E-mail deze uitspraak

Uitspraak waar naar gelinkt wordt vanuit de e-mail die gestuurd zal worden:

ECLI:NL:RBROT:2020:12338
Rechtbank Rotterdam, C/10/599847 / HA ZA 20-648

Inhoudsindicatie:

Bevoegdheidsincident. Internationale bevoegdheid. In de hoofdzaak vorderen twee Nederlandse en twee buitenlandse vakbondsorganisaties van drie bedrijven nakoming van de Non-Seafarers Work Clause. Twee van deze bedrijven houden zich bezig met scheepsmanagement. Het ene bedrijf heeft woonplaats in het rechtsgebied van de aangezochte rechtbank, de rechtbank Rotterdam. Het andere bedrijf, dat het bevoegdheidsincident is gestart, is gevestigd in Cyprus. Brussel I bis Verordening. De vier vakbondsorganisaties, die alle dezelfde advocaat hebben, treden weliswaar als één procespartij op maar ten aanzien van ieder van hen luiden de vorderingen verschillend. De rechtbank beoordeelt haar bevoegdheid aan de hand van de volgende drie bevoegdheidsregels van Brussel I bis-Vo: artikel 7 aanhef en onder 1, artikel 7 aanhef en onder 2, en artikel 8 aanhef en onder 1. De eerste regel leidt niet tot bevoegdheid. Gelet op de aard van de vordering - die in de kern strekt tot het niet door bemanningsleden laten uitvoeren van sjorwerkzaamheden - en het grote geografische bereik van het gevraagde gebod, ziet de rechtbank onvoldoende ruimte om zichzelf bevoegd te achten als ‘het gerecht van de plaats waar de verbintenis die aan de eis ten grondslag ligt, is uitgevoerd of moet worden uitgevoerd’ zoals voorzien in artikel 7 aanhef en onder 1 Brussel I bis-Vo. Dit zou ook op gespannen voet staan met het beginsel van voorzienbaarheid en rechtszekerheid dat van groot belang is bij toepassing van Europese bevoegdheidsregels (vgl. HvJ EG 19 februari 2020, ECLI:EU:C:2002:99, (Besix/Wabag). Artikel 7 aanhef en onder 2 Brussel I bis-Vo (onrechtmatige daad) leidt tot bevoegdheid ten aanzien van de vorderingen van een van de twee Nederlandse vakbondsorganisaties. Ten aanzien van de vorderingen van de twee buitenlandse vakbondsorganisaties verklaart de rechtbank zich onbevoegd. Ook artikel 8 aanhef en onder 1 Brussel I bis-Vo kan namelijk niet leiden tot bevoegdheid. Er is namelijk geen sprake van ‘onverenigbare beslissingen’. Hoewel eiseressen dit niet bespreken en gedaagde (incidenteel eiseres) dit slechts kort benoemt, biedt artikel 8 aanhef en onder 1 Brussel I bis-Vo aan een individuele eiser onder voorwaarden de mogelijkheid om vorderingen tegen verschillende verweerders bij eenzelfde gerecht aanhangig te maken. Het artikel voorziet er niet in dat het ‘overdagen’ van een in een andere lidstaat woonplaats hebbende verweerder kan worden gegrond op een nauwe verbondenheid met een vordering van een andere eiser tegen een medeverweerder. Ook is in deze zaak een voegingsincident gestart waarin andere partijen om voeging aan de kant van gedaagden verzoeken. De internationale bevoegdheid om kennis te nemen van deze incidentele vordering wordt beoordeeld aan de hand van artikel 8 aanhef en onder 2 Brussel I bis-Vo.

Van


Aan


Opmerkingen (optioneel)


E-mail

Terug

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie