

Gehoord zijn:

- de moeder, bijgestaan door mr. J.I. Echteld,

- de vader, bijgestaan door mr. E. Kocabas-Güler,- een vertegenwoordiger van de Raad, te weten dhr. [naam vertegenwoordiger] ,

- een vertegenwoordigster van de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond, hierna de GI, te weten mw. [naam vertegenwoordigster] .

Aangezien de ouders de Nederlandse taal niet of onvoldoende machtig zijn, maar wel de Poolse taal, heeft de kinderrechter het verhoor doen plaatsvinden met bijstand van mw. [naam 1] en mw. [naam 2] , tolken in de Poolse taal.

De kinderrechter heeft vastgesteld dat de tolken zijn beëdigd overeenkomstig het bepaalde in artikel 12 van de Wet be ëdigde tolken en vertalers.

De feitenHet ouderlijk gezag over [naam kind] wordt uitgeoefend door de moeder.

[naam kind] verblijft in een pleeggezin

Bij beschikking van 14 november 2019 is [naam kind] voorlopig onder toezicht gesteld met ingang van 14 november 2019 tot 14 februari 2019 - te lezen als tot 14 februari 2020 - en is een machtiging tot uithuisplaatsing van [naam kind] in een voorziening voor pleegzorg verleend voor de duur van vier weken.

Bij beschikking van 26 november 2019 is de machtiging tot uithuisplaatsing van [naam kind] in een voorziening voor pleegzorg verlengd tot 14 februari 2020, is de biologische vader als belanghebbende aangemerkt met betrekking tot het aanhangige verzoek tot ondertoezichtstelling en is het verzoek tot een definitieve ondertoezichtstelling aangehouden.

De verzoeken en het standpunt van de Raad

De Raad heeft de ondertoezichtstelling van [naam kind] verzocht voor de duur van twaalf maanden en een machtiging tot uithuisplaatsing van [naam kind] in een pleeggezin voor de duur van twee maanden.

De Raad heeft ter zitting de verzoeken gehandhaafd en als volgt nader toegelicht.

Er zijn zorgen over met name de persoonlijke problematiek van de moeder. Het gaat inmiddels steeds beter met haar. Er lijkt perspectief op een terugplaatsing van [naam kind] te zijn. Daarvoor moet nog een aantal praktische zaken worden geregeld. Indien deze praktische zaken binnen twee maanden zijn geregeld, kan de GI [naam kind] binnen deze periode bij haar ouders terugplaatsen mits haar veiligheid wordt gewaarborgd.

Het standpunt van belanghebbenden

De GI heeft ter zitting de verzoeken van de Raad ondersteund en het volgende meegedeeld.

In de afgelopen periode zijn de ouders de afspraken met de jeugdbescherming nagekomen. Zij werken volledig mee met de hulp die wordt ingezet. Met de ouders zijn afspraken gemaakt over de voorwaarden waaraan zij moeten voldoen om de veiligheid van [naam kind] te waarborgen. Zo is ambulante hulp aangevraagd. Ook zal [naam kind] worden ingeschreven bij een kinderdagverblijf voor twee à drie dagen per week en dient het netwerk ter ondersteuning van de ouders betrokken te zijn. De ouders zijn akkoord met deze voorwaarden. Zij doen een poging om hun relatie te hervatten. Er is echter ook sprake van wisselende berichten hierover. Vanwege de fragiele situatie is een ondertoezichtstelling voor één jaar noodzakelijk. Indien aan de voorwaarden van een terugplaatsing wordt voldaan, zal de uithuisplaatsing van [naam kind] wellicht korter dan twee maanden duren.

Namens de moeder heeft haar advocaat ter zitting verzocht om de duur van de ondertoezichtstelling te beperken. Ter onderbouwing hiervan is het volgende aangevoerd.

De ouders werken mee aan de ingezette hulpverlening. De moeder heeft wekelijks contact met een GGZ- psychotherapeut en staat op de wachtlijst voor een Pools sprekende therapeut. De ouders lossen de zaken met elkaar op. De vader ondersteunt de moeder.

In aanvulling op het betoog van haar advocaat heeft de moeder ter zitting het volgende verklaard. Zij is het eens met een ondertoezichtstelling. Zij is het er niet mee eens als [naam kind] nog twee maanden uit huis geplaatst blijft nu haar plek thuis bij haar ouders is. Er is tijd nodig om de relatieproblemen op te lossen. Wel is zij van plan om weer bij de vader in te trekken zodra [naam kind] wordt thuis geplaatst. Het verblijven in de woning zonder de aanwezigheid van [naam kind] is te pijnlijk.

Namens de vader heeft zijn advocaat zich ter zitting aangesloten bij hetgeen de advocaat van de moeder naar voren heeft gebracht. In aanvulling daarop is het volgende naar voren gebracht.

Het herstellen van de relatie van de ouders heeft tijd nodig. Zij hebben er wel vertrouwen in. De communicatie tussen de ouders verloopt beter. De vader wil geen eenhoofdig gezag over [naam kind] verzoeken. De moeder is bereid om mee te werken aan het aanvragen van gezamenlijk gezag over haar.

De beoordeling

Uit de overgelegde stukken en de behandeling ter zitting is gebleken dat [naam kind] ernstig in haar ontwikkeling wordt bedreigd. Zij groeit op in een zorgelijke opvoedomgeving. Er zijn zorgen over de persoonlijke problematiek van de moeder. Sinds haar zwangerschap heeft de moeder psychiatrische klachten. In de afgelopen periode is de moeder emotioneel overbelast geraakt. Als gevolg hiervan heeft [naam kind] lichamelijk letsel opgelopen en is zij in het ziekenhuis opgenomen. De moeder heeft aangegeven dat zij [naam kind] heeft geslagen nadat het haar niet is gelukt om [naam kind] te troosten. Daarom is zij in het kader van een voorlopige ondertoezichtstelling op 14 november 2019 met een spoedmachtiging in een pleeggezin geplaatst. De moeder is bij GGZ Delfland opgenomen en heeft een suïcidepoging ondernomen. Bij de psychiater van GGZ Delfland is een beeld ontstaan dat de moeder in de afgelopen periode door onder meer slaaptekort en toegenomen stress emotioneel (over)belast is geraakt. Inmiddels is de opname van de moeder bij GGZ Delfland beëindigd. Er zijn echter nog steeds zorgen over de draagkracht van de moeder ten opzichte van haar draaglast. Daarbij komt dat zij vanwege het gemis van [naam kind] veel verdriet heeft. Vanwege de situatie is de relatie van de ouders beschadigd. Zij wonen niet meer samen. Tot voor kort is onduidelijk geweest of de ouders hun relatie zullen voortzetten en of zij in staat zijn gezamenlijk de zorg voor [naam kind] bij een thuisplaatsing te dragen. Daarnaast had de vader geen vertrouwen meer in de moeder als opvoeder. Ter zitting is gebleken van een prille positieve ontwikkeling, waarbij de Raad en de GI hebben aangegeven dat [naam kind] naar verwachting binnen twee maanden bij haar ouders kan worden teruggeplaatst mits de veiligheid van [naam kind] wordt gewaarborgd. Daarvoor is noodzakelijk dat de ouders zich houden aan de voorwaarden voor een terugplaatsing van [naam kind] , zoals mondeling door de GI ter zitting is toegelicht. De noodzakelijke ambulante hulpverlening is echter pas onlangs aangevraagd. Ook zal [naam kind] nog moeten worden ingeschreven bij een kinderdagverblijf en zal op korte termijn afspraken met het netwerk gemaakt moeten worden om de ouders te ondersteunen. Daar komt ook bij dat het onduidelijk is in hoeverre de ouders hun relatie daadwerkelijk willen hervatten. Daarbij houdt de kinderrechter er rekening mee dat uit het rapport van de Raad van 20 januari 2020 is gebleken dat de ouders tijdens het raadsonderzoek nog niet wisten of zij met elkaar verder willen gaan. Naar aanleiding van vragen van de kinderrechter ter zitting over de relatie van de ouders en of zij nog van elkaar houden, geven de ouders niet zozeer aan met elkaar verder te willen gaan, maar vooral dat zij [naam kind] terug willen. Zij geven aan te willen proberen om aan hun relatie te werken en dat dit tijd kost. De vraag is gelet op al het voorgaande echter ook in hoeverre zij elkaar nog kunnen vertrouwen. Gelet hierop acht de kinderrechter het ook in het belang van [naam kind] dat wordt bezien op welke wijze de relatie van de ouders versterkt kan worden, waarvoor mogelijk ook de inzet van hulpverlening nodig is. Ook is het onduidelijk of de moeder in staat is om zelfstandig de juiste beslissingen voor [naam kind] te nemen nu de vader haar niet heeft erkend en (nog) geen gezamenlijk gezag met de moeder heeft. Nu de moeder vanwege de complexe problematiek niet zelfstandig in staat is om de bedreigde ontwikkeling van [naam kind] af te wenden en haar veiligheid te waarborgen, is thans hulpverlening in het gedwongen kader noodzakelijk.

Het is de komende periode van belang dat duidelijk wordt of de ouders hun relatie daadwerkelijk hebben hervat en of zij met een veiligheidsplan in staat zullen zijn de veiligheid van [naam kind] te waarborgen. Tot die tijd dient de plaatsing van [naam kind] bij het pleeggezin te worden voortgezet.

Uit voorgaande volgt dat is voldaan aan het wettelijke criterium genoemd in artikel 1:255 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Daarom zal de kinderrechter [naam kind] onder toezicht stellen voor de duur van twaalf maanden. Onder de huidige omstandigheden kan niet worden verwacht dat de problematiek op korte termijn geheel zal zijn verdwenen. Beperking in duur van de ondertoezichtstelling is daarom niet aan de orde.

Uit voorgaande volgt ook dat de verlenging van de uithuisplaatsing van [naam kind] noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding (artikel 1:265c, tweede lid, Burgerlijk Wetboek).

De beslissing

De kinderrechter:

stelt [naam kind] onder toezicht van de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond, gevestigd te Rotterdam, met ingang van 3 februari 2020 tot 3 februari 2021;

verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [naam kind] in een voorziening voor pleegzorg tot 14 april 2020;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 3 februari 2020 door mr. J. van Driel, kinderrechter, in tegenwoordigheid van D. van der Aa als griffier.

De schriftelijke uitwerking van deze beschikking is vastgesteld op 13 februari 2020.

Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:

- door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,

- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.

Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshofDen Haag.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde advocaten

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature