< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak




U dient ingelogd te zijn om favorieten te kunnen toevoegen aan Mijn Jure
U kunt zich hier gratis registreren
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Zittingsplaats:
Instantie:
Vindplaats:

Inhoudsindicatie:

Bevoegdheidsincident. Internationale bevoegdheid. In de hoofdzaak vorderen twee Nederlandse en twee buitenlandse vakbondsorganisaties van drie bedrijven nakoming van de Non-Seafarers Work Clause. Twee van deze bedrijven houden zich bezig met scheepsmanagement. Het ene bedrijf heeft woonplaats in het rechtsgebied van de aangezochte rechtbank, de rechtbank Rotterdam. Het andere bedrijf, dat het bevoegdheidsincident is gestart, is gevestigd in Cyprus. Brussel I bis Verordening. De vier vakbondsorganisaties, die alle dezelfde advocaat hebben, treden weliswaar als één procespartij op maar ten aanzien van ieder van hen luiden de vorderingen verschillend. De rechtbank beoordeelt haar bevoegdheid aan de hand van de volgende drie bevoegdheidsregels van Brussel I bis-Vo: artikel 7 aanhef en onder 1, artikel 7 aanhef en onder 2, en artikel 8 aanhef en onder 1. De eerste regel leidt niet tot bevoegdheid. Gelet op de aard van de vordering - die in de kern strekt tot het niet door bemanningsleden laten uitvoeren van sjorwerkzaamheden - en het grote geografische bereik van het gevraagde gebod, ziet de rechtbank onvoldoende ruimte om zichzelf bevoegd te achten als ‘het gerecht van de plaats waar de verbintenis die aan de eis ten grondslag ligt, is uitgevoerd of moet worden uitgevoerd’ zoals voorzien in artikel 7 aanhef en onder 1 Brussel I bis-Vo. Dit zou ook op gespannen voet staan met het beginsel van voorzienbaarheid en rechtszekerheid dat van groot belang is bij toepassing van Europese bevoegdheidsregels (vgl. HvJ EG 19 februari 2020, ECLI:EU:C:2002:99, (Besix/Wabag). Artikel 7 aanhef en onder 2 Brussel I bis-Vo (onrechtmatige daad) leidt tot bevoegdheid ten aanzien van de vorderingen van een van de twee Nederlandse vakbondsorganisaties. Ten aanzien van de vorderingen van de twee buitenlandse vakbondsorganisaties verklaart de rechtbank zich onbevoegd. Ook artikel 8 aanhef en onder 1 Brussel I bis-Vo kan namelijk niet leiden tot bevoegdheid. Er is namelijk geen sprake van ‘onverenigbare beslissingen’. Hoewel eiseressen dit niet bespreken en gedaagde (incidenteel eiseres) dit slechts kort benoemt, biedt artikel 8 aanhef en onder 1 Brussel I bis-Vo aan een individuele eiser onder voorwaarden de mogelijkheid om vorderingen tegen verschillende verweerders bij eenzelfde gerecht aanhangig te maken. Het artikel voorziet er niet in dat het ‘overdagen’ van een in een andere lidstaat woonplaats hebbende verweerder kan worden gegrond op een nauwe verbondenheid met een vordering van een andere eiser tegen een medeverweerder. Ook is in deze zaak een voegingsincident gestart waarin andere partijen om voeging aan de kant van gedaagden verzoeken. De internationale bevoegdheid om kennis te nemen van deze incidentele vordering wordt beoordeeld aan de hand van artikel 8 aanhef en onder 2 Brussel I bis-Vo.

Uitspraak



vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team handel en haven

zaaknummer / rolnummer: C/10/599847 / HA ZA 20-648

Vonnis in incident van 23 december 2020

in de zaak van

1. de rechtspersoon naar het recht van het land van vestiging

INTERNATIONAL TRANSPORT WORKERS' FEDERATION,

gevestigd te Londen, Verenigd Koninkrijk,

2. de vereniging

NAUTILUS INTERNATIONAL,

gevestigd te Rotterdam,

3. de rechtspersoon naar het recht van het land van vestiging

VEREINTE DIENSTLEITUNGSGEWERKSCHAFT,

gevestigd te Berlijn, Duitsland,

4. de vereniging

FEDERATIE NEDERLANDSE VAKBEWEGING, optredende zowel pro se als in hoedanigheid van vertegenwoordiger van tot haar achterban behorende havenwerkers,

gevestigd te Utrecht,

eiseressen in de hoofdzaak,

gedaagden in het bevoegdheidsincident,

gedaagden in het incident tot voeging,

advocaat mr. R.J. Wybenga te Rotterdam,

tegen

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

MARLOW NAVIGATION NETHERLANDS B.V.,

gevestigd te Rotterdam,

gedaagde in de hoofdzaak,

gedaagde in het incident tot voeging,

advocaat mr. S.A. Tan te Rotterdam,

2. de rechtspersoon naar het recht van het land van vestiging

MARLOW NAVIGATION COMPANY LIMITED,

gevestigd te Limassol, Cyprus,

gedaagde in de hoofdzaak,

eiseres in het bevoegdheidsincident,

gedaagde in het incident tot voeging,

advocaat mr. S.A. Tan te Rotterdam,

3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

EXPERT SHIPPING B.V.,

gevestigd te Harlingen,

gedaagde in de hoofdzaak,

gedaagde in het incident tot voeging,

advocaat mr. R.C.A. van 't Zelfde te Rotterdam,

in welke hoofdzaak zich wensen te voegen aan de zijde van gedaagden:

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

BG FREIGHT LINE B.V.,

gevestigd te Rotterdam,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

SAMSKIP B.V.,

gevestigd te Rotterdam,

3. de rechtspersoon naar het recht van het land van vestiging

UNIFEEDER A/S,

gevestigd te Aarhus, Denemarken,

4. de rechtspersoon naar het recht van het land van vestiging

EUCON SHIPPING & TRANSPORT LTD.,

gevestigd te Dublin, Ierland,

5. de rechtspersoon naar het recht van het land van vestiging

X-PRESS CONTAINER LINE (UK) LTD.,

gevestigd te Londen, Verenigd Koninkrijk,

eiseressen in het incident tot voeging,

advocaat mr. G.W. van der Voet te Rotterdam.

Eiseressen in de hoofdzaak zullen hierna gezamenlijk FNV c.s. worden genoemd. Afzonderlijk zullen zij ITF, Nautilus, Ver.di respectievelijk FNV Havens worden genoemd. Gedaagden in de hoofdzaak zullen hierna Marlow Nederland, Marlow Cyprus respectievelijk Expert Shipping worden genoemd.

De eiseressen tot voeging zullen hierna gezamenlijk BG Freight Line c.s. worden genoemd en afzonderlijk BG Freight Line, Samskip, Unifeeder, Eucon en X-Press.

1. De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

in de hoofdzaak

de dagvaardingen van 3 juni 2020, met producties,

de conclusie van antwoord tevens houdende voorwaardelijke eis in reconventie van Marlow Nederland, met producties,

de conclusie van antwoord tevens houdende voorwaardelijke eis in reconventie van Expert Shipping, met producties,

in het bevoegdheidsincident

de incidentele conclusie tot onbevoegdheid van Marlow Cyprus, met één productie,

de conclusie van antwoord van FNV c.s. in het incident tot onbevoegdheid,

in het incident tot voeging

de incidentele conclusie tot voeging ex art. 217 Rv van BG Freight Line c.s.,

de conclusie van antwoord in het incident tot voeging van FNV c.s.,

de conclusie van antwoord in het incident tot tussenkomst ex art. 217 Rv van Marlow Nederland en Marlow Cyprus,

de conclusie van antwoord in het incident tot tussenkomst ex art. 217 Rv van Expert Shipping.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald in de incidenten.

2. De feiten waarvan in de incidenten wordt uitgegaan

2.1.

ITF is een internationale vakbondsfederatie, die in internationale context onder meer de belangen van bij haar aangesloten (lokale) vakbonden voor zeevarenden en havenwerkers (de “ITF-affiliates”) behartigt, zoals Nautilus en Ver.di. De Federatie Nederlandse Vakbeweging is een werknemersvereniging die opkomt voor de belangen van werknemers in een groot aantal sectoren, waaronder de haven. Zij wordt aangeduid als FNV Havens omdat deze zaak het werkterrein van haar onderdeel FNV Havens betreft.

2.2.

Marlow Nederland en Marlow Cyprus maken deel uit van een internationaal actief concern dat zich (onder meer) toelegt op scheepsmanagement met inbegrip van het ter beschikking stellen van scheepsbemanningen. Marlow Cyprus is enig aandeelhouder van Marlow Nederland. Door Marlow Nederland en Marlow Cyprus worden wereldwijd ruim 1000 (container)schepen gemanaged, waarvan een substantieel aantal actief is in Noord- en West-Europese wateren. Deze schepen doen regelmatig de Rotterdamse haven aan. De voor deze zaak van belang zijnde schepen waarvoor Marlow Nederland en Marlow Cyprus scheepsbemanning ter beschikking stellen (hierna: de Marlow schepen), hebben een “Length Overall” van minder dan 170 meter. De zeevarenden werkzaam aan boord van de Marlow schepen zijn merendeels in dienst van Marlow Nederland of Marlow Cyprus, die jegens hen de rol van werkgever vervullen.

2.3.

Expert Shipping is eigenaar van het door Marlow Nederland bemande schip [naam schip] ”.

2.4.

Sinds 1 januari 2020 is het op containerschepen die worden gereed dan wel

bemand door partijen die zijn aangesloten bij de International Maritime Employers’

Council (een internationale werkgeversorganisatie die opkomt voor de belangen van individuele reders (eigenaren), scheepsmanagers en werkgevers die voornamelijk bulk-, container- en tankschepen exploiteren respectievelijk doen bemannen; hierna: IMEC) in beginsel niet langer toegestaan sjorwerkzaamheden te doen verrichten door de bemanning. Dit is een gevolg van de inwerkingtreding per 1 januari 2020 van de nieuwe “Non-Seafarers Work Clause”, die krachtens door IMEC gemaakte afspraken deel uitmaakt van de op de arbeidsovereenkomsten van de bemanning toepasselijke arbeidsvoorwaarden.

2.5.

De Non-Seafarers Work Clause luidt als volgt:

“4.1 Neither seafarers nor anyone else on board whether in permanent or temporary employment by the Company shall carry out cargo handling services in a port, at a terminal or on board of a vessel, where dock workers, who are members of an ITF affiliated union, are providing the cargo handling services. Where there are not sufficient numbers of qualified dock workers available, the ship's crew may carry out the work provided that there is prior agreement of the ITF Dockers Union or ITF Unions concerned; and provided that the individual seafarers volunteer to carry out such duties; and those seafarers are qualified and adequately compensated for that work. For the purpose of this clause “cargo handling services” may include but is not limited to: loading, unloading, lashing, unlashing, checking and receiving.

4.2

Where a vessel is in a port where an official trade dispute involving an ITF affiliated dock workers' union is taking place, there shall not be any cargo operations undertaken which could affect the resolution of the dispute. The Company will not take any punitive measures against any seafarer who respects such dockworkers' trade dispute and any such lawful act by the seafarer shall not be treated as any breach of the seafarer's contract of employment, provided that this act is lawful within the country it is taken.

4.3

For crewmembers compensation for such work performed during the normal working week, as specified in Article 6, shall be by the payment of the overtime rate specified in Appendix 2 for each hour or part hour that such work is performed, in addition to the basic pay. Any such work performed outside the normal working week will be compensated at double the overtime rate.

4.4

In implementing the provisions of Articles 4.1 and 4.2 above, specific conditions may apply as identified in Appendix 4 to this CBA.”

2.6.

The Joint Negotiating Group (hierna: JNG) is een internationaal collectief van maritieme werkgevers(organisaties), waaronder IMEC. Het gros van de reders, eigenaren en scheepsmanagers die opereren in Europese en Canadese wateren zijn aangesloten bij IMEC. Ook Marlow Cyprus is lid van IMEC.

2.7.

ITF en JNG vormen tezamen “the International Bargaining Forum” (hierna: IBF). Binnen de IBF vinden tweejaarlijks onderhandelingen plaats over de beloning van zeevarenden en hun arbeidsvoorwaarden. De resultaten van deze onderhandelingen worden vastgelegd in een “IBF Framework Agreement”, dat de basis vormt voor de bedrijfstakcao’s en/of ondernemingscao’s die lokale vakbonden met lokale werkgevers(organisaties) overeenkomen.

2.8.

Via ITF respectievelijk JNG committeren de bij ITF respectievelijk JNG aangesloten partijen (waaronder dus Nautilus, Ver.di en Marlow) zich om, waar het de tewerkstelling van zeevarenden aan boord van schepen betreft, de op hen van toepassing zijnde arbeidsvoorwaarden in collectieve arbeidsovereenkomsten en individuele zeearbeidsovereenkomsten te implementeren, en dusdoende uitvoering te geven aan de afspraken die op IBF-niveau tussen ITF en JNG omtrent beloning en arbeidsvoorwaarden tot stand zijn gekomen.

2.9.

Expert Shipping wordt aan deze afspraken gebonden doordat Nautilus enerzijds

en Expert Shipping anderzijds per individueel schip een zogeheten “Special Agreement” sluiten. De Non-Seafarers Work Clause is in de Special Agreement geïncorporeerd. De Special Agreement die ten aanzien van [naam schip] ” (het schip van Expert Shipping) is gesloten, is door Marlow Nederland op 13 januari 2020 ondertekend als “the company/on behalf of the Company who is duly authorised by the owner of the Ship to sign on its behalf”.

2.10.

Sjorwerkzaamheden op Marlow-schepen (waaronder [naam schip] ’) worden niet door havenwerkers maar door zeevarenden verricht.

3. De vorderingen in de hoofdzaak

3.1.

ITF, Nautilus en FNV Havens vorderen dat de rechtbank, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, Marlow Nederland en Expert Shipping gebiedt het daarheen te leiden dat binnen twee dagen nadat vonnis is gewezen:

behoudens “prior agreement of the ITF Dockers Union or ITF Unions concerned” als bedoeld in artikel 1 aanhef en sub j van de Special Agreements zoals door Marlow Nederland en Expert Shipping met ITF en Nautilus aangegaan (Non Seafarers Work Clause),

A. - noch in Nederlandse havens (vordering ITF, Nautilus en FNV Havens),

- noch in havens gelegen in Noord- en West-Europa, met uitzondering van de Middellandse zee maar met inbegrip van de havens in de Oostzee/Baltische zee, en in havens gelegen in Canada, (vordering ITF en Nautilus),

op de door Marlow Nederland van bemanning voorziene schepen, waaronder ook het door Expert Shipping in eigendom gehouden schip, werkzaamheden door zeevarenden worden verricht in omstandigheden als omschreven in de Non-Seafarers Work Clause, alsmede

de hiervoor bedoelde werkzaamheden in overeenstemming met de Non-Seafarers Work Clause te doen verrichten door havenwerkers,

zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 24.000 voor elke overtreding van dit gebod en voor iedere dag dat de overtreding voortduurt ten gunste van ITF en Nautilus gezamenlijk voor zover de overtreding plaatsvindt buiten Nederland, en ten gunste van ITF, Nautilus en FNV Havens gezamenlijk voor zover de overtreding plaatsvindt binnen Nederland

en

ITF, Ver.di en FNV Havens vorderen dat de rechtbank bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad Marlow Cyprus gebiedt het daarheen te leiden dat binnen twee dagen nadat vonnis is gewezen:

behoudens “prior agreement of the ITF Dockers Union or ITF Unions concerned” als bedoeld in artikel 1 aanhef en sub j van de Special Agreements zoals door Marlow Cyprus met ITF en Ver.di aangegaan (Non-Seafarers Work Clause)

A. - noch in Nederlandse havens (vordering ITF, Ver.di en FNV Havens),

- noch in havens gelegen in Noord- en West-Europa, met uitzondering van de Middellandse zee maar met inbegrip van de havens in de Oostzee/Baltische zee, en in havens gelegen in Canada, (vordering ITF en Ver.di),

op de door Marlow Cyprus van bemanning voorziene schepen werkzaamheden door zeevarenden worden verricht in omstandigheden als omschreven in de Non-Seafarers Work Clause, alsmede

A. de hiervoor bedoelde werkzaamheden in overeenstemming met de Non-Seafarers Work Clause te doen verrichten door havenwerkers,

zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 24.000 voor elke overtreding van dit gebod en voor iedere dag dat de overtreding voortduurt ten gunste van ITF en Ver.di gezamenlijk voor zover de overtreding plaatsvindt buiten Nederland, en ten gunste van ITF, Ver.di en FNV Havens gezamenlijk voor zover de overtreding plaatsvindt binnen Nederland,

en

ITF, Nautilus en Ver.di vorderen dat de rechtbank bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad Marlow Nederland, Marlow Cyprus en Expert Shipping hoofdelijk veroordeelt tot betaling van de redelijke kosten – vermeerderd met de wettelijke rente – als bedoeld in artikel 1(l) van de met hen gesloten Special Agreements, op te maken bij staat, aan ITF, Nautilus en Ver.di gezamenlijk, des dat de een door te betalen de ander zal bevrijden,

en

FNV c.s. vorderen hoofdelijke veroordeling, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, van Marlow Nederland, Marlow Cyprus en Expert Shipping in de kosten van het geding, alsmede in de wettelijke rente over de kosten, voor zover deze niet door gedaagden zijn voldaan binnen twee dagen na dagtekening van het in dezen te wijzen vonnis, en daarbij het nasalaris advocaat te begroten op € 157,00, te verhogen met € 82,00 indien gedaagden niet binnen twee dagen aan het vonnis voldoen en betekening daarvan plaatsvindt.

3.2.

Aan de vorderingen jegens Marlow Nederland en Expert Shipping leggen eiseressen het volgende ten grondslag.

ITF en Nautilus vorderen nakoming door Marlow Nederland en Expert Shipping van de Non­Seafarers Work Clause in de Special Agreement.

FNV Havens vordert, pro se en namens de tot haar achterban behorende sjorders, uit hoofde van onrechtmatige daad veroordeling van Marlow Nederland en Expert Shipping tot naleving van de Non-Seafarers Work Clause.

3.3.

Aan de vorderingen jegens Marlow Cyprus leggen eiseressen het volgende ten grondslag.

ITF en Ver.di vorderen nakoming door Marlow Cyprus van de Non-Seafarers Work Clause in de Special Agreement.

FNV Havens vordert, pro se en namens de tot haar achterban behorende sjorders, uit hoofde van onrechtmatige daad veroordeling van Marlow Cyprus tot naleving van de Non-Seafarers Work Clause.

4. Het geschil in het bevoegdheidsincident

4.1.

Marlow Cyprus vordert dat de rechtbank, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

I. zich onbevoegd verklaart om kennis te nemen van de door FNV c.s. tegen Marlow Cyprus ingestelde vorderingen;

II. FNV c.s. veroordeelt in de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf acht dagen na betekening van het in dezen te wijzen vonnis tot de dag van betaling.

4.2.

FNV c.s. voeren verweer en concluderen tot afwijzing van de incidentele vordering en tot veroordeling van Marlow Cyprus, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, in de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente indien deze kosten niet zijn betaald binnen veertien dagen na dagtekening van het in dezen te wijzen vonnis.

4.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

5. Het geschil in het incident tot voeging op grond van artikel 217 Rv

5.1.

BG Freight Line c.s. vorderen dat de rechtbank bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad BG Freight Line, Samskip, Unifeeder, Eucon en X-Press toestaat zich te voegen aan de zijde van Marlow Nederland, Marlow Cyprus en Express Shipping als gedaagden in de onderhavige zaak met zaak- en rolnummer C/10/599847/ HA ZA 20-648 tegen FNV c.s. als eiseressen, kosten rechtens.

5.2.

FNV c.s. refereren zich wat de voeging betreft aan het oordeel van de rechtbank. FNV c.s. concluderen dat een grondslag ontbreekt om hen in de kosten van het incident te veroordelen.

5.3.

Marlow Nederland, Marlow Cyprus en Expert Shipping verzoeken de rechtbank om de vordering tot voeging toe te wijzen.

6. De beoordeling in het bevoegdheidsincident

6.1.

Nu Marlow Cyprus buiten Nederland haar woonplaats heeft, dient de rechtbank ambtshalve te beoordelen of zij internationaal bevoegd is om van de door FNV c.s. tegen Marlow Cyprus ingestelde vorderingen kennis te nemen.

6.2.

Het daarvoor geldende beoordelingskader wordt gegeven door de Brussel I bis-Vo (Verordening (EU) Nr. 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (herschikking), hierna: Brussel I bis-Vo). De toepasselijkheid van deze verordening is tussen partijen ook niet in geschil.

6.3.

Toepassing van de Brussel I bis-Vo leidt ertoe dat de rechtbank de vraag naar rechtsmacht en bevoegdheid dient te beantwoorden voor iedere aan haar voorgelegde (hoofd)vordering, daarbij onderscheid makend per eiseres, per gedaagde en per grondslag.

6.4.

ITF en Ver.di hebben ieder een vordering op contractuele grondslag ingesteld tegen Marlow Cyprus. Nautilus heeft geen hoofdvordering ingesteld tegen Marlow Cyprus maar slechts nevenvorderingen. FNV Havens heeft een vordering uit onrechtmatige daad ingesteld tegen Marlow Cyprus.

6.5.

Voor elk van deze vorderingen geldt het volgende.

FNV c.s. heeft onbestreden gesteld dat geen forumkeuze is gedaan en dat de bevoegdheidsregels van de artikelen 20-23 Brussel Ibis toepassing missen. De rechtbank ziet in de stukken geen aanleiding hier anders over te denken.

Aangezien Marlow Cyprus geen woonplaats heeft in Nederland komt aan de Nederlandse rechter jegens haar geen rechtsmacht toe op grond van artikel 4 lid 1 Brussel Ibis.

ten aanzien van de vordering van ITF

6.6.

De vordering van ITF is gegrond op de stellingen, samengevat en naar de rechtbank begrijpt:

- dat Marlow Cyprus zich door ondertekening van de Ver.di/ITF Collective Bargaining Agreement met (Ver.di namens zichzelf en) ITF - productie 4B van FNV c.s. - heeft verbonden tot het aan boord van ‘haar’ schepen (doen) naleven van de Non-Seafarers Work Clause,

- dat Marlow Cyprus voor ieder door haar van bemanning voorzien schip een Special Agreement heeft gesloten met (Ver.di namens zichzelf en) ITF - een voorbeeld is productie 6B van FNV c.s. - waarin deze verbintenis ook is vastgelegd in artikel 1 aanhef en onder j en k,

- dat Marlow in de nakoming van deze verbintenis tekortschiet en tot nakoming moet worden veroordeeld.

De vordering van ITF strekt ertoe dat Marlow Cyprus wordt geboden de Non-Seafarers Work Clause te (doen) naleven aan boord van de door Marlow Cyprus van bemanning voorziene schepen in alle havens in Noord- en West-Europa, met inbegrip van de havens aan de Oostzee/Baltische zee, en in de havens van Canada.

6.7.

Gelet op de aard van de vordering - die in de kern strekt tot het niet door bemanningsleden laten uitvoeren van sjorwerkzaamheden - en het grote geografische bereik van het gevraagde gebod, ziet de rechtbank onvoldoende ruimte om zichzelf bevoegd te achten als ‘het gerecht van de plaats waar de verbintenis die aan de eis ten grondslag ligt, is uitgevoerd of moet worden uitgevoerd’ zoals voorzien in artikel 7 aanhef en onder 1 Brussel I bis-Vo. Dit zou ook op gespannen voet staan met het beginsel van voorzienbaarheid en rechtszekerheid dat van groot belang is bij toepassing van Europese bevoegdheidsregels (vgl. HvJ EG 19 februari 2020, ECLI:EU:C:2002:99, (Besix/Wabag).

6.8.

FNV c.s. stellen - maar Marlow Cyprus betwist - dat de internationale bevoegdheid van deze rechtbank om kennis te nemen van de vorderingen tegen Marlow Cyprus volgt uit artikel 8 aanhef en onder 1 Brussel I bis-Vo:

“Een persoon die op het grondgebied van een lidstaat woonplaats heeft, kan ook worden opgeroepen:

1. indien er meer dan één verweerder is: voor het gerecht van de woonplaats van een hunner, op voorwaarde dat er tussen de vorderingen een zo nauwe band bestaat dat een goede rechtsbedeling vraagt om hun gelijktijdige behandeling en berechting, teneinde te vermijden dat bij afzonderlijke berechting van de zaken onverenigbare beslissingen worden gegeven”.

FNV c.s. wijzen erop dat Marlow Nederland woonplaats heeft in Rotterdam en stellen dat de vorderingen tegen Marlow Cyprus zo nauw samenhangen met die tegen Marlow Nederland dat aan de voorwaarde van artikel 8 aanhef en onder 1 Brussel I bis-Vo is voldaan.

6.9.

Hoewel FNV c.s. dit niet bespreekt en Marlow Cyprus dit slechts kort benoemt, biedt artikel 8 aanhef en onder 1 Brussel I bis-Vo aan een individuele eiser onder voorwaarden de mogelijkheid om vorderingen tegen verschillende verweerders bij eenzelfde gerecht aanhangig te maken. Het artikel voorziet er niet in dat het ‘overdagen’ van een in een andere lidstaat woonplaats hebbende verweerder kan worden gegrond op een nauwe verbondenheid met een vordering van een andere eiser tegen een medeverweerder. Het aldus toepassen van de bepaling zou op gespannen voet staan met de vaste rechtspraak dat de alternatieve bevoegdheidsgronden van de Brussel I bis-Vo (en haar voorgangers) restrictief dienen te worden uitgelegd (vgl. HvJ EG 27 september 1988, ECLI:EU:C:1988:459 (Kalfelis/Schröder)).

De consequentie is dat voor de toepassing van artikel 8 aanhef en onder 1 Brussel I bis-Vo alleen van belang is of voldoende nauwe verbondenheid bestaat tussen de (contractuele) vordering van ITF tegen Marlow Cyprus enerzijds en de (contractuele) vordering van ITF tegen Marlow Nederland anderzijds.

De vordering tegen Expert Shipping hebben partijen in dit verband niet zelfstandig besproken. De rechtbank ziet daartoe ook geen reden, nu Expert Shipping geen woonplaats heeft in het arrondissement Rotterdam en de tegen haar gerichte vordering dus geen ‘overdagen’ naar Rotterdam kan rechtvaardigen.

6.10.

Terecht wijst Marlow Cyprus op de vaste rechtspraak over artikel 8 aanhef en onder 1 Brussel I bis-Vo waaruit volgt dat van ‘onverenigbare beslissingen’ in de zin van deze bepaling pas sprake is, indien bij afzonderlijke berechting van de zaken het gevaar bestaat dat uiteenlopende beslissingen worden gegeven in het kader van een feitelijk en rechtens zelfde situatie. Vgl. HvJ EU 13 juli 2006, C‑539/03, ECLI:EU:C:2006:458 (Roche), HvJ EU 27 september 2017, C24/16 en C25/16, ECLI:EU:C:2017:724 (Nintendo),

HvJ EU 11 oktober 2007, C-98/06, ECLI:EU:C:2007:595 (Freeport) en HvJ EU 20 april 2016, C-366/13, ECLI:EU:C:2016:282 (Profit Investment/Ossi).

6.11.

FNV c.s. erkennen bij antwoord in het incident de juistheid van deze maatstaf, maar stellen dat daaraan in dit geval is voldaan omdat de vorderingen feitelijk en juridisch dezelfde situatie betreffen.

Zij betogen in dit verband, samengevat:

dat Marlow Cyprus deel uitmaakt van dezelfde ondeelbare contractuele constellatie als haar medegedaagden in de hoofdzaak,

dat aan alle gedaagden dezelfde inbreuk op de Non-Seafarers Work Clause wordt verweten,

dat Marlow Cyprus enig aandeelhouder is van Marlow Nederland,

dat de topman van de groep waartoe Marlow Cyprus en Marlow Nederland behoren (hierna: de Marlow groep) als onderhandelaar betrokken was bij de totstandkoming van het geheel van afspraken waarvan de Non-Seafarers Work Clause deel uitmaakt,

dat deze topman voor de Marlow groep bepaalt hoe binnen de groep met de Non-Seafarers Work Clause dient te worden omgegaan,

dat de Marlow-groep heeft besloten dat zij deze clausule niet zal nakomen,

dat de vorderingen dus ook onderling samenhangen mede als gevolg van een verhouding van ondergeschiktheid,

dat uit het arrest Cartel Damage Claims/Akzo Nobel (HvJ EU 21 mei 2015, ECLI:EU:C:2015:335) volgt dat niet ter zake doet dat de vordering tegen Marlow Cyprus op schending van een andere Special Agreement ziet dan de vordering tegen Marlow Nederland, maar dat doorslaggevend is dat het gaat om een voortdurende schending van een en dezelfde contractsbepaling volgens een identieke werkwijze.

6.12.

Op deze stellingname heeft Marlow Cyprus nog niet kunnen reageren. De rechtbank ziet echter onvoldoende aanleiding om daartoe alsnog gelegenheid te geven, omdat zij ook zonder reactie van Marlow Cyprus onvoldoende aanleiding ziet om FNV c.s. in haar standpunt te volgen.

6.13.

Uit r.o. 6.9 hierboven volgt dat FNV c.s. hun beroep op artikel 8 Brussel I bis-Vo slechts kunnen baseren op samenhang met de vordering van ITF op Marlow Nederland. Op een verdergaande ‘contractuele constellatie’ met ‘haar medegedaagden in de hoofdzaak’ kunnen zij dus niet steunen.

De vordering van ITF tegen Marlow Cyprus is gegrond op weliswaar verregaand gelijkluidende maar toch niet dezelfde overeenkomsten als die waarop de vordering van ITF tegen Marlow Nederland is gebaseerd (namelijk producties 4B en (als voorbeeld voor een concreet schip) 6B versus producties 4A en 6A bij dagvaarding). De vordering tegen Marlow Cyprus ziet expliciet op de door Marlow Cyprus van bemanning voorziene schepen, de vordering tegen Marlow Nederland ziet expliciet op de door Marlow Nederland van bemanning voorziene schepen. Reeds uit deze twee omstandigheden volgt dat het feitelijk noch juridisch eenzelfde situatie betreft.

Dat de onderscheiden vorderingen raken aan dezelfde problematiek doet hieraan niet af. Dezelfde problematiek bestaat wereldwijd naar FNV c.s. schetsen aan boord van nog vele andere schepen die door andere partijen worden gereed en bemand.

Het door FNV c.s. aangehaalde arrest Cartel Damage Claims/Akzo Nobel betreft de aansprakelijkheid uit onrechtmatige daad van deelnemers aan een kartel die door hun onderling gecoördineerde handelwijze gezamenlijk één voortdurende inbreuk maakten op het Europese mededingingsrecht. De rechtbank acht dit een wezenlijk andere situatie dan de in deze procedure gestelde niet-nakoming door twee aan elkaar gelieerde vennootschappen van niet-dezelfde overeenkomsten ten aanzien van de bemanning van niet-dezelfde schepen.

Ook indien juist zou zijn dat de Marlow-vennootschappen op instructie van hogerhand de Non-Seafarers Work Clause naast zich neerleggen, zoals FNV c.s. (pas) in hun laatste processtuk hebben gesteld, is dat onvoldoende om aan te nemen dat gevaar bestaat voor uiteenlopende beslissingen in het kader van een feitelijk en rechtens zelfde situatie.

6.14.

De conclusie is dat de rechtbank zich onbevoegd zal verklaren om kennis te nemen van de vordering van ITF op Marlow Cyprus.

ten aanzien van de vordering van Nautilus

6.15.

Nautilus heeft nevenvorderingen tot vergoeding van kosten ingesteld tegen Marlow Cyprus. Een hoofdvordering tegen Marlow Cyprus is door Nautilus niet gesteld. Naar de rechtbank begrijpt bestaat geen overeenkomst tussen Nautilus en Marlow Cyprus. Nu geen grondslag is gesteld of gebleken waarop de rechtbank bevoegdheid kan aannemen om over de nevenvorderingen van Nautilus te oordelen, zal de rechtbank zich te dien aanzien onbevoegd zal verklaren.

ten aanzien van de vordering van Ver.di

6.16.

De vordering van Ver.di is gegrond op de stellingen, samengevat en naar de rechtbank begrijpt:

- dat Marlow Cyprus zich door ondertekening van de Ver.di/ITF Collective Bargaining Agreement met Ver.di - productie 4B van FNV c.s. - heeft verbonden tot het aan boord van ‘haar’ schepen (doen) naleven van de Non-Seafarers Work Clause,

- dat Marlow Cyprus voor ieder door haar van bemanning voorzien schip een Special Agreement heeft gesloten met Ver.di - een voorbeeld is productie 6B van FNV c.s. - waarin deze verbintenis ook is vastgelegd in artikel 1 aanhef en onder j en k,

- dat Marlow in de nakoming van deze verbintenis tekortschiet en tot nakoming moet worden veroordeeld.

De vordering van Ver.di strekt ertoe dat Marlow Cyprus wordt geboden de Non-Seafarers Work Clause te (doen) naleven aan boord van de door Marlow Cyprus van bemanning voorziene schepen in alle havens in Noord- en West-Europa, met inbegrip van de havens aan de Oostzee/Baltische zee, en in de havens van Canada.

6.17.

Op gelijke gronden als hierboven in r.o. 6.7 tot en met 6.13 ten aanzien van ITF is overwogen, met dien verstande dat waar ITF is vermeld Ver.di dient te worden gelezen, komt aan de rechtbank niet op grond van artikel 8 aanhef en onder 1 Brussel I bis-Vo bevoegdheid toe om van de vordering van Ver.di tegen Marlow Cyprus kennis te nemen. De rechtbank zal zich te dien aanzien onbevoegd verklaren.

ten aanzien van de vordering van FNV Havens

6.18.

De vordering van FNV Havens is gegrond op de stelling dat Marlow Cyprus onrechtmatig handelt. FNV Havens vordert dat Marlow Cyprus de Non-Seafarers Work Clause strikt naleeft, met dien verstande dat haar vorderingen beperkt zijn tot de havens in Nederland, in het bijzonder de haven van Rotterdam. FNV c.s. stellen dat aan deze rechtbank internationale bevoegdheid toekomt op grond van artikel 7 aanhef en onder 2 Brussel I bis-Vo, nu de Non-Seafarers Work Clause wordt geschonden bij het laden en lossen van containers door Marlow Cyprus in de haven van Rotterdam.

6.19.

Marlow Cyprus heeft deze bevoegdheidsgrondslag niet, althans niet uitdrukkelijk, bestreden.

6.20.

Artikel 7 aanhef en onder 2 Brussel I bis-Vo bepaalt dat een persoon die woonplaats heeft op het grondgebied van een lidstaat (in dit geval Marlow Cyprus) in een andere lidstaat (in dit geval Nederland) ten aanzien van verbintenissen uit onrechtmatige daad kan worden opgeroepen voor het gerecht waar het schadebrengende feit zich heeft voorgedaan of zich kan voordoen. Nu aan de vordering van FNV Havens ten grondslag is gelegd dat de Non-Seafarers Work Clause is geschonden te Rotterdam en strekt tot herhaling van dergelijke schendingen in Nederlandse havens en die van Rotterdam in het bijzonder, is deze rechtbank inderdaad aan te merken als het gerecht van de plaats waar het schadebrengende feit zich heeft voorgedaan of zich kan voordoen in de zin van artikel 7 aanhef en onder 2 Brussel I bis-Vo. Daaruit volgt dat de rechtbank internationaal bevoegd is om kennis te nemen van de vorderingen van FNV Havens tegen Marlow Cyprus. De vordering tot onbevoegdverklaring zal in zoverre worden afgewezen.

kosten

6.21.

ITF, Nautilus en Ver.di zullen als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld tot betaling van de proceskosten van Marlow Cyprus. Deze kosten worden begroot op € 543,00 voor salaris advocaat.

6.22.

Marlow Cyprus zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld tot betaling van de proceskosten van FNV Havens. Deze kosten worden begroot op € 543,00 voor salaris advocaat.

6.23.

De over deze proceskosten gevorderde rente zal worden toegewezen en de veroordelingen zullen uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard zoals onbestreden is gevorderd.

7. De gevolgen voor de hoofdzaak

7.1.

Door de onbevoegdverklaring zal de hoofdzaak tussen ITF, Nautilus en Ver.di tegen Marlow Cyprus ten einde komen.

ITF, Nautilus en Ver.di zullen als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld tot betaling van de proceskosten van Marlow Cyprus. Deze kosten worden gesteld op nihil. Marlow Cyprus heeft immers nog geen conclusie in de hoofdzaak genomen en de rechtbank ziet in de omstandigheid dat FNV c.s. gezamenlijk het griffierecht hebben voldaan aanleiding om over het griffierecht pas te oordelen bij eindvonnis in de hoofdzaak, die tussen FNV Havens en Marlow Cyprus zal worden voortgezet.

7.2.

Iedere verdere beslissing in de hoofdzaak zal worden aangehouden.

8. De beoordeling in het incident tot voeging op grond van artikel 217 Rv

8.1.

BG Freight Line c.s. vorderen dat hen wordt toegestaan zich aan de zijde van gedaagden te voegen in de hoofdzaak.

De bevoegdheid van deze rechtbank om van deze vordering kennis te nemen volgt uit artikel 8 aanhef en onder 2 Brussel I bis-Vo, dat bepaalt dat het gerecht waarvoor de oorspronkelijke vordering aanhangig is gemaakt ook bevoegd is om te oordelen over een vordering tot voeging.

8.2.

De incidentele vordering moet worden toegewezen, nu de aangevoerde en niet weersproken gronden deze vordering kunnen dragen.

8.3.

De proceskosten in dit incident worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

9. De beslissing

De rechtbank

in het bevoegdheidsincident en in de hoofdzaak

9.1.

verklaart zich onbevoegd van de vorderingen van ITF, Nautilus en Ver.di tegen Marlow Cyprus in de hoofdzaak kennis te nemen,

9.2.

veroordeelt ITF, Nautilus en Ver.di in de proceskosten aan de zijde van Marlow Cyprus, tot op heden begroot op € 543,00 (€ 543,00 in het incident en nihil in de hoofdzaak), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf acht dagen na betekening van dit vonnis tot aan de dag van betaling,

9.3.

veroordeelt Marlow Cyprus in de proceskosten aan de zijde van FNV Havens, tot op heden begroot op € 543,00 (€ 543,00 in het incident), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf veertien dagen na dagtekening van dit vonnis tot aan de dag van betaling,

9.4.

verklaart deze proceskostenveroordelingen uitvoerbaar bij voorraad,

9.5.

wijst af het meer of anders gevorderde,

in het incident tot voeging op grond van artikel 217 Rv

9.6.

staat Freight Line, Samskip, Unifeeder, Eucon, en X-Press toe zich te voegen in de hoofdzaak met zaak- en rolnummer C/10/599847 / HA ZA 20-648 aan de zijde van Marlow Nederland, Marlow Cyprus en Express Shipping als gedaagden tegen ITF, Nautilus, Ver.di en FNV Havens als eiseressen,

9.7.

verklaart deze beslissing uitvoerbaar bij voorraad,

9.8.

compenseert de proceskosten, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,

in de hoofdzaak

9.9.

verwijst de zaak naar de rol van 3 februari 2021 voor het nemen van een conclusie van antwoord door Marlow Cyprus jegens FNV Havens en voor het nemen van een conclusie na voeging door Freight Line c.s.

Dit vonnis is gewezen door mr. P.A.M. van Schouwenburg-Laan. Het is ondertekend door mr. Th. Veling, rolrechter, en door deze in het openbaar uitgesproken op 23 december 2020.

901/1885


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature